GROTE WOORDEN

'Wanneer een acteur of actrice in een van onze dolkomische, oer-Hollandse televisieproducties een smeuïg volkstypetje wil neerzetten, wordt negen van de tien keer gebruikt gemaakt van plat Amsterdams', aldus Ad van Gaalen in Stadsplat (1989)....

Dus niet als twee van de drie schippers naast God in Jiskefet van wie de tocht met De Bruyne Ster in 1631 ietwat abrupt in het ijs eindigde. Geen grootse serie, maar er klonk wel onvervalst de welbespraakte permanente neusverkoudheid van het Amsterdams. En de klassieke fierheid: 'Dat aksepik ik niet langer.' Gul: 'Wil jaai een stukkie carremambèr.' Zelfs ordelijk bij een klein meningsverschil: 'Houwe we de boel de boel?'

Hoofdstedelingen zijn vanouds gezellig, brutaal, spontaan en bijdehand, maar ook luidruchtig, betweterig en erg vermoeiend, aldus de stereotiepen. Van Gaalen kenschetst de houding van buitenstaanders (provinciaaltjes): 'Amsterdam hééft wat, Amsterdam is de mooiste stad van Nederland, ter wereld, maar ik ben blij dat ik er niet hoef te wonen.'

'Amsterdam is een banenrepubliek', aldus een sikkeneurige drs. P. in 1978 (Strammer, Dames!). 'Het bruist en zindert langs de straten en de grachten/ van collectief en komitee en vormingsgroep/ van de verslaafden, de verknipten, de verdachten/ van vandalisme, oud papier en hondepoep.' Elf jaar eerder begroette Ramses Shaffy de nieuwe cultuur juichend met Hallelujah Amsterdam: 'Er waait een nieuwe wind over de Dam' en 'En zet de tijd niet terug, het heeft geen zin.'

'Wie aan jou boezem werd geboren/ wordt van ontroering koud en klam/ bij 't woordje Amsterdam', zong Frans van Schaik (jaren zestig) in de deftige radiotongval van die dagen. Aan de Voet van die Oude Wester: 'En komen er ook grijze haren/ de rimpels van zorgen misschien/ toch blijf ik fier als een tijger/ toch wil ik jou nog eenmaal zien.'

Authentieker klonk het (overigens betwistbare): 'Liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen.' Jordaanse sentimentele nooddruft deed het goed. 'Zwarte Riek' Jansen: 'De ooiefaar kwam angefloge/ me moeder keek angstig omhoog/ se was besig koppies an 't droge/ toen-ie baai ons binnenfloog/ me wiegie was een staafselkissie/ me deke was een baaie rok/ 't kissie was versierd met strikkies/ me warme kruik een ouwe sok.' Arm maar warm.

Indringend waren Zwarte Rieks herinneringen aan de vooroorlogse joodse cultuur in Amsterdam Huilt. Veel typisch hoofdstedelijke woorden, ook in 't bargoens (deels geheimtaal om luisterende dienders te misleiden) zijn ontleend aan het Jiddisch of Hebreeuws: linkmichel, flauwsies, gabber, majem, jajem, koter, porum, mazzel, gis, togus, geinponem, mesjogge, jatmoos, ramsj, gannef, geteisem, schlemiel, tinnef, kinnesinne en. . . Mokum (betekent gewoon stad en daar is er maar een van).

Orgeldraaier Willem Parel van de geboren Utrechter Wim Sonneveld was razend populair, maar volgens kenners niet erg authentiek. 'We make van 't lefe meer een gaintje, wait u dét'. Zijn liedje Poen: 'Een duppie is een beissie, een kwartje is een heitje' enzovoort. En dan: 'Een jongen is een goser/ een meisje is een grietje/ se doft zich lekker op/ wanneer se aan de scharrel gaat/ een kleurtje op d'r waffel/ wat poeier op d'r snufferd/ d'r goser segt verliefd/ nou ben je net een papie kraat.'

Het Lied van Zwarte Leentje (tekst Michel van der Plas) was een curieuze pseudo-smartlap. 'En van 't ene kwam 't andere en van 't ander kwam een kínd.' De moraal: 'Want as de fogel is verswonden, komt gij al spoedig tot de fal. En na de soete smaak der sonde, proeft gij de dood saan bittere gal.' Ook in Naar Buiten, een oude tekst van Louis Davids (van wie de jonge Sonneveld secretaris was), zat een tegenstelling tussen plat en 'hoog'. 'Papa verklaart, indien zij persisteert bij dit geval/ hij haar per se de schedel klieven zal.' Een lied over de wonderen der natuur.

Veel eu- en ui-, maar niet de ij-klanken zijn bij Sonneveld eerder plat-Haags. Volgens Ad van Gaalen lijkt het 'platste' Amsterdams het meest 'Haags'. Lang geleden moeten er in de hoofdstad minstens achttien aparte dialecten zijn geweest. Dr. J.H. Halbertsma in 1845: 'Er is in de Haarlemmerdijkschen tongval een geheel eigenaardige toon, op welken alle woorden uitgebragt worden, en die ontstaat uit de eigenschap om diep uit de lossen en wijdgeopenden gorgel te spreken. (. . . ) Dit voortstooten uit de bodem des slappen strots duldt geene teedere vokalen'. En: 'Bij de Kattenburgers is de toon scherper, hooger, krijtender, en zij bijten u de consonanten als het ware toe.'

Zo was het ook aan boord van De Bruyne Ster: bijtend en geene teedere vokalen. Tot schipper Van den Beerenbroeck verliefd werd op Reetenjongh (toen die een meisje bleek) en plots teder hooghollands ging spreken.

Meer over