Grote tubaïsten voeren vrolijk duel

De driedaagse Music Meeting in Nijmegen bestaat eigenlijk uit verschillende festivals: de bijeenkomst voor de fijnproevers, het 'Nijmeegse feestje', en de vrolijke markt ter afsluiting....

Van onze medewerkers Frank van Herk en Ton Maas

De Music Meeting in Nijmegen krijgt steeds meer last van zijn reputatie als hét festival voor muziek die grenzen verlegt en overschrijdt. Alleen door jezelf steeds te overtreffen, kan aan de stijgende verwachtingen worden voldaan.

Daarom waren de keuzes dit jaar misschien wat halfslachtig, en leden ze onder de inflatie van de steeds populairdere wereldmuziek-crossovers.

Zo liet de organisatie weten zeer opgetogen te zijn dat men Béla Fleck & the Flecktones eindelijk had weten te strikken, terwijl die groep al jaren achtereen kind aan huis is geweest op North Sea Jazz. Ook de pogingen om een jonger publiek te lokken, leidden tot een zekere stuurloosheid.

Eigenlijk bestaat de Music Meeting uit een aantal afzonderlijke festivals. Vrijdagavond staat te boek als de meeting voor fijnproevers. Sommige bezoekers spreken van de 'Wimclub' omdat ze er meer dan elders de hand van programmeur Wim Westerveld in menen te herkennen.

Zaterdag verhuist het festival van de Stadsschouwburg naar De Vereeniging. Dat is het 'Nijmeegse feestje', drukker, swingender en lawaaiiger dan de vrijdag.

Zondag keert de karavaan dan weer terug naar de Stadsschouwburg en krijgt het karakter van een vrolijke markt, met in de wandelgangen tussen de concertzalen allerhande stalletjes met exotische hapjes.

De Wimclub opende vrijdag met een knorrig maar o zo vrolijk duel tussen twee van de grootste - zowel letterlijk als figuurlijk - tubaïsten ter wereld: de Fransman Michel Godard en de Amerikaan Dave Bargeron.

Wat speelse virtuositeit en muzikaliteit betreft zijn de heren van TubaTuba! aan elkaar gewaagd. De klanken die zij aan de enorme toeter ontlokken, hebben met de traditionele ritmische baslijnen van het instrument weinig meer van doen.

Door de zichtbare fysieke worsteling leken de soli vaak een gevecht tegen de zwaartekracht. Het effect was zowel aanstekelijk als overdonderend.

Het tweede deel van de avond was gegund aan Steve Coleman & Five Elements, maar waarom werd niet echt duidelijk. Na het speelplezier van TubaTuba! lag de humorloze artistiekerigheid van Coleman wat zwaar op de maag. Zolang hij zijn spelers kort aangelijnd hield, kwam de bitse funk nog wel over, maar toen de verschillende solisten na een tijdje loos mochten, verslapte de aandacht definief.

Club MM, het op jongeren gerichte festivalonderdeel dat dit jaar voor de tweede maal plaatsvond, was in bezoekersaantallen in elk geval een doorslaand succes. Zuco 103 bracht de menigte met veel flair in beweging, maar echt verrassend is dat natuurlijk niet.

Wel verrassend was het optreden van de groep Wai uit Nieuw Zeeland, die traditionele Maori-liedjes voorziet van elektronische en akoestische dancebeats. De samenzang van de drie zangeressen was voorbeeldig en ook zeer exotisch, maar het eenzijdige, op één gimmick steunende optreden bleef toch een beetje steken in aandoenlijkheid.

Zaterdagavond mocht een aantal pioniers van de 'wereldpop' laten zien of ze er nog wat van konden.

Pianist Ray Lema uit Congo en de Kameroenese saxofonist Manu Dibango zijn al sinds het begin van de jaren '70 actief in het Westen, en Dibango had een van de eerste crossover-hits met Soul Makossa.

Misschien dat de jaren gaan tellen, want echt vonken wilden de lome grooves maar niet, de bruisende opwinding die deze doorsnee-festivalmuziek aantrekkelijk kan maken bleef uit. De mooiste momenten waren die met samenzang van Lema's falset en Dibango's uit de gewelven opborrelende bariton; de instrumentale stukken, met Manu's nogal beperkte altsax in de hoofdrol, vervaagden tot bedaagde achtergrondmuziek.

Een nog zwaardere tegenvaller was de 'sambarock' van het Trio Mocotó, ook een act uit de jaren '70 die, nu jonge Brazilianen succesvolle dingen doen met dance, weer terug mocht komen.

Het werd duidelijk waarom het drietal, in tegenstelling tot kompaan van het eerste uur Jorge Ben, nooit internationaal is doorgebroken: slap materiaal, met verve maar weinig raffinement ondersteund door opgevoerd slagwerk en een irritant snerpend orgeltje. En dan drie matige zangers, met stemmen die slecht mengen: op zichzelf een opmerkelijk unicum voor een groep uit Brazilië.

Weinig nieuws dus dat kon overtuigen, ook niet in gerecyclede vorm: opvallend genoeg kwam de meest bevredigende muziek zaterdagavond van Flecks bekende country-funkgezelschap en van Polo Martiñez, die gewoon binnen de lijntjes kleurde van de landelijke son uit Cuba, maar met een prachtige stem vol natuurlijke emotie, en eigen liedjes die barstten van de meeslepende melodieën.

Meer over