Grootscheeps komt het Zuiden binnenzeilen

Het is begonnen. Je hoort al het feestgedruis, alsof straten ver een carnavalsoptocht zich gereedmaakt voor een schetterende rondgang door de stad....

WILLEM KUIPERS

Ik zag al Het uur en ogenblik van Augusto Matraga van Joao Guimaraes Rosa, De put van Juan Carlos Onetti, Zonnesteen van Octavio Paz, Aura van Carlos Fuentes, De heer der laatste dagen van Homero Aridjis en nog veel meer.

Tijdens het hoogtij van de Latijns-Amerikaanse literatuur werden duizenden lezers door zulke schatten verlokt alsof een nieuwe goudkoorts was uitgebroken.

Waarom? Wat was er zo aantrekkelijk aan de literatuur uit Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en waarom hield het op? Waarom is nu deze opleving georganiseerd? Moet iets wat aan het afsterven is met een laatste bloedtransfusie weer tot leven worden gewekt?

Heel toevallig begon ik te lezen in Een manier om ongeluk te bestrijden, een 'literaire autobiografie' van Mario Vargas Llosa en al in het eerste hoofdstuk van dit boek, 'Waarom u Borges moet lezen', vond ik een paar antwoorden op de vele vragen die inzake de Latijns-Amerikaanse literatuur en haar stormachtige verovering van praktisch de hele wereld gesteld kunnen worden.

Vargas Llosa vertelt hoe hij als student in de ban was van Jean-Paul Sartre. 'Ik geloofde heilig in zijn stelling dat een schrijver moet schrijven over zijn eigen tijd en de maatschappij waarin hij leeft, dat woorden daden zijn en dat wie schrijft, de geschiedenis kan veranderen.'

Het was óók de tijd dat Borges bekend begon te worden en diens werk was niet minder dan een openbaring voor Vargas Llosa, maar het plaatste hem tevens voor een dilemma.

'Op een klinisch zuivere manier', schrijft hij over Borges, 'stond hij voor alles wat Sartre mij had leren haten - de kunstenaar die zich afsloot voor de buitenwereld en vluchtte in een wereld van intellect, eruditie en fantasie; de schrijver die neerkeek op politiek, geschiedenis en zelfs de werkelijkheid en zich schaamteloos liet voorstaan op zijn scepticisme en zijn zure minachting voor alles wat niet uit een boek komt; de intellectueel die zich niet alleen ironische vrijheden permitteerde met de dogma's en idealen van links, maar die zijn privé-beeldenstorm zover dreef dat hij lid werd van de conservatieve partij en dat besluit hautain rechtvaardigde door te stellen dat een heer het liefst tegen de bierkaai vecht'.

Borges gedroeg zich niet alleen 'rechts' of 'conservatief' - iets waarbij Vargas Llosa zich tot op de dag van vandaag enigszins ongemakkelijk voelt -, hij voegde ook aan de 'magisch-realistische' literatuur van Latijns-Amerika een helderheid, een vormbesef en een ideeënrijkdom toe die daar tot dan toe ongekend was en die door Vargas Llosa zo indringend wordt beschreven dat hij zijn bewondering voor het werk van de blinde ziener niet eens meer hoeft uit te spreken.

Door het licht van Borges over het hele Latijns-Amerikaanse landschap te laten schijnen weet Vargas Llosa de literatuur die hier ontstond overzichtelijk in kaart te brengen en dat levert als vanzelf antwoorden op op de vraag waarom de boeken uit die voor ons veelal onbekende landen ons ook in Nederland in de jaren zestig en zeventig begonnen te intrigeren. Natuurlijk omdat hier de verbeelding aan de macht was gekomen. En hoe. In deze wereld waren werkelijkheid en fantasie nooit gescheiden geraakt.

Maar Borges bleef een probleem, ook in Nederland waar een slap soort literair engagement allang door het actiewezen onder de voet was gelopen. Sommigen zagen door de bomen het bos niet meer en als je in een gezelschap van linkse vrienden liet merken dat je van het werk van Borges hield, ja, dat je het bovenmate bewonderde, keek je de sartriaanse walging rechtstreeks in de ogen, let wel: de Nederlandse variant daarvan, een gereformeerd soort gemelijkheid die als een klamme deken over alles wat naar het esthetische zweemde was komen te liggen.

Waarom u Borges moet lezen, zal, hoop ik, met de literaire autobiografie van Vargas Llosa in handen een stuk duidelijker worden. Maar u moet ook Guimaraes Rosa lezen, uiteraard zijn door August Willemsen vertaalde Diepe wildernis: de wegen - over het genadeloze leven in de Braziliaanse sertao - en wie dat boek voorlopig te zwaar of te omvangrijk vindt, kan beginnen met de novelle Het uur en ogenblik van Augusto Matraga, die door Meulenhoff met werk van Paz,

Onetti en Fuentes in een mooie reeks is opgenomen (¿ 25,-).

Dat is lang niet alles wat Meulenhoff voor de Boekenweek 1996 aandraagt. Per slot van rekening is dit de uitgeverij, die al vroeg de allergrootsten uit Latijns-Amerika naar Nederland wist te halen. Meulenhoff zit goed, de komende weken, met Gabriel Garcia Márquez, Octavio Paz, Homero Aridjis, Julio Cortázar - er komt een herdruk van Rayuela - een hinkelspel, en er komt een bundel Mooiste verhalen - en al die anderen in haar fonds (en dan ook nog Adriaan van Dis en Carolijn Visser, die de beide boekenweekgeschenken schreven).

Meulenhoff haalt - heel begrijpelijk, maar ik hoop voor u dat het niet te veel wordt - àlles uit de kast. Vandaar dat men nu ook het debuut van Lisa St. Aubin de Terán (Londen, 1953) publiceert: Hoeders van het huis (¿ 34,90). In dit boek maakt de schrijfster, die zo gek is op (Italiaanse) huizen en treinen, haar verblijf in Latijns-Amerika te gelde. Zij woonde zeven jaar met haar eerste echtgenoot op een avocado- en suikerrietplantage in Venezuela.

Ook de thriller Onschuldig (¿ 34,90) van Julio Llinás en Fernando Niembro over het wereldkampioenschap voetbal in 1994, toen Diego Maradona slachtoffer werd van een complot, maar welk?, werd door Meulenhoff aangegrepen om de concurrentie op het Latijns-Amerikaanse terrein eenvoudigweg te verpletteren.

Er is veel te zeggen over de Latijns-Amerikaanse literatuur, met name ook over de mate waarin zij - met behoud van al die prachtige couleur locale - Europees is door de talen waarin zij geschreven is, het Spaans en het Portugees. Borges was bij uitstek Europees georiënteerd en Octavio Paz heeft wel eens gezegd dat er geen literatuur in de voormalige koloniën kon zijn, als die niet de ambitie had om uit de schaduw van de Europese literatuur naar de hoogste toppen te klimmen.

Dat is, voor wie geïnteresseerd is in vragen over dekolonisatie en cultuur, een houding die ons Europeanen directer bij deze literatuur betrekt dan wanneer we als literaire toeristen van tijd tot tijd een uitstapje maken naar Costa Rica, Colombia of Paraguay.

Maarten Steenmeijer, docent aan de universiteit van Nijmegen en criticus van Vrij Nederland, is de eerste deskundige op dit gebied - anderen zullen hem ongetwijfeld volgen - die de gelegenheid van de Boekenweek te baat neemt om de lezers meer te vertellen over deze literatuur en de kwesties die er mee aanhangig worden gemaakt. In Mythenbouwers van de Nieuwe Wereld (Wereldbibliotheek, ¿ 34,50) schrijft hij - na een historische inleiding over Columbus - over Márquez, Borges, Vargas Llosa en andere bekende auteurs, maar ook over minstens zo interessante, maar minder beroemde figuren als Roberto Arlt, Jorge Ibargüengoitia en Fernando del Paso.

Vorige week kreeg prins Willem-Alexander in Den Haag de Volledige Werken van Louis Couperus, vijftig boeken, waarvan hij er twee al had gelezen, zei hij. De laatste delen, Ongebundeld werk (¿ 83,40) en Ongepubliceerd werk (¿ 53,40) liggen inmiddels in de boekwinkel. Daar kunnen belangstellenden ook een folder vinden met het hele oeuvre èn een aanbieding: alle delen (in totaal ¿ 2305,20) zijn nu verkrijgbaar voor ¿ 1895,-.

Wie dat bedrag wil betalen, krijgt er gratis drie boeken bij: de studie van opper-editeur Dick van Vliet over het werk van Couperus, Eenheid in verscheidenheid (¿ 44,50); de briefwisseling tussen Couperus en zijn uitgever L. J. Veen (¿ 65,40) en het essay van Bas Heijne over de meester, Het gezicht van Louis Couperus (¿ 12,50). Bovendien zijn 'de Haagse romans', Eline Vere, De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. . . opnieuw, in een cassette, uitgebracht (¿ 99,50; na 1 juli ¿ 139,50).

De onuitputtelijke links-rechts discussie, die bij Vargas Llosa en Borges ter sprake kwam, wordt ook aangesneden in een nieuw boek van J. P. Guépin: De vader van Jezus en andere smalende teksten (Van Gennep, ¿ 49,90). Maar Guépin, die de termen 'rechts' en 'links' liever vervangen zou zien door 'gematigd' en 'radicaal', heeft het over nog veel meer, om niet te zeggen over àlles. In elk geval wil hij dat die nutteloze neerlandici verdwijnen en blijft hij Joost Zwagerman, schrijver van De buitenvrouw, een 'racist' noemen.

H. C. ten Berge, oprichter van het tijdschrift Raster, stuitte, zo vertelt hij in een tweede deel 'dagboekbladen, veldnotities' met als titel Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken, op het verzet van 'rechts' tegen zijn blad in de persoon van K. L. Poll, toen chef van het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Poll deed het nieuwe tijdschrift, dat een opvolger van Merlyn wilde zijn, meteen in de ban.

Ten Berge schrijft over 'De verslindende vrouw in literatuur en mythe', over de Vijftigers en over nog veel meer, maar zijn herinneringen aan de eerste jaren van Raster, werpen het duidelijkst licht op de scheidslijn in de vaderlandse letteren, waarmee hij en Raster direct te maken kregen en die nog steeds, alhoewel vaag, zichtbaar is. Aan de ene kant heb je het conventionele 'realisme', aan de andere kant de op het Europese modernisme georiënteerde 'evocatieve' stroming, waarvoor Raster de best toegeruste haven is gebleven.

Nelly Heykamp staat met haar roman Montelimar - over een lastig portret van een dochter die haar moeder en haar minnaar nauwlettend observeert - aan de kant van K. L. Poll. Hij zou, als hij nog geleefd had, zijn oude makker P. M. Reinders daar vast en zeker een heel positief stuk over hebben laten schrijven (AP, ¿ 29,90). En Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) staat eveneens aan de rechterkant van het literaire spectrum, niettegenstaande het feit dat ze uit een communistisch, indertijd ook wel 'progressief' genoemd milieu komt.

Dat haar debuut Aan de wilde kant heet, heeft daar niets mee te maken. Daarmee duidt ze op het leven dat haar hoofdpersoon Anna-Lena gaat leiden als ze door toedoen van een neef tussen de krakers belandt. Aan de wilde kant leek me een leuk boek voor oudere meisjes, die er - met al die veelvuldig van partner wisselende ouders van tegenwoordig - veel in zullen herkennen (Nijgh & Van Ditmar/ Leopold, ¿ 24,90).

Wessel te Gussinklo (Utrecht, 1941) is bij mijn weten noch links, noch rechts, maar wel, lijkt mij, zeer door Simon Vestdijk beïnvloed, een schrijver overigens, die als een van de weinigen voor de oorlog het Europese modernisme niet versmaadde. Te Gussinklo kreeg in 1986 de Anton Wachterprijs voor het beste debuut: De verboden tuin. Vorig jaar publiceerde hij de omvangrijke roman De opdracht - die mij en anderen zeer boeide, maar voor sommige critici niet om door te komen was - en nu is er Het engeltje (Meulenhoff, ¿ 19,90).

In deze novelle schetst Te Gussinklo een hartverscheurend beeld van de manier waarop een onhandige schlemiel, zeg maar een provinciaal, het messenflitsend geweld van Amsterdam trotseert om deel te hebben aan het verlokkende nachtleven. Zijn durf en drang worden beloond als hij in Le Fiacre een onwerelds mooi wezentje ontmoet ('het engeltje'), dat hem samen met haar heks van een moeder verneukt.

Meer over