Grondsoorten van het Nederlands

Nederland kent niet zomaar een paar dialecten, nee, het zit vol kleine gebiedjes met eigen uiterst vreemde meervouds-en andere vormen....

'Na wat ik allemaal heb meegemaakt, durf ik niet meer te zeggen dat iets niet bestaat of niet mogelijk is in het Nederlands.' Taalkundige dr. Ton Goeman tuurt op een landkaart die is volgekrabbeld met grafische tekentjes. Elk tekentje geeft een regionale variant aan van het verkleinwoord 'plooitje'. Volgens deze kaart kent 'plooitje' in het Nederlands zeker 21 verschijningsvormen. Zoals 'plooi-chi' in Drenthe en Overijssel. 'Plooi-sje' in de kop van Noord-Holland. 'Plooike' in onder andere Vlaams en Nederlands Brabant. En 'plooitsje' in Zuid-Holland en Zeeland.

'Plooitje' is een duidelijk voorbeeld van de grote variëteit aan dialecten in het toch relatief kleine taalgebied Nederland en Vlaanderen. Een groep taalkundigen onderzocht die variëteit, onder de vlag van het Amsterdamse Meertens Instituut. De resultaten verschenen deze week: twee delen dialectenatlas. Een deel heet Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten, waaraan ondere anderen Ton Goeman heeft gewerkt. Dit deel gaat over woordvorming. Bijvoorbeeld over hoe Zeeuwen komen op 'mouw-sji', voor 'mouwtje'. En waarom het meervoud 'stoelen' in Brabant en Limburg klinkt als 'stuul', zonder de gebruikelijke meervouds-'en' als uitgang.

Het andere deel heet Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Dat behandelt grammaticale aspecten die typisch zijn voor dialecten en die in de standaardtaal niet voorkomen. Een voorbeeld is het vervoegen van het voegwoord (woorden zoals dat, of, omdat, als), zoals een werkwoord kan worden vervoegd. De gekozen uitgang van het voegwoord hangt samen met het onderwerp 'ik', 'jij' of 'hij', enzovoort. 'Beloofst mij dast dat boek nooit meer verstoppen zoust', tekende een onderzoeker op in Midsland op Terschelling. 'Dast', 'dat je', is hier een vervoeging van 'dat', aangepast aan de tweede persoon enkelvoud 'je'.

De derde poot, de uitspraak van klanken, ligt klaar bij de collega's van Meertens in Gent: de Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Daarin staan kaarten met uitspraakvarianten.

Bedreigd

En waarom zou een mens dat allemaal willen weten? Prof. dr. Sjef Barbiers geeft antwoord. Hij werkte aan de grammatica-atlas en is bij Meertens projectleider van deze onderzoeksgroep. Dit project is volgens Barbiers nuttig omdat je aan dialecten hetzelfde kunt proberen te begrijpen als aan elke andere taal: hoe zit een natuurlijke taal in elkaar. En hoe werkt het brein, dat het elke variatie van het Japans tot het Limburgs in principe kan leren, mits van kindsbeen af aangeleerd .

'En er bestaat al sinds de jaren tachtig een vijf-voor-twaalf-gevoel.' Steeds minder mensen spreken actief en van jongs af aan een dialect. Dialecten dreigen te verwateren, en daarmee het culturele erfgoed dat ermee samenhangt. 'De bedoeling was dus niet: het enige echte, historische dialect vast te leggen.' Het ging de grammatica-onderzoekers om dialecten zoals die bij de start van hun onderzoek, in 2000, werden gesproken, met alle aanpassingen aan de moderne spraak vandien.

Het mag voorwaar een monsterproject heten, deze dialectenatlas. Opnames van dialectsprekers voor de woordvorming-atlas, zeg maar het plooitje-deel, zijn gemaakt sinds eind jaren zeventig. Stukje bij beetje, vertelt Ton Goeman, afhankelijk van de toestroom van geld om te kunnen doorgaan. De grammatica-atlas kon in 2000 meteen voluit van start dankzij subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Meertens en de Gentse universiteit.

Goeman schetst het beeld van dialecten-veldwerk in het pre-digitale tijdperk. Met opnameapparatuur op pad naar 420 verspreide plaatsen. Vervolgens per gesprek een week zoet zijn met het uitwerken op papier. Terugspoelen en weer luisteren, terugspoelen en nog een keer luisteren: wat zegt hij nou precies?! Wat dat betreft, stelt Goeman, is het digitale tijdperk een zegen. Het opslaan en terugvinden van gegevens voor het grammaticale deel ging stukken sneller.

De atlas toont een aantal opvallende verschijnselen in de dialecten. Een hoofdstuk gaat over de enorme variëteit aan verkleinwoorden, zoals dus die 21 varianten op 'plooitje'. Een flinke hap gaat ook naar de meervoudsvorming. De standaardtaal kent vier vormen. De '-en': hond-honden. De '-s': tafel-tafels. De '-eren': kind-kinderen. En een uitzonderlijke, 'onhoorbare' vorm: een biertwee bier, zonder uitgang.

'Dingen' of 'Dingere'

De dialecten kennen daarentegen indrukwekkende hoeveelheden meervoudsvormen. In oostelijk Gelderland, oostelijk Brabant en Limburg is 'dinger' het meervoud van 'ding'. In delen van Vlaanderen is dat meervoud 'dingens'. In de buurt van Winterswijk zeggen ze 'dingere'. Daar staat tegenover dat in een deel van Oost-Vlaanderen 'een dingen' enkelvoud is.

Verder komen in de woordvormingsatlas de geslachtsaanduidingen aan bod. Volgens Goeman maken Nederlandstaligen ten westen van de lijn Duinkerken-Emmen weliswaar geen onderscheid in geslachtaanduidingen, maar ten oosten van die grens wel. Daardoor ontstaan bijvoeglijke naamwoorden zoals 'een heel familie', en 'een half eeuw': de -e valt weg, voorafgaand aan de vrouwelijke woorden 'familie' en 'eeuw'.

Wanneer je dialectsprekers vraagt wat hun opvalt in hun taal, komen ze zelden aanzetten met dit soort merkwaardigheden. Geliefd zijn woordenlijsten en woordenboeken. Die zijn er inmiddels van veel dialecten. Maar op een hoger plan is het lastig nadenken over het eigen dialect.

Gevolg is dat er nauwelijks iets bekend was over de grammaticale eigenschappen van dialecten. Aldus Sjef Barbiers, die werkte aan dat boekwerk. Daarvoor zijn dialectsprekers geïnterviewd in zo'n 270 plaatsen. De grammatica-onderzoekers hebben sprekers geselecteerd van 55 tot 70 jaar, die niet horen tot de hoger opgeleiden. Die stroomlijnen hun taalgebruik namelijk te zeer in de richting van standaardtaal.

In kaart gebracht is een aantal grammaticale bijzonderheden, zoals die vervoeging van voegwoorden op Terschelling, waardoor 'datst' in plaats komt van 'dat je'.

Een zaak waarmee veel dialecten stoeien is het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden. Voorbeeld zijn de acht wonderlijke verschijningsvormen van het wederkerende 'zichzelf' in een zin als 'Jan ziet foto's van zichzelf in de etalage staan'. Zo zetten dialectsprekers in het westen, zuiden en in centraal-Nederland 'zijn eigen' op die plek. Een aantal Vlamingen maakt er zelfs 'zijn eigen zelve' van. Vooral in Friesland en omstreken is 'hemzelf' een veel gebruikte variant.

Het wederkerig voornaamwoord 'elkaar' kent zo'n veertien varianten, in een zin als 'Marie en Piet wijzen naar elkaar' . In de kop van Overijssel en in Oost-Friesland werd 'mallekaar' opgetekend. In grote stukken Vlaanderen is 'mekanderen' normaal. Limburg en Vlaams-Brabant houden het op een simpel 'een': 'Marie en Piet wijzen naar een.'

Met deze twee atlassen, voorzien van tekstboeken met uitleg, is het Meertens Instituut er nog niet. In de pijplijn zitten nog twee vervolgdelen, om nog andere aspecten van woordvorming en grammatica in kaart te kunnen brengen. De gegevens daarvoor liggen al klaar.

Al zijn de atlassen redelijk gebruikersvriendelijk, het zijn geen gezellige boeken, geschikt voor ongeschoolde dialectsprekers. De specialistische kennis is vooral bruikbaar voor onderzoekers van allerlei pluimage op het gebied van taal en geschiedenis, plus voor in taalkunde geschoolde lezers.

Een deel van de grammaticale vondsten is over ongeveer een maand openbaar toegankelijk via internet: www. meertens. nl/-sand/zoeken. Het woordsvormingdeel is nu al te vinden, op www. meertens. nl/mand .

Meertens zette al eerder een zogenoemde 'sprekende kaart' op internet. Dat zijn bandopnames van dialectsprekers, die de internetgebruiker thuis kan terugluisteren. Die sprekende kaart is te vinden op www. meertens. nl onder 'databanken.'

Meer over