Groeten van Barbusse

Gewoon de straat opgaan en zien waar je al lopende terechtkomt. Dat is mijn devies nu ik een paar weken in Parijs doorbreng. Ik loop hier per dag meer dan ik anders in een week in Amsterdam doe. De metro is taboe, de bus is toegestaan in gevallen dat ik te ver van huis ben geraakt, waarbij ook het gebruik van een taxi oogluikend is veroorloofd. Gerichte doelen heb ik niet. De grote tentoonstelling die ik niet mag missen staat niet op mijn lijstje. De speciale restaurantjes, door kennissen aanbevolen omdat ik er op culinair gebied iets ongekends zal beleven, bezoek ik alleen als ik toevallig in de buurt ervan blijk verzeild te zijn geraakt.

Het voor mijn doen langdurig lopen wordt vergemakkelijkt doordat ik in Parijs voor het eerst mijn wandelstok in gebruik heb genomen. Op mijn vijftigste verjaardag kreeg ik hem cadeau van een vriend met ver vooruitziende blik. Nu, 31 jaar later, mag hij met mij naar buiten. Blij dat hij eindelijk zijn nut kan bewijzen, voert hij zijn ondersteunende taak gretig uit.

Doelloos lopen is de regel, maar wat is een regel zonder uitzondering? Zo bracht ik mijn voornemen tot uitvoering om vanwege sentimentele redenen een bezoek te brengen aan de Place Contrescarpe in het Quartier Latin.

Meer dan zestig jaar geleden deelden Rudy Kousbroek en ik, jong en der dagen nog lang niet zat, er een kamer in het kleine, armoedige Hotel Beau Séjour, met hurktoilet halverwege de trap en een, gezien de gebrekkige bedrading levensgevaarlijk elektrisch kookplaatje in de vierkante meter ruimte, die als keuken was bedoeld. Het hotelletje was nu woonhuis geworden en het eens zo pauperachtige pleintje, waar de zwervers 's winters op de metroroosters sliepen, zo af en toe ontwakend om een slok goedkope Algerijnse slobberwijn tot zich te nemen, een toeristisch trekpleister.

De kleine drukkerij aan de overkant, waar een het Franco-bewind ontvluchte Spaanse emigrant tot laat in de nacht huwelijks- en geboorteaankondigingen en anarchistische pamfletten drukte, was genadeloos omgetoverd in een Irish pub, waar je naar rugby kunt kijken.

Omdat mijn wandelstok en ik niet omhoogkeken was het me niet opgevallen dat er een gedenkplaat was aangebracht boven de voordeur van het huis waarin ik tijdelijk verblijf. Een op doortocht zijnde vriend wees me erop. 'Hier woonde Henri Barbusse, schrijver, geboren 1873 in Asnières sur Seine, gestorven 1935 in Moskou.'

De in zijn tijd wereldberoemde Barbusse schreef Le Feu, een oorlogsdagboek uit 1916, vertaald in zestig talen, beschouwd als voorloper van Remarque's Im Westen nicht Neues. Hij werd bekroond met de Prix Goncourt. Later werd hij fervent stalinist en dat oogstte niet overal waardering.

Maar over dat laatste wil ik het nu niet hebben. Een van de komende dagen wordt er in Nederland ook een prijs uitgedeeld, de Prix P.C. Hooft, aan Henk Hofland (en zijn alter ego S. Montag), prachtig heldere en speelse schrijver van boeken en columns. En daarbij is hij degene die mij eens die wandelstok schonk waarmee ik nu zo lichtvoetig door Parijs wandel. Ik feliciteer hem en de Barbusse van Le Feu vraagt me hem zijn eerbiedige groeten over te brengen.

undefined

Meer over