Groeten uit Rio

Met grote tegenzin neemt Marjon van Royen afscheid als NOS-correspondent in Latijns-Amerika. Weemoedig blikt ze terug op dertien fantastische jaren.

LOES REIJMER

Een interview met de gewezen NOS-correspondent Marjon van Royen (55) moet via Skype. Ze woont in Rio de Janeiro, de stad waar ze dertien jaar geleden kwam wonen. Ze wil er nooit meer weg, ook al valt de stroom dagelijks uit en staat ze vaak uren in de rij voor de bank.

Ik zie je niet op het scherm, klopt dat?

'O, moet dat dan? Ja jezus, ik zie er niet uit. Wacht even. Hoe zet ik die camera aan?'

Na wat gestommel verschijnt Van Royen op beeld. Ze draagt een paars hemdje met daaronder zichtbare, zwarte bh-bandjes met glittersteentjes. Zoals in haar reportages voor het NOS Journaal heeft ze een bijpassend sjaaltje in het haar: paars, met zilveren details. De zongebruinde Van Royen valt in haar stoel en neemt een trek van haar sigaret. 'Het is een beetje warm hier', zegt ze daarna. 'Het is de warmste dag van de eeuw.'

Hoeveel graden is het dan?

'Het is 43 graden. Maar de gevoelstemperatuur is 50.'

Wat doen mensen als het zo warm is?

'Tja, die gaan dan naar het strand, hè.'

Jij ook?

'Nee, ik moest gisteren nog naar de crackheads in het noorden van Rio. Die reportage moet ik vandaag monteren.'

Het werd haar laatste opdracht voor het NOS Journaal, het medium waarvan ze op 1 januari na dertien jaar correspondentschap afscheid nam. De reportage, uitgezonden op 31 december, is een typisch Van Royen-verslag: veel oog voor de onderkant van de Latijns-Amerikaanse samenleving, in dit geval crackverslaafden, en met wantrouwen tegenover de gevestigde orde. De Braziliaanse autoriteiten willen geen verslaafden in het blikveld van toeristen met de Olympische Spelen (2016) en het WK voetbal (2014) in aantocht. Ze laat zien hoe een onnozel lachende hulpverlener een 13-jarig verslaafd jongetje vastzet zonder tussenkomst van de rechter en zonder zijn moeder op de hoogte te stellen. 'Dit is een gevangenis', zegt het jongetje als ze hem twee weken later opzoekt.

Het is niet altijd kommer en kwel in Latijns-Amerika. Het continent maakte een grote sprong voorwaarts in de jaren dat ze er woonde. 'Terwijl de wereld naar Azië keek, is er hier een Latijns-Amerikaanse trots ontstaan', zegt ze. 'Er is optimisme, voor het eerst. Het gaat economisch goed en de gigantische kloof tussen arm en rijk is een klein beetje gedicht.'

En dus wilde ook het Nederlandse nieuws aandacht besteden aan deze omwenteling. Kun je niet een Nederlandse ondernemer interviewen die nu investeert in Brazilië, luidde het verzoek meestal vanuit Hilversum. Van Royen: 'Dat kan ik wel, maar dat is een verhaal met een beperkte blik: wat betekent dit voor Nederland? Terwijl er zo veel mooie reportages over de economische vooruitgang te maken zijn. Ik maakte een verhaal over nagellak om te laten zien dat het zo goed gaat met Brazilië. Dit land heeft een nagellakfetisj, maar alleen rijke dames konden zich nagellak veroorloven. Nu hebben de meisjes in de sloppenwijken twintig flesjes op hun make-uptafel staan.'

Toen president Lula werd herkozen, verhaalde ze over een vriendin die haar handen altijd openhaalde bij het wassen van kleding. Eindelijk kon die haar grote droom, een wasmachine, verwezenlijken. 'Zo wil ik het vertellen', zegt Van Royen. 'Dat zegt toch veel meer dan een verhaal over de economie? Ik zoek het kleiner en emotioneler, zoals de meeste vrouwelijke correspondenten. De NOS wil steeds meer puur economische reportages, er heerst daar een mannencultuur.'

Haar contract met de NOS eindigde niet vanwege het meningsverschil over de gedroomde invalshoek. Ze moest weg vanwege het roulatiesysteem dat Hans Laroes, de voormalige hoofdredacteur van NOS Nieuws, voor zijn vertrek invoerde. Voor-taan mogen correspondenten nog maar drie of vijf jaar op een plek zitten, met een mogelijke verlenging van drie tot vijf jaar. Daarna moeten de correspondenten naar een andere standplaats of terug naar Hilversum. 'Zo houden ze de afstand van een buitenstaander en behouden ze een frisse blik', zei Laroes in maart 2010.

Van Royen schudt haar hoofd. 'Vastgeroest: ja, kan gebeuren. Uitgeblust: ja, kan gebeuren. De blik overgenomen van het land waar je zit: ja, kan gebeuren. Maar giet het niet in beton en beslis per individuele correspondent. Voor mij is buitenlandjournalistiek: een gebied volledig kennen en de gebeurtenissen uitleggen aan het Nederlandse publiek. Daar heb je veel contacten voor nodig. In Berlijn moet je bovendien anders opereren dan in Rio; het is een volstrekt andere cultuur. Het is veelzeggend dat de leiding van de NOS denkt dat het correspondentschap een trucje is dat je overal kunt toepassen.'

Wat zegt dat dan?

'Het is een visie op buitenlandjournalistiek die eigen is aan deze tijd. De eerste vraag is altijd: wat is de Nederlandse invalshoek? We zijn zo met onszelf bezig. In de tijd dat ik correspondent ben, heb ik het zien veranderen. Toen ik dertig jaar geleden begon als schrijvend journalist in Italië, werd elk stuk uit mijn handen getrokken. Nederland was een klein land dat veel van de wereld moest weten, dachten we. Nu vinden wij onszelf groot en willen we de wereld met de Nederlandse maat nemen.'

Heb je daar veel gevechten over geleverd de afgelopen jaren?

'Daar strijden correspondenten, maar ook buitenlandredacties, dagelijks tegen. We leggen het steeds weer af tegen binnenlandse hypes, zoals die bultrug Johannes. Buitenlandredacties hebben daardoor bovendien minder moed om zelf hun agenda te bepalen. Als de Volkskrant of De Telegraaf niet over een bepaald onderwerp bericht, is het voor de NOS moeilijk dat wel te doen. Er is veel lafheid, buitenlands nieuws moet altijd eerst ergens anders zijn verschenen. Als ik een voorstel deed, stuurde ik meteen wat links mee naar buitenlandse kranten of bladen: Kijk, het is een onderwerp; een echt grotemensenonderwerp!

'Ook merkte ik de afgelopen jaren dat de inhoud steeds meer in Hilversum wordt bepaald. Correspondenten gaan ergens op af met een vastomlijnde opdracht: zie dit verhaal rond te krijgen. Terwijl de correspondent juist moet onderzoeken wat er werkelijk aan de hand is. Soms is het gewoon een opgeklopt verhaal, zoals bij oxi. Dat zou een extreem dodelijke drug zijn waardoor veel Zuid-Amerikanen zouden overlijden. Het was wereldnieuws, maar toen ik het uitzocht, bleek de drug niet gevaarlijker dan crack. Ik maakte er dus geen reportage over, terwijl anderen de feiten zo construeren dat het nog een verhaal wordt ook.'

Heb je eigenlijk nog contact gehad met de hoofdredactie van de NOS?

'Ja, ik heb een mailtje gekregen.'

Met daarin dank voor de bewezen diensten?

'Nou ja, ik had Gelauff (Marcel Gelauff, hoofdredacteur NOS Nieuws, red.) op 21 december zelf een mailtje gestuurd. Ik verbaasde me erover dat ik geen bedankje had gehad. Hij reageerde nogal bits, schreef dat ik wel erg vroeg was met die conclusie. Hij wilde me nog een voorstel doen om afscheid te nemen.'

Je vindt dat je te weinig hebt gehoord?

'Het is nogal koud en kil. Weg is weg, klaar.'

Je mocht nog wel correspondent worden op de Nederlandse Antillen.

'Dat was een schandalig voorstel. Ik heb dertien jaar lang verslag gedaan uit 36 Latijns-Amerikaanse landen en dan zou ik nu een gemeente van Nederland moeten verslaan? Voor een vergoeding waarmee ik alleen als au pair zou kunnen wonen? Nou ja, het was geen serieus voorstel.'

Je bedoelt dat de hoofdredactie veronderstelde dat je het toch niet zou doen?

'Ja.'

Dat lijkt me pijnlijk.

'Het is een naar gevoel om niet meer gewild te zijn, ja. Een knauw voor mijn zelfvertrouwen. Ik ben een emotioneel type, ik houd van de NOS zoals je van je familie houdt. De buitenlandredactie informeerde altijd hoe het was als ik in gevaarlijke gebieden zat. We hadden sowieso veel telefonisch contact. Als er iets was gebeurd, kreeg ik aardige mailtjes. Het is natuurlijk geen familie, het is een bedrijf. Ik hink nu op twee gedachten: ik prent mezelf in dat ik er niet zo emotioneel mee om moet gaan, terwijl ik aan de andere kant het gevoel heb dat ik mijn geliefden ben verloren.'

Dat emotionele maakt dat ze zich zo makkelijk beweegt in de Zuid-Amerikaanse samenleving, denkt ze. 'Ik heb een Latijnse manier van doen. Ik ben extravert en persoonlijk. Ook belangrijk hier: ik raak iedereen aan. Dit is een cultuur van aanraken.'

Hoe raak je mensen dan aan?

Stilte, dan een harde lach: 'Nee, nee, niet op hun edele delen!'

Dat bedoelde ik helemaal niet.

'O. Wacht, ik ga even een sigaret halen.' Ze loopt heen en weer door de werkkamer, ondertussen dingen schreeuwend als: 'Wat een ramp! Ik kan mijn sigaretten niet vinden!' Niet lang daarna ploft ze weer neer op de stoel. Gevonden. Een hijs. 'Nee, aanraken is een manier om mensen gerust te stellen. Er is op dit continent meer geweld dan waar ook ter wereld. Door iemand bij de arm te pakken, laat je merken: het is oké, er is geen gevaar.

'Humor is eveneens een belangrijk wapen. Een aantal jaren geleden liep ik door de sloppenwijk met een vriend die daar werkte. Een jongen met verband om zijn rechterarm zat boos voor zich uit te kijken. Ik zei tegen die vriend: ik begrijp wel dat hij chagrijnig is. Hij heeft geen vriendin en moet het dus elke dag met zichzelf doen.'

'Mijn vriend hield zijn lach in en liep snel door. Ik bleek de drugsbaas van de wijk net een mietje te hebben genoemd. Het had geen gevolgen, vanaf dat moment liet hij altijd zijn rechterarm zien en zei: zie je, helemaal goed. Hij is nu alweer een tijdje dood, trouwens.'

Ben je zo van jezelf of heb je dat daar geleerd?

'Ik ben jong naar een Latijnse cultuur verhuisd, naar Italië. Daar ben ik zo geworden. Ik studeerde in Nederland af in 1981, de tijd dat de crisis toesloeg. Ik kon geen baan vinden. Wel was ik actief in de kraakbeweging. Toen krakers na een verschil van inzicht mijn meubilair kort en klein sloegen, heb ik het goedkoopste ticket naar de zon genomen. Dat was Italië.

'Geert Mak, die toen nog voor de Groene Amsterdammer werkte, had mij ooit geïnterviewd over de kraakbeweging. We hielden contact, ook toen ik daar zat. Ik zei dat hij een verhaal moest maken over de Italiaanse autonomen, als voorbeeld van hoe de kraakbeweging kan radicaliseren. Hij had geen tijd om te komen, maar vond dat ik alvast een aantal interviews moest doen en wat moest schrijven. Op een dag werd de Groene Amsterdammer bij mij bezorgd met een strik erom. Mijn naam stond boven een stuk over de Italiaanse kraakbeweging. Er zat een briefje bij: 'Zou je niet journalist worden?

'Daarna ben ik met mijn broertje en een vriend naar een eiland voor de kust van Napels gegaan. Er was daar niets, alleen sinaasappelbomen. We zeiden tegen elkaar: we gaan hier niet weg tot we alle drie weten wat we willen met ons leven. 48 uur later was het duidelijk: die vriend zou leraar worden, mijn broertje zou iets met computers gaan doen en ik zou journalist worden.'

En is het jullie alle drie ook gelukt?

'Ja. Maar mijn broertje is overleden in 1984.'

Waardoor is hij zo jong overleden?

'Dat is een lang verhaal. Ik wil er niet over praten.' Stilte. 'Zijn overlijden speelt een grote rol in mijn leven. Het motiveert me tot op de dag van vandaag om de dingen die ik doe ook voor hem te doen. Hij was een jaar jonger, we waren als kind al altijd bij elkaar. Hij heeft me geleerd wat liefde is, wat het betekent om om anderen te geven.'

Uit wat voor familie kom je?

'Gereformeerd. Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader vertaler. Daarom woonden we in Brussel. Meer wil ik er niet over vertellen. Mijn moeder leeft nog, zij heeft een andere lezing van wat er is gebeurd. Ik kan het haar niet aandoen om erover te praten in de krant. Wat duidelijk is: ik verzet me in mijn werk tegen onrecht. Misschien heeft dat wel iets met vroeger te maken, ja.'

Je hebt bijna altijd in het buitenland gewerkt. Ben je gevlucht voor die thuissituatie?

'God, zo heb ik het nooit bekeken. Dat zou best kunnen, ja. Italië heeft mij in ieder geval een van de basisbeginselen van het leven bijgebracht: geniet. Dat mocht ik voor die tijd natuurlijk niet, met die calvinistische achtergrond. Ik gaf nooit iets om eten, je moest het erin proppen bij me. In Italië mocht iedereen aanschuiven. Tijdens de maaltijd praatten mensen alleen maar over eten. Ik vond het prachtig, van de weeromstuit ging ik ook eten.'

Daar is de beruchte dagelijkse stroomuitval. Het beeld verdwijnt en de Skype-verbinding valt al snel volledig weg. Na een paar minuten belt Van Royen terug, ditmaal via een laptop waarvan de batterij bijna leeg is. Met het kleine beetje dat over is, wil ze nog wat kwijt: Ja, ze heeft het zwaar door het wegvallen van haar correspondentschap bij de NOS, maar nee: ze gaat niet bij de pakken neer zitten. Ze gaat door met haar journalistieke werk, op welke manier dan ook.

Een zucht: 'Dit vak is het belangrijkste in mijn leven. Ik heb er alles voor opgeofferd: mijn Italiaanse liefde, de mogelijkheid om kinderen te krijgen.'

Denk je nooit: ik heb er te veel voor opgeofferd?

'Nooit. Ik denk nu alleen: hoe kan ik verder? Ik moet verder. Het voelt als liefdesverdriet, dat gevoel van: ik wil nooit meer een andere man. Kun jij zonder liefde leven? Nee. Nou, ik kan niet zonder de journalistiek leven. Snap je hoe diep dat gaat? Vanaf het moment dat ik op het eiland voor de kust bij Napels journalist besloot te worden, is dat gevoel nooit weggeweest.'

REACTIE NOS

'Met Marjon verliest de NOS een kleurrijke correspondent, die veel goed en belangrijk werk voor ons heeft gedaan', reageert Marcel Gelauff, hoofdredacteur van NOS Nieuws. 'Daar ben ik haar dankbaar voor en ik wens haar alle goeds.' Hij wil niet inhoudelijk reageren op haar uitlatingen over de NOS.

ROULATIESYSTEEM

Marjon van Royen is niet de enige die door het roulatiesysteem afzwaait als NOS-correspondent. Ook Wilma van der Maten (India), Nicole Le Fevre (Midden-Oosten) en Andrea Vreede (Italië) stoppen. Van Royen maakte op eigen kosten een mini-documentaire over hun werk. Ze volgt hen bij het maken van hun droomonderwerp. Ook laat ze zelf de reportage zien die ze altijd al wilde maken. De film, My last day, is te zien op haar website marjonvanroyen.nl.

undefined

Meer over