Groeiende onderklasse is een mythe

De stelligheid waarmee een zorgelijke toekomst voor laagopgeleiden wordt geschetst, staat in geen verhouding tot de cijfers, meent Paul de Beer....

Het wetenschappelijke panel van de Sociale Agenda maakt zichzorgen over een groeiende onderklasse en een tweedeling van desamenleving (het Betoog, 31 december). In hun zorgen staan deleden van het Volkskrant-panel niet alleen. Minister De Geus vanSociale Zaken en Werkgelegenheid stelde ruim een jaar geleden aldat er in Nederland de komende tien jaar een groep van tweemiljoen kanslozen dreigt te ontstaan.

De oorzaak zou zijn gelegen in de opkomst van dekenniseconomie. De behoefte aan hoog opgeleide arbeidskrachtenneemt toe. Maar eenvoudig, laaggekwalificeerd werk wordt steedsmeer door machines, computers en automaten overgenomen of naaropkomende economieën als China en India verplaatst. Voor wiegeen startkwalificatie - dat wil zeggen minimaal havo-, vwo- ofmbo-2-niveau - heeft, ziet de toekomst er dus somber uit.

De stelligheid waarmee deze zorgelijke toekomst voor laagopgeleiden wordt geschetst, staat in geen verhouding tot debeschikbare cijfers. Natuurlijk zijn de aantallen vroegtijdigeschoolverlaters (dropouts) en jeugdwerklozen een reden tot zorg.Van de mbo'ers verlaat bijvoorbeeld 45 procent de opleidingzonder diploma. De werkloosheid onder laagopgeleiden (ten hoogstevmbo-niveau) is met 9 procent ruim twee maal zo hoog als onderhoogopgeleiden (hbo/wo) en de arbeidsdeelname bedraagt slechts47 procent, tegenover 81 procent van de hoogopgeleiden.

Deze feiten zijn niet nieuw. De urgentie van het probleem zouzijn gelegen in het feit dat de situatie van laagopgeleidensteeds slechter wordt. Maar daarvoor zijn helemaal geenaanwijzingen. De werkloosheid onder laag opgeleiden was tien jaargeleden ook al twee maal zo hoog als onder hoogopgeleiden entwintig jaar geleden zelfs ruim drie keer zo hoog. Dearbeidsdeelname van laag opgeleiden is de afgelopen decennia persaldo nauwelijks veranderd en ook de achterstand tothoogopgeleiden is niet groter geworden.

Dat de arbeidsmarktpositie van laagopgeleiden nietverslechtert, kan worden verklaard uit twee ontwikkelingen. Aande ene kant loopt het aanbod van laagopgeleide arbeidskrachtengeleidelijk terug. Begin jaren tachtig maakten zij nog de helftvan de beroepsbevolking uit, inmiddels is dit nog slechts eenkwart. Maar dreigt dit aandeel de komende jaren niet opnieuw opte lopen, door het hoge aantal dropouts?

De cijfers duiden eerder op het omgekeerde. In deleeftijdscategorie van 25 tot 34 jaar is het aandeellaagopgeleiden sinds 1996 van 24 naar 17 procent gedaald. Hetpercentage vmbo'ers en mbo'ers dat zonder diploma het onderwijsverlaat, is sinds begin jaren negentig nauwelijks veranderd.Alleen het aantal gediplomeerde vmbo'ers dat geenvervolgopleiding volgt, is de laatste tien jaar fors gestegen,van 15 naar 25 procent. Maar, zoals gezegd, er zijn geenaanwijzingen dat hun arbeidsmarktpositie is verslechterd.

Anderzijds blijkt het aantal eenvoudige banen, integenstelling tot wat meestal wordt verondersteld, niet terug telopen. De zogenoemde elementaire banen, waarvoor geen opleidingis vereist, maken al zeker drie decennia zo'n 6 à 7 procent vande werkgelegenheid uit. Weliswaar zijn er in de loop van de jarenhonderdduizenden eenvoudig banen verdwenen in de landbouw, deindustrie en de bouwnijverheid, maar daar staat tegenover dat ernog méér eenvoudige banen zijn bijgekomen in de dienstverlening- bijvoorbeeld in de schoonmaaksector, detailhandel, horeca,openbaar vervoer (controleurs) en bewaking.

Thans is het aantal elementaire banen zelfs bijnahonderdduizend hoger dan het aantal ongeschoolde arbeidskrachten.De kans van laagopgeleiden op werk zou dan ook zelfs zijnverbeterd als niet veel eenvoudige banen werden bezet door mensendie eigenlijk te hoog zijn gekwalificeerd, zoals scholieren enstudenten die als caissière, winkelverkoper of kelner werken.

Al met al is er weinig reden voor doemdenken over eengroeiende onderklasse van laagopgeleiden. Daarmee is niet gezegddat hun arbeidsmarktpositie geen aandacht behoeft. Het groteaantal dropouts en de hoge werkloosheid onder laagopgeleiden zijnzorgelijk genoeg om extra maatregelen voor deze groep terechtvaardigen.

Maar het is niet juist dat een groeiende onderklasse alleenkan worden voorkomen als iedereen minimaal een zogenoemdestartkwalificatie behaalt. Door dat te suggereren, versterkt menalleen maar het negatieve beeld van het vmbo: dat wie met eenvmbo-diploma de arbeidsmarkt betreedt - laat staan zonder diploma- bij voorbaat kansloos is.

Die suggestie zou de laag opgeleiden uiteindelijk wel eensmeer kunnen schaden dan de economische ontwikkeling. Ook,misschien wel juist, in een hoog ontwikkelde kenniseconomieblijft er behoefte aan mensen die het niet moeten hebben van hunintellectuele capaciteiten, maar van hun bereidheid de handen uitde mouwen te steken. Laten we hen liever de waardering geven dieze verdienen dan op hen het stempel van kansloze te drukken.

Meer over