Grip, zijn vierde roman, betekent Stephan Enters doorbraak. 'Er gebeurt niet veel. Maar wat is er interessanter dan de bewegingen van de menselijke geest?'

ARJAN PETERS

Dat regeltje uit een nummer van Van Morrison, I will never grow so old again, dat komt letterlijk voor in het eerste deel van Grip. En geparafraseerd komt het terug in het laatste deel van de roman. 'Maar wie goed kijkt', zegt Stephan Enter (1968) op de burelen van zijn uitgeverij Van Oorschot, 'zal zien dat die regel er nóg een keer in zit. In het tweede deel is Martin aan het woord, en hij realiseert zich dat zijn dochter te oud is geworden voor een bepaald grapje. Zo jong zal ze nooit meer worden, dat ze daar nog in trapt.

'Anderhalf jaar heeft het schrijven me gekost. Daarna heb ik het manuscript van 750 pagina's ingedikt tot 183. Achteraf zie ik pas goed hoe véél er cyclisch is in dit boek. Het zit er vol mee. Ongeveer zoals je in een muziekstuk, een sonate of symfonie, kleine motiefjes terug hoort komen. Ik hoop dat de lezer daardoor een enorme hechtheid ervaart. Mijn boek lijkt enigszins op de Mondschein-sonate van Beethoven: andante sostenuto, esthetisch en kalm. Dat is deel 1 van mijn boek: Paul. Dan het allegretto, de onrust en frustratie sluipt erin: dat is deel 2, Martin. En dan presto agitato: dat is deel 3, de onstuimige en zelfverzekerde Vincent. Maar ik moet je bekennen: dit heb ik pas later bedacht.'

Gedegen compositie, klassiek gegeven, met de meesterhand geschreven die de lezer dwingt tot doorgaan, in één keer, al is het diep in de nacht: Grip is een klein wonder, en dat is ook terstond herkend, want na twee maanden is de vierde druk opgelegd.

Vier studenten hebben twintig jaar geleden bergen beklommen in het noorden van Noorwegen, op de Lofoten. Zonder last van muggen, wat ze hadden verwacht, als lezers van die andere grote Nederlandse roman die zich Noorwegen afspeelt: Nooit meer slapen (1966) van W.F. Hermans. Met een mietje als hoofdpersoon, staat er in Grip. Enter: 'Grapje. Ik vind het een fantastisch boek van Hermans, maar het is verstoken van euforie over Noorwegen. In die zin is mijn boek een anti-Nooit meer slapen.'

Nu ze begin veertig zijn, zullen ze elkaar terugzien. Onderweg naar de reünie maken we kennis met Paul, Martin en Vincent. De vierde, Lotte, die destijds nog vrijgezel was en na de bergtocht is getrouwd met Martin, komt niet aan het woord. Zij blijft het mysterie waar dit verhaal omheen cirkelt. De lezer krijgt de belevenissen en herinneringen van de drie mannen voorgeschoteld. Hun gedachten van toen, en de confrontatie met het heden van 2007: over liefde, tijd, dood, reizen, en of onsterfelijkheid een straf of een zegen zou zijn.

In Enters eerste boeken wemelt het van de opgroeiende jongens en studenten, twijfelaars vaak die worstelen met zichzelf en met hun relaties: Winterhanden (1999), Lichtjaren (2004), Spel (2007). Wilde hij nu kijken hoe het uitpakte als hij zijn personages ouder liet worden? Enter, aarzelend: 'Mijn volgende boek gaat over iemand die achttien is. Het blijft toch de rauwe periode waarin je een aantal emoties voor het eerst meemaakt, die daar worden geijkt: verliefdheid, geweld, jaloezie.

'Wel wil ik elke keer een ander soort boek schrijven. Na de eerste verhalen kwam Lichtjaren, met als experiment: kan ik het hart van de roman laten bestaan uit een brief van honderd bladzijden? Toen kwam Spel, en daarin wilde ik een jeugdgeschiedenis vertellen in elf samenhangende verhalen. Voor Grip heb ik ook een experiment uitgevoerd, al noemt iedereen het een klassiek boek: het staat vrijwel geheel in de vrije indirecte rede, dus tussen monoloog en verslag in. Vanaf zin één: 'God, daar was hij dus.' Dus niet: 'God, dacht Paul, daar was hij dus.' In de vrije indirecte rede gaat alles sneller.

'Behalve dat laat ik drie personages vertellen, en toch wilde ik dat het verhaal in één rechte lijn naar een dramatische ontknoping voert. Een waagstuk, dat ook kan mislukken: dat heb ik driekwart van de tijd gevreesd. Ik wíl dat hoor, dat het faliekant mis kan gaan. Alleen dan haal je het uiterste uit jezelf.'

Met mislukkingen heeft hij ook ervaring. Winterhanden, zijn debuut in 1999, kwam bepaald niet uit de lucht vallen. Daarvóór had Stephan Enter al twee romans en vijfentwintig verhalen geschreven. 'Die vond ik niet goed genoeg, maar ik heb er wel materiaal uit gebruikt voor de latere romans. Een geheim reservoir, met soms authentieke beelden en bruikbare metaforen.' En die ongepubliceerde boeken waren ook nog niet het begin.

'Schrijven doe ik vanaf mijn twaalfde jaar. Bérgen poëzie, die hopelijk nooit het daglicht zullen zien. Ik heb Nederlands in Utrecht gestudeerd, en zelfs de studie heeft mijn plezier in het schrijven er niet onder gekregen, al moest ik daar wel van bijkomen. Als ik nu zou gaan studeren, dan koos ik een echt vak. Astronomie of zo. Mijn vrienden zijn ook bijna allemaal bèta. Een paar personages in Grip zijn losjes geënt op twee vrienden die als expat in het buitenland werken, de ene als sterrenkundige, de ander natuurkundige. Ja, ze hébben mijn boek in huis, ze weten zelfs dat er expats in voorkomen, maar hun ontbreekt die nieuwsgierigheid om het meteen te lezen.'

Hij kan het hebben. 'Op de middelbare school, een dorpsgymnasium in Barneveld - met een anagram Brevendal genaamd in Spel-, was ik een bèta. Maar wis- en scheikunde, dat vond ik tegelijk ook puzzelen. Literatuur, dát was iets wezenlijks, dat zegt iets over je leven. En als ik ga studeren, dacht ik, dan kom ik tussen mensen terecht die net zo bezeten zijn van literatuur als ik.

'Een koude douche. Bezielde studenten en docenten kwam ik zelden tegen. Eén moment van passie heb ik in mijn studiejaren vastgesteld. Dat was toen een docent een stuk uit de Mei van Gorter voorlas, zijn armen spreidde en uitriep: 'Dit is toch práchtig!' En weg was het moment. Maar ik heb het afgemaakt, want zo hoort dat. Mijn doctoraalscriptie ging over Adriaan Roland Holst, de deftige en liederlijke dichter, en de Keltische invloeden op zijn werk. Toen wist ik dat ik de studie niet nodig had voor het schrijven. Ik heb nog een satirische roman over mijn studie Nederlands op stapel staan. Het lijkt me geweldig die hele periode nog even goed uit te melken.

'Als kind vond ik het al bijzonder, dat iemand een verhaal had geschreven en dat er daarmee een verzonnen wereld bestond waar een lezer volledig in kon geloven. In de ban van de ring van Tolkien, ik was erdoor verpletterd. Later zie je dat literatuur nog veel dieper de menselijke geest verkent. Dáár heb ik veel aan gehad. Niet aan de studie.'

De adem van Grip wordt gevormd door de stemmen van de personages. Alle drie afsplitsingen van hem zelf, denkt hij desgevraagd: Paul, Martin, Vincent. Omdat de epiloog weer Paul is, volg je hem het langst. Enter: 'Dat denk ik, dat ik het meest op hem lijk. Hij is bevlogen, en omarmt het idee van de onsterfelijkheid, die volgens een krantenbericht binnen twintig jaar een feit kan zijn. Veel religies verwerpen die gedachte, en sowieso hoor je vaak dat onsterfelijkheid een vloek moet zijn. Maar ik vond het interessant om iemand daar meteen voor te laten kiezen. Daarom ook heb ik hem het laatste woord gegeven. Je moet een soort zen-houding hebben ten opzichte van de werkelijkheid, alle ruis wegdenken, de schoonheid van het moment zien, alleen dan kun je die gedachte van de onsterfelijkheid aan. Zoiets moet in je aard liggen.

'Die stemming heb je ook als je in de bergen van Noorwegen loopt. Daar valt alle ruis weg, weet ik uit eigen ervaring. Daarom is die groepsreis in Grip van twintig jaar geleden zo belangrijk geweest: toen keken de personages over hun leven uit, om het zo te zeggen, en hebben ze al veel nagedacht over hun onderlinge relaties. Een van hen wijst uit blaséheid de liefde van zijn leven af. Eén van hen komt bij een val bijna om. Na twintig jaar komen dat gevaar, en die ideeën over leven en liefde, weer terug, omdat ze weer even één zijn met de natuur. Uit Grip spreekt een zekere natuurmystiek, eerder dan wat ik in het Reformatorisch Dagblad las; dat er een godsdienstige boodschap in zit. Alle personages zijn overduidelijk atheïst. Paul denkt 'God, daar was hij dus' omdat 'god' zijn stopwoordje is.

'Er gebeurt niet veel, heb ik ook wel gelezen. Dat is maar de vraag. Wat is er interessanter dan de bewegingen van de menselijke geest? Als je wilt dat 'er iets gebeurt', kun je de hele cyclus van Marcel Proust ook weggooien. In de hele wereldliteratuur gaat het om kleine dingen, die uitdijen tot iets wat je hele leven bepaalt. Als er iets saai is, dan een James Bondfilm waar binnen twee minuten wordt geschoten, zonder dat er iets gebeurt met de ziel van die man.'

De personages zijn voortdurend in beweging: lopend, zwemmend, in de trein, in de bergen. Dat, gevoegd bij de herinneringen, en de vorm, geeft het bespiegelende boek een zinderende vaart. Enter: 'Dat hoort ook bij reizen: van alle kanten krijg je impressies. Dat is belangrijker dan de bestemming. Dat bad van sensaties wilde ik de lezer bereiden.'

Stephan Enter: Grip.

Van Oorschot; 183 pagina's; € 17,50.

ISBN 978 90 2824 179 4.

CV:

1968

geboren in Gelre

1997

eerste publicatie, verhaal 'Macho', in literair tijdschrift Tirade

1999

debuut Winterhanden (verhalen, nominatie Libris Prijs)

2004

Lichtjaren (roman, nominatie Libris Prijs)

2007

Spel (roman-in-verhalen, Duitse vertaling 2009)

2010

verhaal 'Weerstand', hoofdstuk 5 uit Spel, als 'Resistance' opgenomen in de Amerikaanse bundel Best European Fiction Anthology 2010

2011

Grip (roman, Duitse vertaling volgend jaar)

undefined

Meer over