Grijs is toch ook een kleur

Henk Fräser is ook al weer dertig jaar. 'En dan kun je nog wel een ander mens worden, maar geen andere voetballer meer.' Die onbesuisde voorstopper, met z'n driftbuien, zal hij wel blijven, maar als mens wil hij minder star zijn in zijn denken....

JAAP VISSER

SPIJT IS een gevoel dat Henk Fräser volkomen vreemd is. Toch wil de dertigjarige verdediger van graniet tegenwoordig 'anders' zijn. 'Een beter mens voor mijn omgeving. Nou ja beter, makkelijker. Nee, niet makkelijker, minder zwart-wit.

'Binnen en buiten het voetballen zag ik alles altijd heel zwart-wit. Als iets gebroken wit was dan vond ìk het wit. Iets was zwart of wit, daar tussenin zat niets. Maar ik heb leren relativeren en begrijp nu dat er ook grijs bestaat. Ik heb grijs geaccepteerd. Ik vond altijd dat ik in alles gelijk had, maar nu wil ik mijn ongelijk wel eens toegeven.'

Henk Fräser, de donkere voorstopper van de schaamteloze trap tegen de benen van de tegenstander, heeft bijna drie jaar lang gesukkeld met een kwetsuur aan de rechter achillespees. Vorig seizoen kwam hij nagenoeg niet aan voetballen toe en leek zijn carrière als een nachtkaars te doven.

Maar na een lange periode van revalideren en terugslagen overwinnen, is Fräser weer een rots in de branding voor Feyenoord-doelman Ed de Goey. 'Ik was afgeschreven en had zelf de moed al dikwijls opgegeven. Maar ik ben terug, gelouterd en dankbaar voor elke wedstrijd die ik mag spelen. Ik vind mijn bestaan als profvoetballer niet langer iets vanzelfsprekends. Ik geniet er nu meer van.'

Hij zit momenteel in De Celestijnse belofte, de spirituele roman van James Redfield die zijn aandacht gevangen houdt. Fräser citeert uit het eerste hoofdstuk:

We zoeken allemaal naar een betere vervullig van ons leven en we willen niet opgescheept zitten met allerlei beperkingen. Dat rusteloze zoeken is de achtergrond van de 'ik eerst'-houding die de laatste decennia iedereen besmet heeft, van Wall Street tot straatbendes.

'Tot Henk Fräser dus. Ik had ook geen rust en wilde me van niemand iets aantrekken. Ik wilde op een egoïstische manier vrij zijn, maar die houding probeer ik nu te veranderen.'

Zijn onbesuisde overtredingen doen anders vermoeden, maar Henk Fräser is een verdediger met een geweten. De ene schop is de andere niet. Wie hem goed doet, die goed ontmoet, maar wee degene die Fräser tart. 'In de eerste wedstrijd van het seizoen, Roda uit, komt Van Hoogdalem als een waanzinnige inzetten. Ik spring op, met de gedachte om hem bij het neerkomen vol te raken. Het is een foute reactie, maar ik heb er niet zo'n moeite mee, want ik weet dat hij bewust zo'n harde sliding maakte en dat ik een been had kunnen breken als ik was blijven staan.

'Maar het publiek spreekt er schande van. Ik weet ook wel dat het niet goed te praten is, maar over die actie van Van Hoogdalem wordt met geen woord gerept. Over de eerste overtreding wordt meestal nooit iets gezegd.

'Wat ik veel erger vind, is wat ik thuis tegen De Graafschap flikte. We staan de hele tijd met 1-0 achter en hun laatste man, Redeker, een goede voetballer, is steeds aan het tijdrekken. Wij krijgen een corner, ik ga de bal halen, die jongen houdt 'm vast en ik ga op z'n tenen staan. Niemand die het ziet, maar achteraf had ik er grote moeite mee. Het was een geniepige streek. Stel dat die jongen reageert, door te duwen of te slaan, dan naai ik 'm nog een kaart aan ook.

'Willem van Hanegem had daar een broertje aan dood. Hard spelen vond hij best, maar je tegenstander een kaart bezorgen, vond hij min. Er zijn trainers die dat juist stimuleren. Zulke figuren kan ik niet zetten. Ik heb die jongen van De Graafschap na afloop ook mijn excuses aangeboden. Maar had ik Van Hoogdalem geblesseerd dan zou ik daar geen moment mee hebben gezeten.

'Het ergste van de voetbalwereld is de hypocrisie van spelers, trainers, journalisten en het publiek. Als je iemand neerschopt in het belang van het elftal, een professionele overtreding noemen ze dat, wordt het meestal door de vingers gezien. Maar als ik iemand een schop voor z'n flikker geef omdat ik vind dat het oog om oog, tand om tand is dan ben ik niet goed wijs. Zo'n Van Hoogdalem vraagt er om, maar ik moet me inhouden. Dat valt niet mee, het is voor mij net zoiets als accepteren dat er grijs is.'

Fräsers gevaarlijkste tegenstander is zijn gevoel voor rechtvaardigheid dat nogal sterk is ontwikkeld. 'Waar het vandaan komt, weet ik niet, ik denk dat het van nature in mij zit. Zodra ik onrecht bespeur, spring ik uit mijn vel. Dat heeft mijn carrière geen goed gedaan. Als ik anders was geweest, minder opvliegend, had ik veel meer waardering gekregen.'

Ook buiten het voetbal kan vermeend onrecht hem laaiend maken. Maar het dondert dan slechts van binnen. 'Ik sla er nooit op, ook al erger ik me vaak kapot. Soms om de kleinste dingen: ik stop voor iemand en die doet alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. Of: iemand vertikt het om even een deur voor mij open te houden.

'Maar met dat onrecht valt te leven. Zo lang ik met rust word gelaten en zo lang ze niet aan m'n vrouw en kinderen zitten, vind ik het uiteindelijk wel best en maak ik nergens stennis over. Maar zou mijn kind een slachtoffer zijn van die enge mafketel in België dan rust ik niet voordat ik hem eigenhandig kapot heb gemaakt. Al zou ik er mijn hele leven over doen om hem te pakken te krijgen.'

Ergerlijk vond Fräser ook het opportunisme dat de voetbalwereld kenmerkt. De snel en sterk wisselende stemmingen van het publiek bij voorbeeld. 'Ook dat irriteerde mij soms mateloos.'

MAAR EEN periode van bijna anderhalf jaar gedwongen toekijken, heeft zijn ogen geopend. De bekerfinale van 1995, tegen Volendam, was een dieptepunt. 'Ik ergerde me toen werkelijk overal aan, aan het publiek, aan de tegenstander en aan mezelf. Ik zat niet goed in m'n vel en kon daar niet mee omgaan. Ik heb toen echt hele rare dingen gedaan.'

Hij veroorzaakte een kloppartij door Wilson van Volendam een oplawaai te verkopen en zocht zelfs ruzie met het publiek. 'De stoppen waren doorgeslagen. Ik heb foute gebaren naar de tribunes staan maken. Ik vond dat ze me niet genoeg steunden, of zoiets. Maar nu heb ik zelf lange tijd op de tribune gezeten en kan ik goed begrijpen dat het publiek er soms de tering over in heeft.'

Behalve hard kan Fräser ook mooi verdedigen, op souplesse, zoals hij dit seizoen weer geregeld laat zien. 'Als ik me lichamelijk goed voel gaat het voetballen me makkelijk af. Maar ik moet me ook weer niet te goed voelen. Tegen Roda en in de tweede wedstrijd tegen Volendam had ik last van m'n lies en was ik maar tachtig procent. Toch oogt het dan vaak beter omdat ik me een klein beetje inhoud. Vaak is het zo dat als ik helemaal fit ben dat ik dan té scherp ben, té hard in de duels.

'Dat zal ook niet meer veranderen, ben ik bang. Ik ben nu dertig, dan kun je nog wel een ander mens worden, maar geen andere voetballer meer. Mijn carrière had anders kunnen lopen, misschien wel moeten lopen, maar ik ben tevreden zo. Ik voetbal al zes jaar bij de club waar ik altijd heb willen spelen.'

Zeven jaar was Arnold Henricus Fräser toen hij met zijn familie van Paramaribo naar Rotterdam verhuisde. Vier jaar later keerde hij voor anderhalve maand terug naar Suriname. Dat laatste bezoek heeft de herinnering aan zijn geboorteland onuitwisbaar gemaakt.

'Tot vijf jaar geleden had ik heel sterk het gevoel dat ik ooit terug zou moeten gaan, om iets te doen voor mijn land, iets met kinderen en voetbal. Maar dat gevoel is helemaal weggeëbd. Mijn vrouw is tegen, vanwege het slechte politieke klimaat en het lage welvaartspeil. Ze heeft gelijk. Er zal daar iets gebeuren met je kinderen. Als ze ziek worden, kunnen ze ook zomaar dood gaan.

'Wel wil ik Suriname nog een keer met mijn vader bezoeken. Dat is toch mooi, met je vader teruggaan naar jouw land. Zodra ik met voetbal ben gestopt, zal dat gebeuren.'

Hij looft de schoonheid van het land ('Het sterkst zijn de herinneringen aan sinasappel- en mangobomen, die kleuren en geuren'), maar spreekt schande van de bureaucratie en corruptie aan de top. 'Het is zo pijnlijk dat ik de verkiezingen ook nauwelijks heb gevolgd, bewust niet.

'Wij zijn in 1973 naar Nederland getrokken omdat mijn vader bang was dat het na de onafhankelijkheid een rotzooi zou worden. Helaas heeft hij gelijk gekregen. Ik heb een afkeer van de Surinaamse politici. Ze deugen niet en maken een domme indruk. Mensen die denken dat ze de wijsheid in pacht hebben en dat zij, in hun eentje, een heel land uit de problemen kunnen helpen, vind ik heel erg dom.'

Als kind trapte Henk Fräser naar alles wat niet bewoog. Zoals zijn tweejarige zoontje Randell nu. 'Die rijdt niet met zijn speelgoedautootjes, maar schopt er tegen.' RFC was Fräsers eerste club en wat later werd het Sparta, aan de andere kant van de Maas. Via FC Utrecht en Roda JC belandde hij dan toch bij Feyenoord, de favoriete club van zijn vader.

Armand Fräser was idolaat van de voetballer Willem van Hanegem en het ontroerde hem toen dat zijn zoon aan De Kromme werd voorgesteld. 'Het klikte tussen die twee zoals het ook klikte tussen Van Hanegem en mij.'

De voorganger van Arie Haan zag in de snelle mandekker met zijn geweldige sprongkracht een aanvallende middenvelder en probeerde Fräser uit als de man pal achter de spitsen. Het was geen succes. 'Ik voelde me hopeloos in die rol. Van het ene op het andere moment speelde ik schaduwspits in een elftal dat niet zo best draaide. Het is me slecht bevallen. Als aanvaller moet je zelf een actie maken, creatief zijn. Een verdediger kan afwachten, reageren op de actie van een ander. Een verdediger die aanvaller wordt, moet een enorme omschakeling maken. Ik kon dat niet.'

Fräser vindt zichzelf een beperkte voetballer, een behoorlijke mandekker, niet veel meer. 'Ook als mens ben ik niet zo bijzonder. Ik ben een beetje kleurloos. Wat dat betreft pas ik goed in deze tijd, de tijd van de grijze massa hè. Ik kijk tegen niemand op, maar voor de generatie van Van Hanegem heb ik heel veel bewondering. Ik bewonder mannen als Wim Jansen, Ronald Spelbos en Wim Rijsbergen omdat ze onverzettelijk en rechtlijnig zijn.'

Kleurloos vonden ze Fräser ook bij het Nederlands elftal. Omdat hij zich zwijgend door de groep bewoog. 'Een spook', noemde Gullit hem. 'Je hoort hem nooit, die Fräser, maar hij duikt overal op.'

De bondscoaches konden hem best gebruiken omdat het immer aanvallende Oranje gebaat was bij rappe, harde mandekkers. Maar Fräser schopte het niet verder dan zes interlands, ook omdat hij zelf niet wilde dat het er meer werden. 'Het Nederlands elftal is gewoon mijn wereld niet. Het is er kil, afstandelijk, zakelijk. Ik voel me er niet op m'n gemak.

'Ik moet close kunnen zijn met mensen. Zoals bij Feyenoord met Van Gobbel en Trustfull. Dat miste ik bij het Nederlands elftal. Ik kon met niemand close zijn. Het is de makke van het Nederlands elftal dat te weinig spelers close met elkaar zijn. Er heerst te veel egoïsme. Als dat er minder was geweest, zouden de laatste twee WK's en het EK in Engeland veel meer hebben opgeleverd.

'Ploegen met minder kwaliteit, maar met spelers die veel voor elkaar over hebben, zijn de afgelopen jaren heel wat succesvoller geweest. Neem het Feyenoord dat drie jaar geleden kampioen werd. We hadden minder kwaliteit dan Ajax en PSV, maar gingen voor elkaar door het vuur.'

Dat bij Ajax de Surinaamse spelers hun kabel hadden, kan Fräser zich voorstellen. 'Maar ik vind niet dat mensen zich alleen om hun kleur verbonden moeten voelen. Het gaat om het gevoel.

'DOOR ONZE cultuur kunnen wij over dingen anders denken dan jongens die hier zijn opgegroeid. Een belangrijk verschil is dat wij ons eerder aangesproken voelen. Wij nemen sneller iets persoonlijk. Nederlanders willen je vaak dollend, lachend iets duidelijk maken. Maar bij ons is het zo dat als je iemand een klootzak noemt het ook als klootzak is bedoeld.

'Tijdens het EK in Engeland is gesuggereerd dat Surinaamse voetballers last hebben van een minderwaardigheidscomplex. Maar dat is echt onzin. Het is eerder andersom. Wij zijn er juist heel sterk van overtuigd dat het Nederlandse voetbal zijn successen van de laatste tien jaar vooral aan de donkere spelers heeft te danken. Ik weet dan ook zeker dat de Surinamers zich op het EK minstens gelijkwaardig aan de Nederlandse jongens hebben gevoeld.

'Maar míj gaat het niet om kleur. Vaak is er een logische band met cultuurgenoten omdat je hetzelfde eten lekker vindt en op dezelfde muziek kickt. Daarom hadden we ook bij Feyenoord een groepje met donkere spelers. Maar daar pasten Van Hanegem en Scholten, mensen die niet star zijn in hun denken, ook goed tussen. Arnold Scholten, je kunt toch wel zeggen dat die blank is.'

Henk Fräser leeft op zijn gevoel, emotie is zijn drijfveer. Veel vaker dan hem lief is, zat hij de afgelopen seizoenen op de tribune. 'Te kijken naar emotie. Vaak dwaalde mijn blik af naar het publiek om mij heen. Dan keek ik naar kinderen, die genoten, en naar volwassenen, die uit hun bol gingen.

'Daar verbaasde ik mij over. Ik dacht wel eens: kijk dan Henk, ze gaan net zo te keer als jij op het veld. Zonder dat ze het in de gaten hebben. Ik vind het prachtig die emotie, ook al zitten er negatieve, enge kanten aan.'

Het is dezelfde emotie die de driftbuien veroorzaakte waarin Fräser zichzelf soms volledig verloor. 'Daar heb ik me wel eens voor geschaamd, maar nooit te lang, want meestal zat er wel iets rechtvaardigs in de acties waarvoor ik werd veroordeeld.

'Spijt heb ik nergens van, wacht even, behalve dan van die keer dat ik me heb laten ompraten en me weer beschikbaar heb gesteld voor het Nederlands elftal.' Het was in het najaar van het seizoen waarin Feyenoord kampioen zou worden. In de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Polen in Rotterdam viel Fräser tegen het einde in en liep hij een knieblesseerde op.

'Ik heb mij toen gek laten maken door Van Hanegem en Wim Jansen, twee mensen die veel invloed op mij hadden. Elke keer als ik daar aan terugdenk, voel ik me belazerd. Want ik had gezegd dat ik nooit meer voor het Nederlands elftal zou spelen.

'Het is de enige keer in mijn leven geweest dat ik op mijn woorden ben teruggekomen. Vreselijk. Het zal ook nooit meer gebeuren.'

Meer over