Griftpark lijkt alleen voor omwonenden

ARCHITECTUUR Er zit een vreemde knik net onder de lamp van iedere kokerlantaarnpaal. Zoals er ook in ieder pad een knik zit, en in iedere heg, en in elke brug....

Het besluit om op deze voormalige locatie van een gasfabriek een park te maken, dateert van 1975. In 1979 begint de aanleg van dit park maar al vlug wordt ontdekt dat de bodem is vervuild. Een eerste afgraving legt dan de werkelijke omvang van de vergiftiging bloot, waarvan sanering volgens de gebruikelijke methoden niet de geraamde 12 miljoen maar 600 miljoen gulden zal kosten. Dat lijkt een onoplosbaar probleem, maar mede door de strijdbare omwonenden wordt net zo lang gezocht naar een oplossing tot, begin jaren negentig, de nieuwe methode voor bodemsanering IBC zijn intree doet: Inpakken, Bedekken en Controleren. De kosten worden zo tot driehonderd miljoen teruggebracht, en samen met die omwonenden wordt opnieuw een park ontworpen, waarin vooral de bewonerswensen het uitgangspunt vormen.

Aan het Griftpark, zo genoemd naar het gekanaliseerde riviertje de Grift dat er dwars doorheen loopt, zijn de goede bedoelingen aan alle kanten af te lezen. Het is een samenraapsel van onderdelen. Zo zijn er ten zuiden van de Grift een manifestatieveld, een skatelandschap en sportterreinen. En ten noorden van het riviertje bevinden zich een woest natuurgebied (twee hectare), een hangplek voor jongeren, een door de bewoners te onderhouden tuingebied, een speeltuin en een vijver. De noord-oosthoek vormt een verhaal apart: hier ligt Grifsteede, een hoogdravende naam voor een door drie gebouwtjes omzoomd rond plein, geheel gericht op voorlichting en educatie. Twee stallen voor dieren en een sierlijk paviljoen met een dak in de vorm van een Ginkgo-blad - naar de enige exotische boom die in het Griftpark komt. Ze vormen één geheel, een schepping van architect René van Zuuk, die weliswaar de spannende dakvorm van het paviljoen niet wist uit te buiten in het interieur, maar wel een riant onderkomen maakte voor voorlichting en onderwijs.

En ook het gif is in de inrichting herkenbaar. Bij voorbeeld in de omloop rond het park die deels is aangelegd op de ruim vijftig meter diepe damwand die de bodemvervuiling op zijn plek moet houden. Vooral ook in de vele niveauverschillen waaronder gifophopingen schuilen. Zo is de hangplek voor jongeren een twintig meter brede, ronde schaal op de top van een 3,5 meter hoge heuvel. Ook de vijver ligt 3,5 meter boven de Grift, waarmee hij via een waterval en een kanaal dat Vaalthaven heet, en vervolgens een pomp, een gesloten circuit vormt - strikt gescheiden van het vieze grondwater. De 'woeste' natuur is een eiland dat precies tussen deze drie waterpartijen in ligt, en ook onder diens grillige heuvels ligt goed ingepakte troep.

Zodoende is het Griftpark inderdaad een bijzonder geheel geworden. De bewoners van de omliggende wijken mogen trots en tevreden zijn. Terwijl de ontwerpers zich er op kunnen beroemen dat ze aansluiten bij de huidige mode van de landschapsarchitectuur. Die schrijft immers voor dat ieder onderdeel van een park tegenwoordig een autonome vorm heeft. En bovendien dat de eenheid niet zozeer door één harmonische vorm wordt bewerkstelligd, maar door op een aantal verschillende niveaus dezelfde herkenningspunten in te bouwen, zoals knikken in zeer verschillende onderdelen. Zelfs in paden en hekken en lantaarns, hoe onpraktisch dat ook is.

Een tijdje over de nog kale weiden van het Griftpark lopen, roept dan ook een vraag op. Had Utrecht het gebruik van die kostelijke 12 hectare peperdure stadsgrond niet beter door wat minder tijdsgebonden factoren kunnen laten bepalen?

Hier had ook een Vondelpark kunnen liggen, een trekpleister voor de hele stad. Een Central Park, een Museumplein: Utrecht, centrale stad van Nederland, had vlak bij het centrum een groene oase met internationale allure kunnen krijgen.

Het Griftpark moest boze wijkbewoners tevreden stellen. Begrijpelijk en terecht, maar dat getob heeft het zicht op verdere mogelijkheden wel ontnomen. Dat komt nog het meest tot uitdrukking in het ontbreken van mooie, trotse entrees.

In een tijdloos vormgegeven park kan elke leeftijdsgroep zijn eigen hangplek vinden, telkens elders en vaak door elkaar. Daar worden de skaters niet naar een uithoek verbannen, maar krijgen ze op een mooie plek een halfpipe. Er is daar ook wel plaats voor een opvoedkundig hoekje, maar dat wordt dan niet als belangrijkst onderdeel gepresenteerd, en zeker niet, zoals in Utrecht, aan het eind van de centrale boulevard gezet waar het ook nog eens van de rest van het park kan worden afgescheiden door een veredeld Heras-hekwek.

In zo'n park worden happenings niet verbannen naar een achteraf gelegen manifestatieveld, maar vanzelf opgeroepen door, bijvoorbeeld, een muziektent.

Zo'n park had Utrecht kunnen krijgen. Het komt wellicht ooit nog goed met het Griftpark wanneer er eeuwenoude bomen staan. Al kun je nu al één ding voorspellen: de huidige inrichting overleeft dat niet.

Meer over