Grensverleggend vonnis over euthanasie terecht aangevochten

De officier van justitie gaat terecht in beroep tegen het vonnis in de zaak-Brongersma, vindt Tom Schalken. Door de doodswens los te koppelen van medische criteria, overschrijdt de Haarlemse rechtbank een grens....

HET Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarbij de huisarts van oud-senator Brongersma (die leed aan het leven) vanwege de verleende hulp bij zelfdoding van rechtsvervolging werd ontslagen. Volgens het commentaar in de Volkskrant van 1 november is van het hoger beroep weinig nut te verwachten. Het vonnis loopt immers vooruit op het in behandeling zijnde wetsontwerp inzake euthanasie, terwijl het niets nieuws toevoegt aan de rechtspraak van de Hoge Raad.

Maar is dat wel zo? Het belang van de in het geding zijnde rechtsvraag - welk lijden rechtvaardigt straffeloosheid van de arts? - maakt het in elk geval wenselijk dat straks ook de Hoge Raad zich daarover uitlaat.

Het was de Hoge Raad die in het Chabot-arrest uit 1994 de rechter opriep om bij de beoordeling van geestelijk lijden 'uitzonderlijk grote behoedzaamheid' te betrachten. Bij dat type lijden is de ernst en de uitzichtloosheid immers moeilijker (dan bij lichamelijk lijden) objectief vast te stellen. Kan nu van de Haarlemse rechtbank worden gezegd dat zij de vereiste behoedzaamheid in acht heeft genomen? Dat lijkt niet het geval.

De rechtbank stelt voorop dat er van een somatische oorzaak of van een stervensfase geen sprake was. Afgezien van fysieke ongemakken, leed Brongersma vooral in sociaal en psychisch opzicht (vanwege zijn eenzaamheid en de door hem beleefde zinloosheid van zijn bestaan). Twee huisartsen stelden 'invoelbaar' vast dat dit lijden voor hem ondraaglijk was. De geraadpleegde ethica was ook van mening dat hier van ondraaglijk lijden kon worden gesproken. Twee medische deskundigen meenden dat behandeling zinloos zou zijn geweest.

Wat doet nu de rechtbank? Zij redeneert: in de medische ethiek bestaat geen consensus over beantwoording van de vraag hoe de ondraaglijkheid van het lijden moet worden gedefinieerd. Vanwege het ontbreken van objectieve meetmethoden kent de rechtbank vervolgens doorslaggevende betekenis toe aan de subjectieve beleving van degene die naar de dood verlangt. Door die subjectieve doodswens buiten een aantoonbare medische context te plaatsen, neemt de rechtbank het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt impliciet tot beslissend uitgangspunt. Terwijl de Hoge Raad het zelfbeschikkingsrecht steeds uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen.

Dat de rechtbank bij het accepteren van de ondraaglijkheid van het lijden met het persoonlijke doodsverlangen rekening heeft gehouden, is op zichzelf niet onjuist. Ook de Hoge Raad kende, door het lijden van zijn oorzaak te abstraheren, gewicht toe aan de mate waarin het lijden subjectief wordt ervaren. Mede op basis van die beleving wordt de vrijwillige keuze gevormd om het leven als beëindigd te beschouwen. In die erkenning van een zekere aan de persoon toekomende autonomie liggen aspecten van zelfbeschikking opgesloten.

Toch neemt die erkenning niet het karakter van een zelfbeschikkingsrecht aan. Dat hangt hiermee samen dat de persoonlijke autonomie van de patiënt op gespannen voet kan komen te staan met de professionele autonomie van de arts. Het gezegde 'U vraagt, wij draaien', gaat in kwesties van levensbeëindiging niet op. De Hoge Raad heeft dit, behalve in een zorgvuldige procedure, ook tot uitdrukking gebracht in de wijze waarop de criteria van ondraaglijkheid en uitzichtloosheid inhoud moeten worden gegeven.

Hoewel bij de vaststelling van de ondraaglijkheid de subjectieve beleving meetelt, verwijst de Hoge Raad bij de beoordeling van beide sterk met elkaar samenhangende criteria steevast naar het objectief medisch inzicht: de arts gaat pas vrijuit als hij gehandeld heeft naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en naar in de medische ethiek geldende normen. Als over die normen verdeeldheid bestaat, kunnen daaraan bezwaarlijk argumenten voor een grensverleggend standpunt worden ontleend. De Haarlemse zaak toont aan dat de ethiek gemakkelijk als grabbelton voor persoonlijke voorkeuren dienst kan doen.

Wanneer de criteria van ondraaglijkheid en uitzichtloosheid buiten het medische domein worden getrokken, dan verliezen zij hun normatieve betekenis, als onderscheid tussen wat het strafrecht al of niet toestaat. In dat geval immers leveren de criteria van de Hoge Raad bijna altijd een excuus op om straffeloos aan de uitvoering van een suicidewens mee te werken. Want sinds wanneer is ouderdom wel behandelbaar? Is het aardse leven niet per definitie uitzichtloos in de zin van eindig? En hoe zou een op hoge leeftijd als volstrekt zinloos ervaren leven nog perspectief op verbetering kunnen bieden? Is de vrees niet menswaardig te kunnen sterven in de meeste gevallen niet ondraaglijk?

Dit alles neemt niet weg dat afnemende kwaliteit van leven ernstig lijden kan veroorzaken. Of een dergelijk lijden voor de arts een verschoonbare grond oplevert om bij zelfdoding behulpzaam te zijn, lijkt steeds meer een kwestie van medische classificatie te worden: in welke ziektecategorie kan het lijden worden ingedeeld? De maatschappelijke en medisch-ethische opvattingen daarover kunnen wijzigen. Tenslotte zal de tussenkomst van de arts altijd nodig blijken, niet alleen omdat hij over de sleutel van de medicijnkast beschikt, maar ook omdat hij vanuit zijn medische expertise de behandelbaarheid van het lijden kan beoordelen.

De discussie moet nog gevoerd worden of de arts, als het lijden op hoge leeftijd medisch onbehandelbaar blijkt, de medicijnkast steeds gesloten moet houden.

Het Haarlemse vonnis past in die discussie. Maar of dat vonnis ook in de rechtspraak van de Hoge Raad past, is zeer de vraag. In zijn arresten heeft de Hoge Raad steeds aan de medische indicatie vastgehouden. In de Chabot-zaak ging de Hoge Raad uit van een geestelijk lijden dat uit een psychiatrische aandoening voortvloeide. Ook de vergaande ontluistering in de Schoonheim-zaak (1984) werd door de Hoge Raad in verband gebracht met de fysieke aftakeling van een hoogbejaarde vrouw en dus met de medische setting van het lijden.

In zijn toelichting op het wetsontwerp inzake euthanasie verwijst het kabinet naar de uitspraak in de Schoonheim-zaak. Die verwijzing rechtvaardigt nog niet de conclusie dat euthanasie of hulp bij zelfdoding op grond van de toekomstige wetgeving ook in geval van duurzame levensmoeheid of voortgaande aftakeling zonder meer zouden zijn toegestaan. Wat individueel invoelbaar is, is maatschappelijk nog niet verantwoord.

Meer over