Grafschrift voor Bolkestein

'Alle Zielen, luistert', begint het ons toegezonden gedicht van J.-F. Kahn uit Delft. 'Ik spreek een taale aan al dat niet meer leeft,/ ik reize tot U in 't diepste duister/ en taal en teeken in mij beeft'....

Want, goeie hemel, wat hebben er veel zielen naar ons geluisterd,- maar, wat meer is, zij antwoordden ons net als J.-F. Kahn in een taal waarvan je toch zou aannemen dat ze 'niet meer leeft'. Of niets minder waar is, weten we niet, maar die aanname is aantoonbaar onjuist.

De beheersing van een vervlogen soort Nederlands neemt soms verontrustende vormen aan. Bep Hagen uit Amersfoort, bijvoorbeeld, stuurde niet alleen een gedicht in Gezelles stijl in, maar vatte zelfs het afsluitend commentaar van haar brief in diens idioom: ''t Geviel niet licht/ Gezelle's dicht/ voor u te parodiëren,/ ach, of ik faal/ in 't spel der taal,/ 'k en blijve 't stug proberen'.

Het is dat vermogen om schijnbaar moeiteloos in de stijl van een ander te kruipen die ons al zo dikwijls opviel in de inzendingen van Jaap van den Born uit Nijmegen. Ook deze keer is hij weer van de partij - en ook nu vermelden wij hem weer met ere. Om strofen als: 'Hoe fliederevladdert/ op zoek naar zichelve/ het eenzame zielke/ door 's Hemels Gewelve'. Of, iets verderop in zijn lange gedicht: '''Ik zoek'', sprak het zielke,/ ''in licht en in schaûw/ Blavatsky en Krishna/ alnevens god Lou'. Of, ten slotte, om: ''k Las geeren Sheldrake/ en was fier epigoon/ van Hubbard, Adamski;/ ja zelfs van Piet Vroon'.

Geïnspireerd was ook Wilfrid Speekenbrink uit Groningen, zij het dat hij zijn heil zocht bij de Trol van Tiel. 'Er vloeit een droefheid in mijn herte', schrijft hij, 'maar Zij te Tiel zal troost gaan geven'. Dat weten wij nog zo net niet, maar de regels mogen er zijn. Walter Wego uit Leiden hield het eenvoudiger, en schreef in zijn 'Zielsverhuizing' over de terugkomst met een nieuw uiterlijk. 'Als weêrkeer met nen nieuwen jas/ believe 't mij o geren/ een piepkleen vogelken te zijn/ licht wiekend op mijn veren'. Als hij ten slotte bij het vagevuur terechtkomt blijken die niet meer zo nodig: ''k en warm mij aan het vage vuur/ voor 'k draag alsdan geen kleeren'. Speekenbrink en Wego vermelden wij hier daarom met ere.

Mooi waren, ten slotte, eveneens de inzendingen van Ton van Zeijst uit Groningen en van de heer of mevrouw J.H.A.M. Goudberg uit Alkmaar. 'O wriemelend rusteloos mensenkind/ daar komt g'aan den hemelpoort aan', schrijft Goudberg, en in een tweede gedicht 'moet zij stilkens wachten/ tot het tij zich keert/ eer op eigen krachten/ zij reïncarneert'. Van Zeijst schreef een sonnet, dat begint met het 'gefluister van uw zwijgend woord/ in alles waar mijn voeten treden,/ in alles klinkt uw rein accoord/ sinds gij uw leven hebt verleden'.

Maar uit al dat moois vonden we de inzending van David van Reybrouck uit Leiden de beste - al had die, gezien zijn naam, dan misschien ook een streepje voor. Zijn 'Den Dood' is een fraaie Gezelle-verwerking, die een grote competentie demonstreert. Naar hem gaan onze gelukwensen en de boekenbon, en zijn gedicht staat hiernaast afgedrukt.

Den Dood Gij komt me seffens ruglings tikken; Zwijgt! zegt niet! - 'k en weet het wel. Gij fluistert kalm: 'ge moet niet schrikken.' En toch beef ik van stem en vel.

Gij komt me halen, dat is zeker, En voert me mee op uwen kar Die stuikt en stoot en al maar bleeker Wordt den kleur van mijnen dag.

Zooals wij daar tesaâm trekken Langs huis en kerk en stal en schuur Het dorp heeft mij nog zien vertrekken... Maar, ach, 't zwijgt stil alop dit uur!

Een leeven lang heb ik gewroet In boekweit en in sterrenstelsels; Gezocht heb ik naar hoe het moet En nu stremt gij al mijn vertelsels.

''t En deert niet wat ge doet of deedt Des avonds en in boeken, Of ge melk met grauw brood eet - Ik kom u allen zoeken'

Traagzaam tsjokken wij verder voort, Zijn lonken is een boud bevel; Hij heeft ons voorvaadren vermoord En daarom beef ik - met stem en vel! David van Reybrouck

We raken in deze rubriek een beetje door onze meest karakteristieke dichters heen, maar er is er ten minste een die we nog niet gehad hebben en wiens rijmen ogenblikkelijk herkend worden. 'Hier ligt Poot/ hij is dood': iedereen kent het, en iedereen kent bij enig piekeren nog wel meer van die gedichten van de Schoolmeester, Gerrit van der Linde (1808-1858). Zeker zijn grafschriften hebben stand gehouden.

Wij vragen u daarom voor de volgende keer een grafschrift te maken, in de markante stijl van de Schoolmeester - en wel eentje op mr drs Frits Bolkestein, leider der liberalen. Uw inzendingen kunt u richten aan De Volkskrant Onder Invloed, Redactie Vervolg, Postbus 1002, 1000 BA Amsterdam. Uw inzendingen dienen voor 11 november bij ons binnen te zijn, zodat wij in Vervolg van 25 november de winnaar bekend kunnen maken. Die krijgt een boekenbon van honderd gulden en zijn tekst wordt in deze rubriek gepubliceerd.

Meer over