Grafbezoek

Bloemen brengen naar niemand. Zo noemt Cees Nooteboom het bezoeken van een schrijversgraf. Irrationeel, maar onweerstaanbaar. ‘We willen door de doden opgemerkt worden’, schrijft hij in Tumba’s (2007), we willen dat ze weten dat we hen nog lezen, ‘omdat ze nog steeds tegen ons praten.’..

Daarom is een grafsteen zo goed. Voor een herdenking moet je daar naartoe, die steen met de bekende naam en de jaartallen erop gebeiteld, eventueel met een citaat. In de afgelopen zomer stond ik in het Zwitserse Dornach nog voor de steen met de urn van Christian Morgenstern, de in 1914 gestorven dichter van de Galgenlieder, met regels als ‘Ein Knie geht einsam durch die Welt’ en ‘Een halve eetl. en een theel./ vlogen elkander naar de keel.’ Ik heb hem in gedachten gegroet.

Toch goed dat er een steen is. Dat zal Aad Meinderts vorig jaar ook vaak hebben gedacht, toen hij in dertig dagen tijd, gewapend met honderd witte rozen, de graven bezocht van de auteurs die deel uitmaken van het Pantheon, de nieuwe permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum in Den Haag. Het verslag van zijn reis is te zien op honderd filmpjes (www.literaireroadtrip.nl), tevens in het museum waarvan hij directeur is, en nu ook in boekvorm: Een literaire roadtrip (Bas Lubberhuizen; euro 24,95).

Daar kun je het zien, op de foto’s van Jessica Swinkels: lang niet alle schrijvers hebben een graf. Op de plek aan het Rokin waar Bredero is bijgezet, is nu horrorpretpark Amsterdam Dungeon gevestigd. Daarom heeft Meinderts zijn roos maar bij het Bredero-standbeeld op de Nieuwmarkt gelegd.

Moeilijker werd het bij de schrijvers wier as over zee is uitgestrooid. Voor Hugo Claus, Cola Debrot, Leopold, Ida Gerhardt en H. Marsman moest Meinderts dus een roos in de Noordzee gooien.

Maar dan stelt het eerbetoon niet veel meer voor. En die rozen blijven daar niet drijven. Schrijvers zouden per definitie moeten worden begraven, of anders maken we een standbeeld van hen, met een tekst. Er moet iets te lezen overblijven – voor ons.

Meer over