Gouden handdruk is meer dan een bedrijfsongeval

IS ER bij justitie sprake van kwaliteitsmanagement? Neen, schreef Wout Buitelaar vrijdag op deze pagina. Die indruk wordt inderdaad bevestigd door het geklungel rond de gouden handdruk van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck....

Dit is vooral zo kwalijk omdat bij justitie, zowel op het departement als bij het Openbaar Ministerie, grote reorganisaties aan de gang zijn die veel overhoop halen. Maar die steevast worden verdedigd met het argument dat het allemaal nodig is om het 'kwaliteitsmanagement' te verbeteren. Zou de conclusie dan moeten zijn dat zij die leiding geven aan het veranderingsproces, zelf geen kwaliteit hebben?

Het antwoord op die vraag is van algemeen belang. Het gaat al lang niet meer om een incident. Wanneer ministers over een IRT-affaire struikelen of, zoals vorige week, bijna struikelen, is er meer aan de hand dan een verkeerd begrepen telefoontje. Natuurlijk, ministers zijn altijd verantwoordelijk, ook voor wat hun ambtenaren hebben gedaan of niet gedaan. Maar als blijkt dat er in ambtelijke zin iets structureel fout zit, mag ook de politiek zich niet meer afzijdig houden.

Want hoe kan het gebeuren dat een departement dat zich er altijd op beriep dat het de beste juristen in huis heeft, volledig miskleunt bij de beoordeling van zowel het juridische als het politieke draagvlak van de omstreden afkoopsom? En hoe kan het in 's hemelsnaam gebeuren dat een departement dat jaarlijks miljoenen aan de landsadvocaat betaalt, 'vergeet' hem uitgerekend in deze kwestie om advies te vragen?

De effectiviteit van de rechtshandhaving - zeg maar het belang dat burgers zich netjes aan de normen houden - is volledig gebaseerd op de geloofwaardigheid van het systeem.

Die geloofwaardigheid hangt mede af van de wijze waarop de overheid zelf de norm naleeft. Voorvallen die zichtbaar maken dat de overheid zich stelt boven datgene wat voor iedereen geldt kunnen niet als incidenten worden afgedaan. Zij hebben door hun verwoestende werking fundamentele betekenis.

Anders gezegd: een systeem dat zijn eigen geloofwaardigheid op het spel zet door afnemend gezag met miljoenen te belonen, verspeelt moreel het recht om een bijklussende bijstandsmoeder voor de rechter te slepen. Het is dus heel rationeel om zuinig te zijn op de symboolfunctie van het strafrecht.

Dat is precies wat justitie nooit goed heeft begrepen. Jarenlang wordt het apparaat geteisterd door een nieuwe bedrijfscultuur waarin kwantiteit belangrijker is dan kwaliteit. In zo'n cultuur zijn bijvoorbeeld 'vormfouten' niet meer dan produktiefouten die slechts een fractie vormen van de fantastische hoeveelheid strafzaken die de bedrijfsketen wel efficiënt heeft verwerkt. Terwijl volledig over het hoofd wordt gezien dat juist die 'bedrijfsongelukken' vitale schade aan de organisatie toebrengen.

Daarom zou het beleid van justitie veel meer moeten zijn gericht op het voorkomen van dit soort incidenten. Dat geldt in de eerste plaats voor diegenen die justitie naar buiten toe vertegenwoordigen en dus een voorbeeldfunctie vervullen.

Waarom zouden zij buiten de doelstellingen vallen van wat zij hun ondergeschikten steeds voor ogen houden? Valt er één reden te bedenken waarom uitgerekend zij buiten schot moeten blijven?

Dus wordt nog een andere reden zichtbaar waarom de gouden handdruk in haar uitwerking zo funest is. Wat moest er worden afgekocht? Dat onthuld zou worden dat het disfunctioneren van Van Randwijck wellicht ook met het disfunctioneren van anderen samenhing? Want wie had het eigenlijk zo ver laten komen? Was dat niet hetzelfde departement dat Van Randwijck had benoemd op die hoge en lastige post in Amsterdam?

Het is een ernstige fout wanneer het departement, dat ook nog eens sturing wil geven aan de reorganisatie van het Openbaar Ministerie, in de leiding een cultuur in stand houdt die het voor anderen verwerpt: niet daadkrachtig doen wat er gedaan moet worden en vervolgens de ogen sluiten in de hoop dat niemand er achter komt. In een cultuur waar persoonlijke verhoudingen nog steeds de doorslag geven, vindt geen zakelijk overleg plaats en wordt slecht gecommuniceerd. Was dat hier ook het geval?

Het was niet bemoedigend te constateren dat ook de Tweede Kamer terugschrok voor een zakelijke aanpak. Het politieke debat over de gouden handdruk werd op padvinderachtige manier verscheurd door het dilemma tussen de (terechte) sympathie voor de persoon van de minister en het (terecht) onsympathieke van haar beslissing.

Maar, en daar kan geen misverstand over bestaan, het behoort ook tot de harde politieke werkelijkheid dat een minister verantwoordelijk is voor de ambtenaren op wie hij of zij direct steunt.

Het betalen van afkoop-miljoenen aan een hoge ambtenaar is schadelijker voor de rechtshandhaving dan het accepteren van het feit dat een lage CID-rechercheur, overigens in het algemeen belang, voor miljoenen aan drugs heeft doorgelaten. Houdt de commissie-Van Traa zich nog wel met het juiste onderwerp bezig?

T. M. Schalken

De auteur is hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Meer over