Golfoorlog, deel 3: nu doet Bin Laden mee

De Irakoorlog is mede gevoerd in het kader van de oorlog tegen terreur. De gevaren Irak en Al Qa'ida liepen lang gelijk op, maar hun samenhang veroorzaakte verwarring....

In de fascinerende hoorzittingen in Washington wordt zonneklaar hoezeer twee verhalen de afgelopen vijftien jaar door elkaar hebben gespeeld: dat over Irak en dat over Al Qa'ida. Ze verliepen gelijktijdig en beïnvloedden elkaar, maar hoe dit precies ging, heeft vooral grote verwarring veroorzaakt. Het begin is echter duidelijk te markeren: de eerste Golfoorlog (1990-'91).

Voor Bin Laden was die Golfoorlog niet afgelopen met de bevrijding van Koeweit. Integendeel: voor hem begon de strijd toen pas echt. Zijn organisatie Al Qa'ida had net de moslimstrijders in Afghanistan geholpen aan de overwinning op de wereldmacht de Sovjet-Unie. Nu was de enig overgebleven wereldmacht aan de beurt: de ongelovige Verenigde Staten. Tijdens de Golfoorlog hadden die (net als de Russen in Afghanistan) zich op het grondgebied van de moslims begeven, nog wel het heilige land Saudi-Arabië, tevens Bin Ladens vaderland.

De komst van Amerikaanse soldaten had Bin Laden in conflict gebracht met het huis van Saud, waarmee zijn familie bevriend was. Tijdens de oorlog in Afghanistan had Bin Laden zonder scrupules Amerikaanse hulp benut, maar dit was in zijn ogen iets anders. De Saudi's leverden zich over aan de Amerikanen.

Bin Laden had de regering zijn werkloos geworden strijders aangeboden in een oorlog tegen het Irak van Saddam Hussein, maar het koningshuis had de VS boven hem verkozen. Bin Laden moest niets hebben van Saddam Hussein; dit is een van de kwesties die in het Westen later voor verwarring hebben gezorgd. Voor Bin Laden was Saddam het toonbeeld van de dictatoriale, niet-religieuze, moreel gecorrumpeerde leiders van wie hij de islamitische wereld wilde verlossen. Hij had tegen Saddams kwaad gewaarschuwd in talloze toespraken, die op cassettebandjes overal in Saudi-Arabië te koop waren.

Bin Ladens verwijten tegen het de Sauds werden zo hevig dat arrestatie dreigde. Voor het zover was, week hij uit naar Sudan, en later naar Afghanistan. Daar bouwde hij Al Qa'ida om van anti-sovjetstrijders tot een islamistische terreurbeweging om het heilige land te bevrijden. Om de marionetten ten val te brengen, moesten de strijders zich op de poppenspeler (de VS) richten.

Nu het tweede verhaal: Irak. Saddam Hussein was snel verslagen maar niet verdreven. Colin Powell, indertijd de hoogste man van het Amerikaanse leger, verdedigde in zijn autobiografie het besluit om niet door te stoten naar Bagdad. Het doel was bereikt: de bezetting van Koeweit door Irak was ongedaan gemaakt en Saddam zou na zijn nederlaag lange tijd geen gevaar meer vormen. Dus: geen dreiging van concentratie van olievoorraden in de handen van een gevaarlijke dictator, geen dreiging van het bouwen van massavernietigingswapens door die onbetrouwbare figuur, geen bedreiging door Irak van de buurlanden.

Dat beleid van president Bush sr werd voortgezet door Clinton. Irak werd klein gehouden door middel van sancties, VN-inspecties, no-fly zones en af en toe bombardementen. Na de val van Saddam Hussein is gebleken dat dit beleid redelijk succesvol was: er zijn geen massavernietigingswapens gevonden en het bewind bleek een lege huls.

Maar in het tijdperk-Clinton nam de ongerustheid snel toe, vooral in die kring van Republikeinen die nu aan de macht zijn. Vermoedens dat Saddam in het geheim aan een kernbom werkte, dat hij voortijdig leek te herrijzen, werden een bron van grote zorg. Politici als Wolfowitz pleitten in artikelen en tijdens zittingen van parlementaire commissies onvermoeibaar voor een harder optreden tegen Irak. Tevergeefs.

Nu blijkt tijdens de verhoren hoezeer zij eenmaal terug aan de macht onder Bush jr erop gebrand waren de dreiging van Irak als kernmacht weg te nemen. De bewering van de oud-terreurbestrijder van de CIA Clarke dat de regering-Bush de dreiging van Al Qa'ida nauwelijks serieus nam, is tot nu toe niet ontzenuwd. CIA-chef Tenet erkende met bedekte woorden dat Irak in ieder geval véél belangrijker werd geacht.

Toen kwam 11 september 2001. Al Qa'ida was terug op nummer 1.

Meteen zochten Bush en Rumsfeld (Defensie) naar een verband met Irak. Clarke zei dat die er niet was, maar daar wilden zijn superieuren niet van horen. Echter, in de aanloop tot de tweede Golfoorlog van precies een jaar geleden, sneuvelde het argument dat zeer sterk zou zijn geweest: Saddam helpt Bin Laden, misschien wel aan een kernbom.

Er zijn maar enkele onderzoekers die reppen over mogelijke contacten voorheen tussen Bin Laden en Saddam Hussein. Er is geen bewijs dat die er waren en Tenet verklaarde dat ook de CIA die niet had.

De discussie gaat nu over de vraag: hebben de regeringen Clinton en Bush het gevaar van Al Qa'ida onderschat? Clintons oud-veiligheidsadviseur Berger zei tegen de onderzoekscommissie dat hij zijn opvolgster Rice in alle toonaarden van het dringende probleem had proberen te overtuigen. Voor de regering Clinton vormde Al Qa'ida het grootste gevaar, en wel onmiddellijk.

Hoe komt het dat dat er in Clintons acht jaar aan het bewind zo weinig tegen Bin Ladens netwerk is ondernomen? Het was toch de tijd van aanslagen door groepen die al vrij snel in verband met Al Qa'ida werden gebracht? Clinton reageerde zoals tegen Irak: met kruisraketten. Na de bloedige aanslagen bij de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar es Salaam van 1998 bestookte hij een ten onrechte verdacht fabriekje in Sudan en met meer succes trainingskampen van Al Qa'ida in Afghanistan. Daar bleef het bij.

De aanslagen waren ver weg en de honderden doden in Afrika waren geen Amerikanen maar Afrikanen. Er leek geen reden voor drastischer maatregelen dan die ter 'beheersing' van het probleem.

Maar 11/9 overtrof elke angstige verwachting. De regering-Bush deed nu wat Clinton al in 1998 had moeten doen volgens Clarke: Afghanistan, de door de Taliban beveiligde basis van Al Qa'ida werd aangepakt. De Taliban werden verdreven, een klopjacht op Al Qa'ida werd ingezet. Maar die is nog steeds niet afgemaakt. Clarke wijt dit aan de afleiding van de Irakoorlog. Zo raken de twee verhalen alsnog verweven.

Met de verdrijving van Saddam door de Amerikaanse en Britse invasielegers begon het derde deel van de Golfoorlog. De bevrijding pakte anders uit dan gedacht. Er brak verzet uit. Niet alleen door Saddams van tevoren georganiseerde knokploegen (fedayien), maar ook door groepen die zich verwant voelen met Al Qa'ida. Het is de ironie van het lot dat Al Qa'idastrijders vlak na de Amerikanen Irak binnentrokken en een nieuwe oorlog aangingen, een terreuroorlog.

Zo voert Bin Laden, die in vijftien jaar zijn netwerk over de wereld heeft gespannen, alsnog oorlog in Irak. Zijn ene vijand, Saddam, is al verslagen door zijn andere, de VS. Sau

Meer over