Goed is wat goed verkoopt

Het literaire-prijzengedoe wordt elk jaar meer een vertoning. Nominaties waren er om het debat te stimuleren, maar van enige discussie is helemaal geen sprake....

door Arjan Peters

TOEN JEROEN Brouwers op 24 maart in Brussel de Gouden Uil werd toegekend voor zijn indrukwekkende roman Geheime kamers, sprak hij een opmerkelijk dankwoord uit. Natuurlijk was hij verguld, maar tegelijk deelde hij mee in het vervolg niet langer te willen opdraven om in het gezelschap van mede-genomineerden en in het zicht van televisie-camera's te moeten zitten wachten op het verlossende moment.

Die wedstrijd is door anderen bedacht, en het is derhalve voor de bekroonde nogal pijnlijk je collega's tot verliezers gedegradeerd te zien. Een dergelijke prijs, met een vooraf openbaar gemaakte longlist, een daaropvolgende shortlist en de finale met banket en pers, is een uitwas van het commerciële circus dat in de loop van vijftien jaar ook de Nederlandstalige letteren in de greep heeft gekregen. Vindt Brouwers.

Het is mogelijk deze visie vanuit een ander standpunt te attaqueren. Immers, de boekhandelketens en banken die de prestigieuze prijzen hebben ingesteld, dragen er altijd zorg voor dat de jury's onafhankelijk te werk gaan. Het circus garandeert publiciteit voor boeken die de keurmeesters uit het aanbod hebben geplukt. De longlist en de shortlist bewerkstelligen dat die aandacht ook gaat naar boeken die uiteindelijk niet de ton wegslepen, maar wel het aanzien van de literatuur kleuren. Zo'n tussenbalans kan een reden zijn voor het openen van een gesprek over de kwaliteit van literatuur. De glamour van zo'n televisie-uitzending, waarin het vanzelfsprekend alleen nog draait om het opvoeren van de spanning, uitmondend in de bevrijdende climax van het bekendmaken van 'de winnaar', is een bijkomstigheid die de auteurs zich met hun presentie moeten laten welgevallen.

Maar het belang van de tussenbalans kan met reden worden betwist, als er in de weken voorafgaand aan de slotavond nauwelijks of geen sprake is geweest van enige discussie. 'Ik ben genomineerd voor een literaire prijs', berichtte Arnon Grunberg vorig najaar vanuit zijn woonplaats New York, 'maar ik had net zo goed genomineerd kunnen zijn voor bloemsierkunst.' Daarom besloot Grunberg toen niet naar Amsterdam te komen om in een televisie-uitzending te vernemen dat hij de AKO-literatuurprijs had gewonnen voor zijn roman Fantoompijn. Een schrijver kiest niet voor zijn specifieke professie om zich ergens op afroep te vertonen. Misschien kiest een schrijver wel juist voor het tegendeel: voor de afzondering die voorwaarde is om te kunnen scheppen.

Grunberg en Brouwers leggen de vinger op een zere plek: als de aandacht voornamelijk naar de winnaar gaat, en niet naar de motieven van de jury, en als een schrijver die per ongeluk een goed boek heeft geschreven tegenwoordig driemaal per jaar langdurig uit zijn ritme kan worden gehaald (door genomineerd te worden voor de Gouden Uil, voor de AKO- en voor de Libris Literatuur Prijs), dan heeft die schrijver alle recht zijn persoon buiten de schijnwerpers te houden. Dáár heeft hij toch niet om gevraagd, toen hij zijn uitgever toestemming gaf zijn boek voor zo'n prijs in te zenden?

Op 2 april greep Paul Kleyngeld, de voorzitter van het bestuur van de Libris Prijs, voorafgaand aan de 'nominatiepersconferentie' van dit jaar de gelegenheid aan, te reageren op Brouwers' suggestie dat 'handjeklap achter de schermen' niet ondenkbaar was. Bij de Libris komt zoiets niet voor, verzekerde Kleyngeld. 'Het gaat ons om de literatuur en de schrijvers en niet om hand- en spandiensten aan de commercie. Dat een en ander veel positieve publiciteit oplevert voor de literatuur staat daar niet haaks op.'

Maar waar is die positieve publiciteit dan? Ik heb in de tijd tussen 2 april en vandaag slechts advertenties gezien van de uitverkoren uitgevers Meulenhoff (één boek) en Querido (vijf boeken). De jury heeft haar keuze openbaar gemaakt: Boy van J. Bernlef, Mijn tweede huid van Erwin Mortier, Een man een man van Wanda Reisel, Franklin van Tomas Lieske, Het gemaal van Frank Noë en De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne van Toon Tellegen.

Plons. Punt. Stilte.

'Boeken met een heel verschillend karakter', vond de jury (bestaande uit Aukje Holtrop, Willem van Toorn, Marjoleine de Vos, Georges Wildemeersch en voorzitter Winnie Sorgdrager) zelf. Maar er is nog niemand opgestaan die geen genoegen wilde nemen met de keuze, gebaseerd 'op inhoudelijke kwaliteit en op niets anders', zoals het rapport apodictisch stelt.

Terwijl daar het probleem ligt. Want wat wordt onder inhoudelijke kwaliteit verstaan? In de huidige boekenwereld is het absoluut noodzakelijk geworden je eigen beoordelingscriteria krachtig te expliciteren. Je komt niet weg met het air van 'wij hebben er voor doorgeleerd, dus als wij beweren dat deze zes boeken een grote inhoudelijke kwaliteit bezitten, dan moet u dat aannemen'.

In haar snedige, vinnige en geestrijke essaybundel Verboden te lezen! poneert Dubravka Ugresic dat 'de markt gesloten artistieke instituties, academies en faculteiten van hun voetstuk stoot' en 'ouderwetse artistieke beoordelaars, ''hoeders van de goede smaak'' en de theoretici van beeldende kunst en literatuur aan de kant zet, de normen van strenge en veeleisende critici met de wind doet verwaaien, en over de heersende, esthetisch bepaalde hiërarchie van waarden heen walst en zijn eigen esthetische criteria opstelt. Wat wordt verkocht is goed, wat niet verkocht wordt, slecht'. De plaats van de literatuur wordt meer en meer ingenomen door een product: boeken.

Vooralsnog heeft het er de schijn van dat critici en jury's zich onvoldoende bewust zijn van de dreiging dat hun kwaliteitsopvatting niet langer doorzichtig is, omdat de toptien van de handel en de hypes van uitgevers die er bovengenoemde redenering op nahouden - goed is wat goed verkoopt - het publiek directer aanspreken. Niks discussie of analyse: loopt het product of niet? Zo ja, dan zetten we daar de televisiecamera's op.

Het begrip kwaliteit is problematisch geworden, reden waarom critici en jury's ofwel zich moeten terugtrekken in het isolement waar ze ongestoord hun voorkeuren kunnen belijden, ofwel luid en duidelijk kenbaar moeten maken dat een boek met een oplage van driehonderd exemplaren heel wel een meesterwerk kan zijn. Bijvoorbeeld onder de verwijzing naar die talloze klassiekers en gecanoniseerde werken, die soms lange tijd nodig hebben gehad de erkenning te krijgen die ze verdienen. Onder verwijzing naar de traditie, de geschiedenis, en meer van die impopulaire grootheden die met verkoopcijfers niets van doen hebben.

D

IE FERME tegenzet is eens zo nodig, wanneer de onduidelijkheid over wat literaire kwaliteit mag heten, op heden kan leiden tot een essay als 'Ons aller wantrouwen' (NRC Handelsblad, 20 april), de tekst van een lezing die Hans Goedkoop onlangs hield als gastcriticus aan de Universiteit van Groningen. Goedkoop hield zijn studenten voor dat stijl-adepten alsmede literatuurminnaars die hun beschouwingen voorzien van citaten uit het besproken werk, even verachtelijk zijn als bibliofiele fetisjisten. Weg met die lui, want 'literatuur is een middel, ze laat je ondergaan hoe het bestaan er voor een ander uitziet en helpt je daarmee uit te vinden hoe het er voor jou uitziet, hoe je daarin staat, hoe dat anders kan en beter'.

Gevolgd door enige onthutsende tips: 'schrijf als jezelf. Lees een boek niet alleen, leef er ook mee. Laat ervan liggen wat je niet kan schelen en roof mee wat je van waarde vindt'. En is je stuk af, 'duik niet meteen weer in het volgende boek, voor het stuk van de week daarop. Ga eerst de straat op en kijk of er iets veranderd is, niet aan de straat zozeer maar aan jezelf'. God verhoede dat de arme Groningse studenten zich deze aanprijzing van het luie en narcistische funshoppen ter harte nemen. Als niemand meer toelicht wat kwaliteit is, kan deze kwezelarij van de kansel worden verkondigd.

In zijn essay 'Opmerkingen over het realisme' (herdrukt in Bernlefs beste volgens Bernlef) veegt de Libris-genomineerde de vloer aan met dit type beweringen. Ze missen 'iedere echte bewijskracht'. Volgens Bernlef zijn gedichten en romans 'geschikt om een soort denken te ontwikkelen dat in staat is de juiste vragen te bedenken'. Een literaire tekst houdt de paradox welbewust in stand, en streeft niet naar een eenduidige oplossing. Als literatuur je íets leert, is het dat je moet afleren dat je hier (en elders) iets te leren hebt, dat jij er beter van kunt of moet worden.

Literatuur moet niets. Zij heeft geen nut. Men kan heel goed zonder. Maar zodra je geraakt wordt door haar fundamentele dubbelzinnigheid, door haar schoonheid die waar is zonder dat je kunt zeggen of zij ook goed is, door de ontdekkingen die je kunt doen als je níet laat liggen wat je niet kan schelen (een boek is een eenheid, Goedkoop!), door te ervaren dat je voluit leeft zonder dat je de straat op gaat om je eigen kop in een winkelruit te bestuderen - maar door te lézen, in een boek, in de afzondering die lijkt op die welke de schrijver ook nodig heeft, dan kun je een verslaving opdoen waar je nooit meer van af wil.

Door veel te lezen, bouw je een eigen smaak op. Met anderen kun je hierover een gesprek openen, door te wijzen op de karakteristieke vorm- en stijlaspecten van het boek dat je heeft geïmponeerd of doen gruwen. Draag citaten aan - die tenminste tastbaar zijn - en stel een oordeel op via argumenten die voor derden te volgen zijn.

Dat heeft de Libris-jury 2001 nagelaten. Ze heeft zomaar een zestal titels genomineerd. 'Heel verschillende boeken.' Maar zo lukraak als ze het voordoet, is ze niet te werk gegaan. Dit is te zien aan de boeken die ze níet heeft genomineerd. Daaruit is af te leiden wat deze jury tot haar merkwaardige keuze heeft aangezet.

Welke boeken mochten niet meedoen? Dat zijn de boeken die hilarisch zijn, rauw, humoristisch, extreem, waarin columns en toneelteksten een verrassende eenheid vormen (Werk van Josse de Pauw), of die een grote gooi doen en onderweg een paar brokken durven maken. Ik noem hier nogmaals Geheime kamers van Jeroen Brouwers, het verhaal over een hopeloze liefde, geschreven in een majesteitelijke en (nieuw!) tegelijk relativerende stijl. Onbegrijpelijk dat de jury deze roman terzijde heeft geschoven.

Het juryrapport rept in zijn geheimzinnige woord vooraf van kennelijk verfoeilijke 'historische romans, waaraan nogal wat research ten grondslag moet hebben gelegen, en in dat genre ook boeken waarin de schrijver duidelijk zijn kennis over een bepaald onderwerp kwijt kon'. Wat er staat is feitelijk een compliment, maar duidelijk bedoeld als depreciatie. Doeschka Meijsing had in De tweede man haar kennis onduidelijk moeten demonstreren. Bedoelt de jury dat soms? Het is een schimmige veroordeling van een roman die niet evenwichtig is, maar waarin gloedvolle gedeelten zitten die op zijn minst tot een nominatie hadden moeten leiden. De brille van Willem Brakman in De sloop der dingen, de tragische humor van Arnon Grunberg in Fantoompijn, de romanticus Louis Ferron die de strijd met Mulisch aangaat in De oefenaar, de buitengewone vermenging van ethiek met surrealisme in het droogkomische De vitalist van Gerrit Krol, de vaudeville van Geerten Meijsing in Dood meisje - het is dit jaar allemaal nuffig weggewoven. Impliciet, en dat is ergerlijk.

De jury van de Libris-prijs 2001 heeft grosso modo een voorkeur voor de bescheten overpeinzing en de fopdrol boven de somtijds authentieke putlucht en stilistische suprematie van veel bovengenoemden. Volgens de jury is Het gemaal van Frank Noë, over een greppelgraver de oorlog, een hard en rauw boek. Een pijnlijke vergissing, want dit van godverdommes en godsammes vergeven relaas van een negentienjarig joch ('Ik móét liefde geven. . .') moet het hebben van goedkope dramatiek en jubelend beleden polderseks die alleen door brave burgers in Amsterdam-Zuid voor verontrustend ('oer!') kan worden versleten.

Toon Tellegen schreef in De trein van Pavlovsk en Oostvoorne de herinneringen op van een jonge Hollandse 'ik' aan zijn Russische grootvader, die zich na zijn komst naar Leiden in 1918 met het kunst- en vliegwerk van de verbeelding probeerde te weren tegen zijn heimwee: 'Mijn grootvader was oud. Hij had een grote witte baard en hij rook naar tabak. Hij liep met een stok, hij droeg altijd zwarte kleren en hij morste met eten. Maar hij kon vliegen.' Een heel boek lang is deze aanminnige telegram-stijl werkelijk niet te harden. Tellegen buit zijn minimalisme volledig uit, maar er komt geen leven in de brouwerij.

Een man een man van Wanda Reisel biedt een aardig kijkje in de wereld van de moderne kunstvervalsers tegen de achtergrond van een stilaan splijtende vriendschap, maar de stijl is verre van dwingend: 'Eden had volstrekt niet het idee dat hij gearresteerd kon worden. Niemand had hem die ochtend het Hilton binnen zien gaan, hij was ook niemand tegengekomen toen hij wegging, herinnerde hij zich nu. Dat kon natuurlijk niet, iemand zal hem gezien hebben, al was het maar uit de verte. Maar, hield hij zichzelf voor, er was niets te zien geweest, een man van begin dertig in een gabardine regenjas, met bruin krulletjeshaar verliet een groot hotel. Wat was daar voor bijzonders aan? Dat was niemand opgevallen, hij was er zeker van.'

IK OOK. Vergeleken hierbij is de beheerste rust van J. Bernlef in Boy een verademing. Bernlef weet een spannend verhaalgegeven om te zetten in een vertelling die aandacht vraagt voor normaliter onbeduidende details. Je moet er zin in hebben, maar dan word je ook beloond. Man zit in een trein: 'Iedere keer als ze een onbewaakte overweg passeerden gilde de fluit van de locomotief, maar nooit zag hij iemand voor de spoorwegovergangen staan wachten. Alleen 's zomers woonden hier mensen. Hier vielen zelfs geen schijnberichten te fabriceren, niets maakte ook maar aanstalten om in beweging te komen. Alleen de telefoondraad naast de spoorbaan herhaalde steeds maar weer hetzelfde verhaal.' Passend in Bernlefs aloude ode aan een democratische, onbevangen manier van kijken, is Boy tevens een hommage aan de stomme film die het nog met louter beelden moest stellen.

Erwin Mortier laat met zijn tweede roman Mijn tweede huid nog eens zien dat hij mooi kan schrijven. Zijn dichterlijk talent is in staat het voorspelbare verhaal over een schuwe observant die het ouderlijk huis achter zich laat, naar een literair plan te tillen. Jongen zit in de klas: 'Meneer Vaneenooghe leek met pak en al uit een magazijn te komen waar alles chronisch in de uitverkoop was. Hij bewoog zich door de klas alsof hij aan een knaapje hing, met een geestdrift waar zwaar de mot in zat.' Op het bord kalkt hij 'God, onze grote vriend': 'Hij draaide zich om, wreef in zijn handen en zond ons een lachje dat als stucwerk van zijn lippen viel.' Het juryrapport gewaagt van 'boeiend' en 'treffend'; zuinige pluimpjes, als met tegenzin uitgedeeld.

Laaiend enthousiast betoont de jury zich alleen over Franklin van Tomas Lieske, een opzichtige kunstroman waarin loos gefreak moet doorgaan voor ongehoord magisch-realisme. Een criminele jongere blaast een restaurant op, maar zou anderzijds weer vertedering moeten wekken door zijn passie voor de muziek van John Cage en Charles Ives, componisten die demonstreren hoe je altijd weer opnieuw moet beginnen. Heftige dromen en rare beelden kun je lekker kwijt in een boek, wil Lieske zeggen: 'De lekke, astmatische accordeonklanken stonden toen hij wakker werd in zijn kamer naast elkaar als papieren stofzuigerzakken.' Doorgedraaide flauwekul, dat is de bourgeois experience die Franklin de lezer biedt.

De jury evenwel is er zeker van: 'overweldigend', 'elke bladzij staat onder spanning', ja 'elke zin is de moeite waard'. Frasen die overigens niet komen uit de koker van jurylid De Vos, maar rechtstreeks zijn ontleend aan de recensie die haar echtgenoot Tom van Deel op 6 mei 2000 in Trouw schreef: 'spanning die hoogspanning wordt', 'hij lijkt zich ook voor elke zin afzonderlijk te interesseren'. Handjeklap! Als je dit (over)schrijft, omdat je het meent, kun je Tomas Lieske onmogelijk passeren.

Mocht de jury op het laatste moment de zinnen bij elkaar hebben geraapt, dan krijgt Mortier of Bernlef de Libris Literatuur Prijs. Voegt zij echter de daad bij de woorden in het rapport, dan kan Lieske de prijs niet ontgaan. 'Als wíj hem niet bekronen, doet niemand het', kan de jury hebben gemeend, en daar heeft ze groot gelijk in. De echte meesters hebben het nakijken. Lef en leven, neergelegd in zinnelijke taal, moeten het dan afleggen tegen koudvuur en artificieel gedaas.

Het wordt tijd weer eens met open vizier te verklaren waaruit literaire kwaliteit bestaat. Alleen dan is een open en eerlijk debat mogelijk. Deze Libris-jury is daar op een verwijtbare manier voor teruggeschrokken.

Meer over