'Goebbels kinderen moesten in mijn verhaal'

Marcel Beyer (1965) publiceerde in 1991 zijn eerste roman: Das Menschenfleisch. Vier jaar later volgde het opzienbarende Flughunde, dat in de vertaling van W....

DE JONGE DUITSERS die in de jaren zestig volwassen werden, waren niet bijster geïnteresseerd in literatuur. 'Die 68-er', zoals Marcel Beyer ze noemt, gaven zich over aan actie, protest en politiek. Voor hen waren 'de schone letteren' verdacht, bourgeois. Maar de generatie die hen opvolgde, lijkt de literatuur weer te koesteren. Beyer is er zelf een voorbeeld van.

Hij deed in 1995 van zich spreken met de roman Flughunde. Hij was toen dertig en kon dus gezien worden als een van de 'jongeren', die de Duitse literatuur na de periode van groten als Günter Grass en Heinrich Böll haar brede, maatschappelijke betekenis zouden teruggeven.

Zo wérd hij ook gezien. Flughunde werd allerwegen uitgebreid en lovend besproken. Vanwege de stijl, maar vooral ook vanwege het onderwerp: het nationaal-socialisme.

Komt men daar in Duitsland dan nooit van los?

Marcel Beyer: 'Nee, en dat is een ingewikkelde kwestie. Het heeft te maken met de drie generaties, waarvan je in dit verband kunt spreken. De eerste, die van mijn grootouders, zweeg over de oorlog. De tweede, die van mijn ouders, sprak erover, sprak er veel over, en spreekt er nog altijd veel over. Maar wij, de derde generatie, waarvan in Duitsland gezegd wordt dat ze zich niet meer met maatschappelijk relevante vragen bezighoudt, wat doen wij? Wij, of laat ik namens mezelf spreken: ik geloof niet dat het voorbij is. Die opvatting wordt door de vorige generatie uitgedragen en daar verzet ik me tegen. Ik ben ervan overtuigd ben dat het nationaal-socialisme mij evenzeer bepaalt als mijn ouders. Maar wát dat is, is niet zo gemakkelijk te achterhalen.'

Wát het is, heeft Beyer getracht te achterhalen door Flughunde te schrijven. Hij schrijft vanaf zijn veertiende. Aanvankelijk alleen poëzie. 'Boeken, literatuur', zegt hij, 'waren altijd vanzelfsprekend voor mij. Mijn vader was na zijn opleiding aan een studie begonnen en het was heel normaal dat ik - al vanaf mijn tweede jaar - met hem mee ging naar de boekwinkel.

'In mijn puberteit begon ik te schrijven, maar omdat er nauwelijks publicatiemogelijkheden waren, ging ik met een vriend de poëzie die wij schreven voordragen, waar dat maar kon. Ik ontdekte dat poëzie klank was. Je hoorde als je iets las, dat het niet goed was. Dat het beter kon.'

Geleidelijk begon er uit dat schrijven en voorlezen proza te ontstaan, waarbij de ontdekking van het werk van Friederike Mayröcker een stimulerende factor was. 'Omdat ze zo beeldend schreef, zo aanschouwelijk. Het léék abstract, maar dat was het niet. Ze toverde je dingen voor ogen, die je eigenlijk niet kunt waarnemen, maar die niettemin heel concreet waren. Dat was enorm opwindend.'

In zijn eerste roman, Das Menschenfleisch uit 1991, zijn de sporen van die invloed te vinden: hoogst associatief, heel inventief en met een grote rijkdom aan taal boort Beyer hier iets aan, dat je oppervlakkig beschouwd een liefdesgeschiedenis zou kunnen noemen. In feite krijg je als lezer een 'tekst' - de vergelijking met Liefde van Peter Nádas dringt zich op - waarin zintuiglijke sensaties net zo lang met woorden en zinnen worden gekruist tot er een verbale paring met het waarneembare, en zelfs het niet-waarneembare lijkt te ontstaan. Een experiment.

Geen wonder dat de kritiek opveerde, toen Flughunde het licht zag. Een 'begrijpelijk' boek. En dat niet alleen: het was ook nog eens huiveringwekkend, dit verhaal over een man, Hermann Karnau, die alle mogelijke menselijke geluiden verzamelt. Hij wordt door de SS uitgenodigd om zijn bijdrage aan de nationaal-socialistische wetenschap te leveren. Hij is ook degene die de laatste geluiden van Adolf Hitler in diens Berlijnse bunker mag registreren. Het contact met Joseph Goebbels leidt ertoe dat hij de vijf kinderen van de rijkspropagandaminister leert kennen, wat Beyer de mogelijkheid biedt deze kinderen - uit de hoogste nazi-regionen - een stem te geven.

Was dat, voor hem, de manier om dieper door te dringen in het nationaal-socialisme? Beyer: 'Het begon ermee dat ik geïntrigeerd raakte door de vraag waarom er wel aan bijvoorbeeld de nationaal-socialistische architectuur, aan de film en de beeldende kunst aandacht was besteed, maar niet aan de wijze waarop de nazi's de propaganda tot kunst hebben verheven: de redevoeringen, het gebruik van de stem, van apparatuur om die stem de kracht te geven die ze kennelijk had. Ik zag foto's van de bekende massabijeenkomsten, waarop door Hitler of Goebbels of een van de anderen gesproken werd en ik dacht: wat beleven die mensen daar heel in de verte op de achterste rij. Ze kunnen de spreker nauwelijks zien, ze zien geen mens meer, ze horen alleen die, versterkte, stem. Ze zijn louter oor.

'Ik ging op onderzoek uit, overigens nog zonder te weten of daar een boek uit zou voortkomen, maar ik vond nauwelijks iets over het gebruik van de stem in de nationaal-socialistische propaganda. Ik verzamelde alles wat ik aan materiaal kon vinden, over theorieën als zou in de stem de ziel van de mens huizen, de ongelooflijkste dingen, maar ik wist niet goed wat ik ermee aan moest. Totdat me een artikel over ene Hermann Karnau onder ogen kwam. Hij was tot het laatst in de bunker van Hitler geweest. Een randfiguur. Ineens wist ik dat ik van hem een akoesticus moest maken. Zo kon ik niet alleen aan hem kwijt wat ik inmiddels over geluid wist, over het opnemen van geluid in de jaren dertig, over de nieuwste technieken in dat opzicht; het was ook mogelijk van hem een figuur te maken in wie Goebbels mogelijkerwijs belang stelde.'

Met veel raffinement verbindt Beyer de lotgevallen van Karnau met die van Goebbels, wiens naam hij, gezien de historische evidentie van zijn verhaal, niet hoeft te noemen. Hij doet dat door van Karnau een bezeten geluidvorser te maken, een geobsedeerde die evengoed het doodsgereutel op het slagveld als de sporen die het spreken op de stembanden achterlaat, wil onderzoeken, een man die in zijn gedrevenheid de schok te boven wil komen, die hij ervoer toen hij voor het eerst zijn eigen stem opgenomen hoorde en die niet herkende. Daarnaast compenseert hij iets: hij heeft nooit de baard in de keel gekregen.

Dat is zijn 'kinderlijke' kant, die hem te zijner tijd een vriend van Goebbels' kleintjes zal maken. Dat is misschien ook nog zijn 'onschuldige' kant, maar geleidelijk aan treedt het diabolische van Karnau's doen en laten aan het licht, als hij de SS zijn uitzonderlijke kwaliteiten ontdekt en hij - als een Mengele - met menselijk materiaal mag gaan experimenteren. Hem staat een 'totale' controle van alle Duitsers aan de hand van hun stemopnamen voor ogen. Uiteraard wil de propagandaminister daar meer van weten.

Maar waarom die kinderen? Ik bedoel: dat Goebbels in Karnau belang ging stellen, is voorstelbaar, maar waarom liet Beyer die kinderen, en vooral het oudste dochtertje, hun eigen verhaal vertellen, een constructie die aanvankelijk enigszins lijkt te wringen in dit soms zo griezelige boek? 'Hij kwam daar in huis. Natuurlijk is dat historische fictie, maar Karnau is in zoverre echt dat hij als volwassene die kinderen niet serieus nam. Voor hem pasten ze in het naïef-idyllische beeld dat volwassenen van kinderen hebben.

'Maar kinderen zijn niet naïef, eigenlijk is men nooit naïef, op geen enkele leeftijd. En deze kinderen waren door hun vader, door de omstandigheden, bovendien uitzonderlijk. Zij wisten bij wijze van spreken dat hun vader graag naar films van Mickey Mouse keek. Dat past niet bij zo'n demon. Voor mij was de vraag wat die kinderen als kinderen doormaakten, tegelijkertijd onschuldig én slachtoffer. Voor mij stond vast, ik kon dat niet veranderen, dat het oudste meisje zou sterven als ze twaalf was. Ik kon daar geen Hollywood-achtige draai aangeven. De kinderen worden vermoord, dat stond vast. Maar hoe ik die kinderen in mijn verhaal kon krijgen, heeft me gedurende de vier jaar dat ik aan dit boek schreef, voortdurend beziggehouden.

'Op een nacht in Berlijn, toen ik niet kon slapen, schoot me te binnen: als deze Karnau niet over die kinderen kán vertellen, dan moeten ze het zelf doen. Toen stroomde ik leeg. Zo kreeg Helga, het oudste dochtertje, steeds meer het woord, gaf zij steeds meer commentaar op Karnau. Zo werd zij de representante van wat je in de verhalen over het nationaal-socialisme steeds weer hoort: hoe konden ogenschijnlijk nette, fatsoenlijke mensen zulke verschrikkelijke dingen doen. Ik hoop - voor mij is dat bij het schrijven steeds de vraag geweest - dat lezers mede door die kinderen zich zullen afvragen: hoever ga ik met die Karnau mee. Op welke bladzij in het boek zeggen ze: tot hier zie ik nog sympathieke kanten aan die man. Maar waar slaat de belangstelling om in afkeer. Waar zeg je: nu is het genoeg geweest. Dit is te afschuwelijk voor woorden. Hoe ver ga je met die Karnau mee? Dat is een heel, heel moeilijke vraag.'

Willem Kuipers

Meer over