GOD

VAN GEVOEL voor drama heeft het deze performer nooit ontbroken. Van de tijd dat God het water van de Nijl in bloed omzette tot de dagen dat hij in eigen persoon over de aardbodem zwierf en als een magistrale goochelaar water in wijn omtoverde - altijd was hij slechts op...

ERIK VAN REE

Ondertussen heeft deze maniakale wonderdoener zichzelf echter zorgvuldig aan het zicht weten te onttrekken. In het paradijs verscheen de Heer nog wel eens zonder opsmuk, als hij in de avondkoelte door zijn tuin slenterde. Maar allengs is hij ertoe overgegaan zich nog slechts in vermomming te vertonen, verborgen achter de indrukwekkende parafernalia van zijn heerlijkheid. Het was omhuld door een vuurkolom dat hij neerdaalde om Mozes de Wet te stellen. De bevende berg Sinaï omgaf hij bij deze gelegenheid geheel met dichte rook. Het toegestroomde publiek zou hem eens zien. En tegen de tijd van Ezechiël was deze grootste special effects-man uit de geschiedenis de draad helemaal kwijt.

Hij ontving de profeet triomfantelijk zittend op een hoge troon die werd gedragen door vier monsters van gepolijst koper, waartussen bliksemschichten heen en weer knetterden. Doch de gastheer had zichzelf opnieuw geheel in vuur verpakt, en zich voor de gelegenheid ook nog eens omgeven door een ondoordringbare glans met de kleuren van de regenboog. En toen deze god ten slotte persoonlijk inwoning nam op aarde, was hij onzichtbaarder dan ooit. Want hij hulde zich in een pantser dichter dan het dichtste rookgordijn: een sterfelijk, aan rotting en dood onderhevig menselijk lichaam.

Niemand heeft deze onbenaderbare en lichtgeraakte god ooit van enig gevoel voor humor durven verdenken. Zijn enige geslaagde practical joke was de verwarring van de taal van de torenbouwers van Babel. Ironie en lichtvoetigheid zijn hem verder altijd vreemd gebleven. Altijd maar chagrijnig en met een verbijsterend gebrek aan zelfspot is God zijn eenzame weg gegaan.

Van alle goden die de hemel rijk is, is deze ook de enige die met een stalen smoel heeft durven beweren dat er naast hem geen andere bestaan. Dat hij daarmee de risee van de godenwereld is geworden, lijkt hem intussen geheel te zijn ontgaan. Doch we moeten erkennen dat de immer prikkelbare Heer zich ook wel in een moeilijk parket heeft gemanoeuvreerd. Hij is altijd bevreesd geweest om door de mand te vallen als een goedkope bluffer, iemand die zijn woord niet waar kon maken. Want al sinds hij in een onbewaakt ogenblik besloot een wezen naar zijn 'beeld en gelijkenis' te scheppen, heeft de almachtige moeten worstelen met zijn eigen schrijnende onmacht.

Hij gaf de mens de vrijheid, maar daarmee ook het vermogen hem te trotseren en te smaden. En hoe zou een wezen naar Gods gelijkenis ooit kunnen rusten voor het zijn schepper de kroon had afgerukt? Al spoedig moet de Heer hebben beseft dat hij op de zesde dag een nagel aan zijn eigen doodskist had gesmeed. En hij zat onverbiddelijk opgescheept met de lichtzinnige rebel. Want had hij deze zijn autonome geest weer afgenomen, dan had hij slechts zijn eigen falen als schepper erkend.

De jaloerse god is vanaf het prille begin der tijden bevangen geweest van vrees voor zijn ambitieuze creatuur. Toen Adam en Eva hun tanden in één van de geestverruimende vruchten van de boom der kennis hadden gezet, schrok hij op, als door een adder gebeten: 'Zie, de mens is aan ons gelijk geworden.' Engelen met vlammende zwaarden moesten verhinderen dat de twee onverlaten tevens de boom des levens zouden plunderen en zodoende ook het goddelijke attribuut der onsterfelijkheid zouden verwerven. En de bouw van de toren van Babel verstierde hij om een dergelijke reden. God zag deze als een boude greep naar de almacht. Even leek het er nog op dat de Heer op zijn schreden zou terugkeren, toen hij aan de apostel Johannes openbaarde dat de heiligen in zijn koninkrijk zich de vruchten van een nieuwe boom des levens zouden mogen laten smaken, dat ze er zouden worden gehuld in een nieuw goddelijk lichaam ('stralend als de glans van het uitspansel') en zouden mogen 'heersen als koningen met Christus'.

'Ja, ik kom spoedig', zo besloot God zijn fraaie beloftes, maar hij heeft de riskante confrontatie met zijn rivaal toch niet aangedurfd, en zijn koninkrijk kennelijk toch maar afgeblazen.

Het karakter van de Heer is getekend door een tomeloze woede tegen de wereld die hem altijd zo brutaal weerstond. God is zwaar gekrenkt, en allengs raakte hij verbitterd en verteerd door razernij. Van enige redelijkheid zijnerzijds was al spoedig dan ook niets meer te bespeuren. Nadat hij de mens zelf had verboden van de boom der kennis van goed en kwaad te snoepen, stuurde hij nota bene een vloed over de wereld om de zondaars te verdrinken.

En in één moeite door besloot hij 'het vee, het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels' ook maar uit te roeien. Hij beval het volk Israël zijn naaste lief te hebben als zichzelf, maar de straffen op overtreding van dit gebod waren zo buitensporig dat men wel moet concluderen dat de auteur ervan slechts door rancune gedreven was. Aan ongehoorzamen zou de almachtige 'de pest doen kleven', hij zou overtreders slaan met Egyptische builen, gele uitslag en 'boze zweren van de voetzool tot de schedel', en er zou 'poeder en stof' over het land regenen tot iedereen 'verdelgd' was. Ongezeglijke ouders zou hij uithongeren tot zij in wanhoop het vlees van hun eigen kinderen zouden verslinden. En het is een misverstand dat de gefrustreerde tiran later tot rust is gekomen. Niemand anders dan Jezus van Nazaret was de uitvinder van de hel. Deze profeet van liefde was ooit nog van plan om in de tijd van Armageddon alle zondaars van de wereld in een monsterlijke wijnpersbak te smijten en vervolgens hoogstpersoonlijk tot pulp te vertrappen, tot het bloed driehonderd kilometer in het rond zou staan.

D

E VAN machteloze woede vervulde Heer zag het hopeloze van zijn onderneming geleidelijk wel in, doch verbitterd en versomberd was hij al minder in staat zijn eigen falen sportief op te nemen. Aan levensgenieters had de almachtige altijd al een broertje dood gehad. De uitroeiing van de ruimdenkende inwoners van Sodom en Gomorra, en Gods woedende reactie op het gouden kalf spreken hier boekdelen.

Doch aanvankelijk eiste de almachtige nog niet het onmogelijke van zijn onderdanen. Zo beloonde hij in de oude tijden hen die hem welgevallig waren nog ruimhartig met paleizen, fruitbomen en een rijk nageslacht. Het juk dat hij met zijn oude Wet oplegde, was nog vederlicht vergeleken met de excessieve eisen die hij later zou gaan stellen. Want vanaf het moment dat hij als de Christus de aarde bezocht, was het volstrekt gedaan met elke wereldse vreugde. 'Het vlees is zondig' werd nu Gods nieuwe devies. 'Brasserijen en drinkgelagen, wellust en losbandigheid', alles wat de vermoeide mens vreugde geeft, was in de ogen van de almachtige thans een gruwel geworden - om te worden uitgeroeid met wortel en tak. De Heer heeft zich er kortom toe verlaagd om de levensvreugde die hem zelf door eigen domheid was ontzegd, daarom ook zijn schepselen maar te ontzeggen. Het heeft deze gemankeerde god echter niet gebaat. Hij heeft zich slechts in de kaarten laten kijken.

Meer over