Gods gekkenhuis

KENNELIJK heeft Leon de Winter een kwarteeuw nodig gehad om zich zijn eigen plaats in de literatuur bewust te worden....

Halverwege de jaren tachtig gooide De Winter het roer om, met zo'n kracht, dat in de romans die hij sindsdien publiceerde elke balans zoek was. Het kon hem ineens niet incorrect genoeg zijn. Als een lorrenboer gooide hij zijn verhalen vol platte sentimenten en vulgaire parvenu's, terwijl hij zich wellustig vergreep aan erkende filosofen. Zijn thema bleef dat van de zoon die alleen door middel van zijn verbeelding, van een verhaal, zich achteraf kon verbinden met zijn joodse vader, tegen wie hij zich aanvankelijk alleen maar had willen verzetten.

Die strijd lijkt gestreden nu De Winter van middelbare leeftijd is. Tegelijk heeft hij het niet langer nodig zich te verzetten tegen de eisen van subtiliteit en een verantwoorde poëtica zoals bepaalde critici die verlangen. Voorheen wilde De Winter door een stapeling van de vetst denkbare effecten zó agressief bewijzen dat hij aan literatuur met een grote L schijt had, dat hij juist bewees nog lang niet genezen te zijn van het eertijdse verlangen tot de eredivisie gerekend te worden.

Die agressie is vervlogen, bewijst God's Gym, de roman die De Winter is begonnen nadat hij een aantal jaren vruchteloos had gepoogd een poot aan de grond te krijgen in de Amerikaanse filmwereld. Dat wil niet zeggen dat zijn nieuwe boek een wonder van verfijning is, maar in ieder geval heeft hij weer eens echt iets te vertellen.

De wereld is corrupt en absurd, ervaart de vastgelopen scenarioschrijver Joop Koopman, 47 jaar, woonachtig in Venice, Californië. De Koopman van Venetië, noemden zijn vrouw Ellen en dochter Mirjam hem gekscherend. Zijn vrouw is van hem gescheiden en teruggekeerd naar Nederland, en zijn dochter is bij een verkeersongeluk omgekomen op de dag dat ze zeventien werd, 22 december 2000.

Als je de omstandigheden reconstrueert die hebben geleid tot een noodlottig ongeluk, kan het lijken of er sprake is van een zekere orde. Wanneer Mirjam Koopman op die dag, op dat tijdstip, niet bij die man achter op de motor was gaan zitten, en ze hadden niet die route genomen, dan was er helemaal geen sprake geweest van noodlot. Chaotisch als de wereld zijn mag, de mens die met gekmakend verlies te maken krijgt, kan niet berusten in de gedachte dat chaos de enige constante in het bestaan is - want een constante veronderstelt houvast, en die wordt door die chaos nou net verworpen.

In bijna vierhonderd pagina's laat De Winter zijn arme Koopman van de ene krankzinnige situatie in de andere belanden. Die scènes zijn soms zo scherp getekend, dat ze je als beeld bijblijven - en dat kreeg Leon de Winter al een hele tijd niet meer voor elkaar.

Op die fatale dag zat Mirjam achterop bij sportschoolhouder Erroll Washington, een Afro-Amerikaan van driehonderd pond, die ook wel God (van Godzilla) werd genoemd. Schuldbewust meldt God zich bij de Koopman van Venetië: hij wil zijn leven in dienst stellen van Joop, om goed te maken wat niet goed te maken is. Hij regelt bijvoorbeeld Mirjams crematie, en ook zorgt hij voor een boot (een 'plezierjacht'!) waar hij met Joop in stapt om de as te verstrooien over zee. Zit de vader daar met de urn in zijn handen, begint de grote zwarte God, die voor jood studeert, ineens het kaddisj op te zeggen van een papiertje en onderbreekt dat met: 'Wilt u iets op uw hoofd? Je moet je hoofd bedekken bij deze woorden hebben ze me uitgelegd.' Waarop Erroll uit zijn broekzak twee baseballcaps pakt en die op hun hoofden zet. Joop laat de as door de wind meevoeren. 'Erroll uitte klanken die hij niet begreep maar toch herhaalde.'

Er wordt weinig gelachen in God's Gym, daarvoor ontbreekt het de personages aan rust, maar de gekte waarin ze verzeild raken is meermalen zowel droef als geestig. Koopman heeft geen idee waar hij het moet zoeken: overal in dit verhaal loeren wendingen en types, klaar om het dooreengeschudde leven van een onaanzienlijk scriptschrijver nog eens op zijn kop te zetten. En nog eens.

Er blijft hem weinig anders over dan feiten te registreren, het beginpunt van overzicht. Zoiets doet De Winter ook. Hij dompelt Koopman onder in een stortvloed van verwarrende gebeurtenissen: voor geld neemt de Hollander een louche opdracht aan van zijn oude vriend Philip, die Israëli is geworden en voor de Mossad werkt. Op diens instigatie maakt Koopman contact met de dubieuze moslim en jodenhater Omar van Lieshout, die in de omgang echter zo vriendelijk is, dat de scriptschrijver zijn opdracht verzaakt. Ondertussen krijgt hij een relatie met een vriendin van vroeger die boeddhiste is geworden en kennis heeft aan een Tibetaanse monnik die de reïncarnatie zou zijn van Joops grootvader.

Koopman is langzamerhand zelf een personage geworden in een krankjorem script, dat De Winter alle gelegenheid biedt te tonen dat mensen liever in hun eigen verhalen geloven dan in de waarheid. Zonder verbolgenheid of moralisme, maar met een soort verbaasde nieuwsgierigheid maakt hij af en toe pas op de plaats, om feiten op te sommen die de enige basis vormen in deze door God verlaten wereld. Hebben ze betekenis? Dat weet je niet. Als geen mens te vertrouwen is, weet je ook niet waar je op kunt bouwen.

'Januari ging voorbij. Op elf februari 2001 begon het te regenen. Op vijftien februari trokken de regenwolken weg. Het kwik begon op te lopen en op zeventien februari werd het rond het middaguur twintig graden.' Wat moeten we ermee? 'Kennelijk had Omar een uitgebreide garderobe. Vandaag droeg hij een crèmekleurige broek, een donkerblauwe trui met v-hals, en hij had zijn voeten, zonder sokken, in dure kalfsleren loafers gestoken.' Betekent dat wat? In 1979 ging Joop voor het eerst met Ellen naar bed: 'Daarna maakte ze met drukke gebaren een salade nicoise, waarvoor ze een eenvoudige maar perfecte dressing van olie, azijn, knoflook, zout en peper had bereid. Omdat ze het koud had dronk ze er thee bij.' Nou en? Maar tevens denk je, telkens als De Winter weer wat omstandigheden rangschikt: misschien werken die wel allemaal mee, om te laten gebeuren wat er zich aan moois en gruwelijks ontrolt. Het zijn de bouwstenen van een verhaal. Daarin zit de mens opgesloten. Hij kan zich er alleen uit verlossen door zijn eigen verhaal te maken.

Kort na Mirjams overlijden heeft Joop toegestaan dat haar hart zou worden verwijderd voor transplantatiedoeleinden. Later wil hij weten wie Mirjams hart heeft gekregen. Zijn joodse vriend Philip, ontdekt hij, heeft ervoor gezorgd dat het hart is geschonken aan de dochter van een Iraniër die voor de Israëli's werkt.

Verwijst De Winter hiermee naar Shakespeare's Koopman van Venetië (1596), waarin de joodse woekeraar Shylock het hart wil uitrukken van zijn christelijke concurrent Antonio? Shakespeare had geen verstand van joden, zoals Martin van Amerongen betoogt in het artikel 'Shylock, woekeraar' dat onlangs op de dag van zijn begrafenis als boekje verscheen: 'Hoe kon hij weten dat het de joden in werkelijkheid ten strengste verboden was zich aan dit soort goddeloze praktijken te bezondigen?' Een jood in 2001 moet dit weten, kan De Winter bedoelen, maar in onze gewetenloze wereld regeren corruptie en absurdisme.

De moderne schrijver maakt daar verwonderd zijn verhalen over, als een god wiens macht reikt tot en met het stellen van de diagnose. Voor genezen is het te laat, maar altijd ontbotten er verwachtingen, tegen alle redelijkheid in.

Voor het eerst maakt De Winters gekkenhuis zowaar compassie los.

Meer over