God in Spanje

Even buiten Madrid, op kilometers afstand zichtbaar, ligt El Escorial. Het levenswerk van een koning die de deur niet meer uit wilde....

'Kijk', zou Philips zeggen, 'dit is mijn levenswerk, dat de grootsheid van de monumenten van de oudheid moest hebben. Ik ben er zeker van dat men zich mij vooral hierom zal herinneren.'

De hele geschiedenis door, tot op de dag van vandaag, hebben politieke machthebbers zich onsterfelijk willen maken door het optrekken van ongebruikelijke bouwwerken. Voor de absoluut vorst, de heerser van de wereld, kon alleen het meest absolute gebouw voldoen. En de koning kreeg gelijk, Philips II leeft vooral voort door het monument dat hij oprichtte voor zichzelf, voor Spanje en voor God.

Van vele kilometers ver zie je het verrijzen tegen de Pico de Abantos, de laatste stuiptrekking van de Sierra de Guadarrama voor de bergrug plat slaat op de immense vlakte van Castilla. Een proeve van geometrische perfectie in het ruige landschap, die de grootsheid en onaardsheid van de maker moest weerspiegelen. Het is het klooster San Lorenzo el Real, dat al vier eeuwen lang kortweg El Escorial wordt genoemd.

De term klooster doet El Escorial tekort. Het is de verbeelding van het Al in graniet. Het is een klooster, maar tegelijk ook een tempel, een paleis, een pantheon der koningen, en een heel complex uiteenlopende musea. Philips wilde de wereld vangen en in een doos stoppen. De belangrijkste bijkomstigheid van het project was dat de studeerkamer-heerser van het wereldrijk de deur niet meer uit hoefde.

De bedoeling was met het bouwwerk de glorie van het Spaanse koningshuis te vereeuwigen, het nieuwe huis van zijn vader Keizer Karel V en van hem, Felipe II, zelf. Vader en zoon waren elkaars tegenpolen. Karel V was een actieveling, een onverzadigbaar reiziger die de problemen oploste op de plek waar zij zich voordeden. Philips las liever een boek, had een hekel aan verplaatsingen, en ontpopte zich als 'de eerste koning in de moderne geschiedenis met een vaste verblijfplaats', zoals de gids van El Escorial hem omschrijft.

Een peuterig precies en zeer ontwikkeld man, wiens leven in het teken stond van matiging en voorzichtigheid, eigenschappen die ook van El Escorial afstralen. Het is, hoewel opgericht door de meest katholieke vorst aller tijden, in zijn strengheid een bijna on-katholiek bouwwerk.

Een bezoek betekent een sluiptocht door kilometers gangen, langs eindeloze trappen, allemaal even donker en somber en steenkoud, zelfs als de zomerhitte de Spaanse vlakte teistert. De koude winden die rond het gebouw waaien en de knalharde blauwe lucht van Castilla versterken de gedachte dat het leven hier niet als een lolletje werd opgevat.

'Hier heb ik me pas echt thuis gevoeld', zegt Philips in zijn autobiografie Yo, Felipe II, te boek gesteld door de hedendaagse Spaanse ghostwriter Ricardo de la Cierva. 'In het paleis van het klooster, dat ik niet meer wilde laten optrekken als bewijs van mijn zege over Frankrijk maar van mijn voortdurende bezorgheid om dat land. In Frankrijk hebben sommige Hugenoten gezegd dat ik in San Lorenzo del Escorial als een spin midden in het web zat, maar de voornaamste vibraties die tot de draden van dat web doordrongen, waren altijd de doodskreten van dat authentieke Frankrijk en het ernstige gevaar dat het het christendom zou verlaten. Als ik heb bijgedragen dat voorgoed te voorkomen, dan alleen al is mijn leven gerechtvaardigd.'

Op 10 augustus 1557 bracht Spanje de Fransen een vernietigende nederlaag toe bij St. Quentin. Diezelfde dag deed Philips de gelofte zijn dankbaarheid uit te drukken in een monumentaal bouwwerk. Zes jaar later werd, op 49 kilometer van de nieuwe Spaanse hoofdstad Madrid, de eerste steen voor El Escorial gelegd.

De keuze van de plaats, aan de rand van de Sierra de Guadarrama, was verre van willekeurig. Het monument diende zo dicht mogelijk bij God te verrijzen, doch zonder diens macht te tarten. Vandaar dat het tegen de berg aan werd gebouwd en niet op de top, om een tweede Toren van Babel te voorkomen. Wat Philips in zijn hoofd had bij het ontwerpen, was de Tempel van Jeruzalem, gebouwd door koning Salomon.

Uit Italië liet Philips de Spaanse architect Juan Bautista de Toledo overkomen, die bij de bouw van de St. Pieter in Rome als de voornaamste assistent van Michelangelo had gewerkt. Bautista stierf echter in 1567, waarna het werk werd overgenomen door Philips' favoriete bouwmeester Juan de Herrera, die zijn stempel op de Spaanse architectuur van de zestiende eeuw heeft gedrukt.

Twee geometrische figuren domineren El Escorial: het vierkant en de rechthoek. Bezoekers in de negentiende eeuw spraken van 'een rooster', het symbool van het martelaarschap van de heilige Lorenzo (Laurentius), maar dit was niet zo bedacht door de makers. Het klooster straalt zowel kracht als hermetisme uit, de twee begrippen waarmee Philips altijd vereenzelvigd is.

Het autoriteiten van het dorp San Lorenzo de El Escorial, een cultureel centrum met veel opleidingsinstituten, hebben de geografische keuze van het kloosterpaleis altijd gerespecteerd. In de loop der tijden is het alleen maar naar het noorden en westen toe uitgebreid. Het uitzicht over de vlakte (met in de verte een moderne verworvenheid in de vorm van een stuwmeer) is nog even vrij als vier eeuwen geleden.

La Lonja, het strakke voorplein met zijn bodem van granietblokken, krijgt een onbedoeld vrolijk uiterlijk in het speelkwartier van de omliggende scholen, wanneer alle dorpskinderen tegelijk het plein omvormen tot een gigantisch voetbalveld. Even wordt de verheven atmosfeer doorbroken, hetgeen permanenter zal zijn als het plan doorgaat van de nationale hotelketen Paradores om het tegenoverliggende, sterk verwaarloosde Casa de Oficios om te bouwen tot een luxe-hotel.

Grijs is de dominante kleur hier, het weinig gastvrije graniet gecombineerd met grijs marmer. Aan de bouw hebben vele Spaanse regio's hun bijdrage geleverd: het graniet uit de Guadarrama, smeedijzer uit Zaragoza, hout uit Valsain en Cuenca, het geaderde marmer uit Burgos, het marmer van Aracena en Huelva.

De entrée is de Patio de Reyes, het plein voor de basiliek met de perfecte maten van 64 x 38 meter. Dit binnenplein is het visitekaartje van het symbolische karakter van het bouwwerk; het voorportaal van de basiliek en ontmoetingspunt van de goddelijke en menselijke wijsheid. Aan de vier zijden vinden we de bibliotheek, het deposito van de menselijke wijsheid; het colegio en het klooster als de twee opties van geloofsleven: militant en contemplatief; en de grote façade van de tempel die zich presenteert als de nieuwe Tempel van Salomon.

Voor Philips moest het klooster het geestelijke en vernieuwende centrum zijn van het nieuwe Europa, voortgekomen uit het Concilie van Trente. In het hart ervan kwam zijn paleis: 'Hierin sloot ik mij op om, ver verwijderd van de wereld, de wereld te regeren.'

Hoewel hij de tempel van Koning Salomon voor ogen had, heeft Philips met El Escorial toch een soort geestelijke Toren van Babel geschapen. Philips II is, zeker in Hollandse geschiedschrijving, voorgoed gebrandmerkt als een absoluut en hardvochtige tiran. Dat imago is in hoofdzaak het gevolg van wat in Spanje la leyenda negra, de zwarte legende, wordt genoemd. Dat beeld werd opgehangen door politieke en religieuze tegenstanders die er alle baat bij hadden de Spaanse monarch als een monster en een godsdienstwaanzinnige af te schilderen. In de gids van El Escorial wordt hij zelfs de 'gewapende arm van de katholieke kerk' genoemd.

Als een bezoek aan El Escorial iets duidelijk maakt, is het wel dat Philips een intellectueel was. Een zeer ontwikkeld man, een bezeten lezer, een kunstverzamelaar en iemand met meer dan gemiddelde belangstelling voor de ontwikkelingen op wetenschappelijk en cultureel terrein.

Natuurlijk, de koning was roomser dan de paus (in die dagen niet zo'n kunst overigens): 'Mijn belangrijkste taak is de verdediging van het geloof. Het geloof is voor mij als een tweede natuur, ik voelde vanaf mijn prille jeugd dat God mij de voortzetting van het Spaanse wonder had opgedragen. Mijn vader vertelde me over de tijden van de katholieke koningen Ferdinand en Isabel en herhaalde met dankbaarheid en respect wat de Italianen in die tijd in heel Europa rondvertelden: God is Spanjaard geworden.'

Maar het huis waarin Philips zich opsloot, was geen kale cel. 'Het Escorial was één enorm geschiedenisboek en een immense stafkaart van de wereld.' Nog altijd zijn er zalen vol gedetailleerde kaarten uit alle windstreken, die de vorst gebruikte om zijn rijk waar de zon nooit onder ging te besturen.

Hij bracht zijn verzamelingen over vanuit Madrid. Zijn 5000 munten, zijn 150 klokken, zijn imposante collectie schilderijen, van Jeroen Bosch tot Tintoretto en El Greco.

In El Escorial kwamen werkplaatsen en laboratoria waar hij de ontwikkeling van de astronomie en de nieuwe wetenschappen die zich aankondigden in Europa, kon volgen, zonder dat dit - hij was nu eenmaal de koning - de verdenkingen van de Inquisitie opwekte. Ook flora en fauna kregen met de collectie uitheemse dieren en de nieuwe planten en bloemen hun plaats in de vele tuinen van het complex.

Maar Philips was vooral verliefd op zijn boeken: 'Die begon ik al heel jong aan te schaffen. In 1553 had ik in de nieuwe toren van het Madrileense Alcázar al 821 boeken, meer dan welke koning op aarde. Nu, nu God mij tot zich komt roepen, heb ik in het Escorial meer dan 14 duizend boeken.'

Boeken die je niet verwacht in de bibliotheek van de katholiekste aller koningen. Werken van Erasmus, 'onze onderdaan die ons niet beminde', een exemplaar van de Koran, De revolutionibus orbis terrarum van Copernicus. De koning moest zijn onconventiëel aanschafgedrag zelfs corrigeren 'toen de Inquisitie zich begon te interesseren en meende te weten dat mijn boeken over magie het aantal van 200 te boven gingen en ik mijn bibliotheek moest zuiveren om verdenkingen te voorkomen.'

En Philips gaf El Escorial de enige schat die hem nog meer dan zijn boekencollectie aan het hart lag: een van de rijkste verzamelingen relikwieën ter wereld. Volgens de eerste chroniqueur van El Escorial, Padre Sigüenza 'hebben wij van geen enkele heilige gehoord van wie we hier geen relikwieën hebben, uitgezonderd die van de heilige Jozef, de evangelist Johannes en van Santiago de Grote, die in zijn geheel wordt bewaard in zijn eigen kerk in Compostela'. Verspreid over het hele klooster bevinden zich hier meer dan 7000 christelijke relikwieën.

Onder de enorme collectie religieuze kunst vinden we in El Escorial, naast de schilderijen van alle groten uit Philips' dagen, het fameuze christusbeeld van Benvenuto Cellini, en het kruisbeeld op het hoofdaltaar van de basiliek, waarvoor hetzelfde hout werd gebruikt als voor Philips' doodskist, afkomstig van het Spaanse schip De vijf wonden.

Behalve klooster, paleis en nationale schatkamer der cultuur is El Escorial ook een mausoleum. Keizer Karel sleet zijn laatste levensjaren in het klooster van Yuste, waar hij in 1558 overleed. El Escorial moest echter in de ogen van zijn zoon de laatste rustplaats van Karel en de hele toekomstige dynastie worden.

Philips liet de resten van zijn vader in 1568 overbrengen naar zijn nieuwe onderkomen, waar hij zelf dertig jaar later onder het altaar werd bijgezet. Het geplande pantheon heeft hij nooit mogen aanschouwen, de constructie daarvan werd pas door zijn zoon Philips III ter hand genomen.

Het is de vraag of de schepper van El Escorial tevreden zou zijn geweest over de toevoeging van zijn zoon en opvolger. De smalle trap die toegang geeft tot het pantheon, markeert een bijna ongegeneerde stijlbreuk. Plotseling verdwijnt het alomaanwezige grijs en maakt plaats voor marmer in vele schakeringen en een overdaad aan glanzend koperwerk.

Dit is het heiligdom van de Spaanse royalty, die hier sinds 1654 ten ruste wordt gelegd. Slechts een deel overigens van de twee Spaanse vorstenhuizen - de Habsburgers (in Spanje Austria, Oostenrijk, geheten) en de Bourbons - ligt hier. Links naast het altaar de koningen - Karel V boven Philips II -, rechts de koninginnen die koningen hebben gebaard. Alfonso XIII, de laatste koning voor de Republiek en voor Franco, is in 1980 bijgezet. Drie kisten zijn nog beschikbaar. Juan Carlos, de huidige Bourbon op de troon, kan nog kiezen.

Een trap in de andere richting leidt naar het Panteón de los Infantes, het koningskinderenkerkhof. Een luguber keldercomplex, een soort bijenkorf van voor tot achter volgestouwd met kinderlijkjes.

Het idee van een opslagloods voor voortijdig overleden koningskinderen is nooit in het hoofd van Philips II opgekomen. Het is een verworvenheid van de negentiende eeuw, een initiatief van vorstin Isabel II, die de verwezenlijking van haar project voor de eeuwigheid onderbroken zag door wat eufemistisch 'politieke instabiliteit' wordt genoemd: de in 1862 onder revolutionaire vaandel gepleegde afschaffing van de monarchie, die vijftien jaar later weer in ere werd hersteld.

Het is een bonte verzameling in die kelder. Negen grafkamers op een rij, waarin de meeste marmeren monumenten naamloze royalty bevatten. Zoals de nis waar de twee zonen van Alfonso XIII liggen die beiden na een auto-ongeluk stierven aan hemofilie, geërfd van hun moeder Victoria Eugenia von Battemberg.

Er is een groot aantal bastardos ondergebracht, velen bezweken op de leeftijd van oudere jongere. Ronduit wanstaltig is de hoekkamer die wordt gevuld door het mausoleo de los párvulos, het mausoleum van de kleintjes, in de volksmond oneerbiedig de 'baby-taart' genoemd.

El Escorial was Philips toevluchtsoord: 'Van hieruit regeerde ik de wereld en verborg ik mij voor de wereld.'

'Waar de Koning werkelijk van houdt', sprak de ambassadeur van Venetië ooit, 'is alleen zijn'.

Daarvoor trok hij zich terug in zijn appartement in het hart van zijn schepping. Zijn slaapkamer had hij zo laten construeren dat hij vanuit zijn bed, door enkele kleine luikjes in de wand, het hoofdaltaar van de basiliek kon zien.

Dat was wat Philips zag toen hij op 13 september 1598, in het notenhouten ledikant met Vlaamse bedgordijnen, zijn laatste adem uitblies. Volgens de getuigen aan zijn sterfbed verliet de koning opgewekt en opgelucht het leven.

Meer over