Glazenwasser

De bovenbuurvrouw had hem verderop in de straat gesignaleerd: een glazenwasser. Kwam dat even goed uit. Sinds ik hier was komen wonen had ik één keer zelf geprobeerd de ramen aan de buitenkant te lappen, en daar was ik uren mee bezig geweest....

Na wat onderhandelen over de prijs begon de glazenwasser met onze ramen. Een heel karwei, want ze hebben stuk voor stuk van die kleine ruitjes. De jongen kwam uit Volendam, en dit was zijn zwarte bijverdienste op zaterdag. Met het volste medeweten van zijn baas, vertrouwde hij ons toe.

De buurvrouw en ik rekenden even later uit dat hij op die manier al snel voor tweeduizend gulden netto per maand bijkluste, bovenop zijn gewone salaris. Ook de buurvrouw vroeg zich af of zij niet de verkeerde baan had gekozen.

Toen de glazenwasser halverwege was gaf ik hem een biertje uit de ijskast. Wat een vriendelijke, hardwerkende jongen, dacht ik bij mezelf. Je zal toch maar een zesdaagse werkweek hebben!

Na een dik uur was de klus geklaard en rekenden we in totaal tachtig gulden af. Een prima prijsje, waar alle drie partijen voordeel bij hadden. Onze prachtig glimmende ramen konden er weer een jaartje tegen. De jongen gaf ons zijn telefoonnummer en ging naar de volgende klant.

Drie weken later, op een maandagochtend, ging de bel. Ik deed open. De glazenwasser. Hij had die zaterdag de ruiten gedaan en kwam 'even het geld halen'. Daar had ik anders niks van gemerkt, en al helemaal niks over afgesproken. Jazeker, beweerde hij. En hij stond toch niet voor niets op die ladder? Kan me niks schelen, zei ik. Argumenten vlogen over en weer. Helaas was ik het hele weekeinde weggeweest en kon ik dus niet controleren of hij stond te liegen.

De buurvrouw was al naar haar werk, waardoor spoedoverleg niet mogelijk was. De glazenwasser begon vervelend te worden en zei op rustige toon: 'Anders kom ik vanavond wel even langs.' Dat was het winnende argument. Angstig maakte ik voor dertig gulden een eind aan de discussie. De ramen van de buren waren daarbij inbegrepen, bedong ik nog.

Aangedaan fietste ik naar mijn werk. Afpersing heet dit ook wel, dacht ik. Misschien een groot woord, maar ik voelde me toch bedreigd. Hij had het ook almaar over 'z'n broer' gehad, kennelijk zijn compagnon. Ik vertelde het verhaal op mijn werk. Mijn collega bevestigde dat mijn oplossing de enige juiste was. Deze jongen weet niet alleen waar je woont, zei mijn collega, hij weet ook precies wat je in je huis hebt staan.

Diezelfde avond waarschuwde ik de buurvrouw. We moeten hem aangeven bij de belasting, zei ze. En bij de politie! Hoewel ik haar gered had, bood de buurvrouw me geen vijftien gulden aan. Toch flauw, bedacht ik me later. Was zij niet met die jongen komen aanzetten?

Ik ga zelf maar eens een ladder kopen.

Diederik Stols, Amsterdam

In NL schrijven lezers over hun huiselijk leven. Dit is aflevering 226. Bijdragen aan de reeks, tussen de 450 en 500 woorden lang, zijn welkom. Ze kunnen, mits voorzien van naam en woonplaats, worden gestuurd naar: Redactie de Voorkant, de Volkskrant, Postbus 1002, 1000 BA Amsterdam.

Meer over