Glazen paviljoen als kroonjuweel van Museumpark

Natuurmuseum volwaardige buurman van Kunsthal Uitbreiding Natuurmuseum, Westzeedijk 345, Museumpark in Rotterdam. Ontwerp: Erick van Egeraat (eerst bij architectenbureau Mecanoo, nu als EEA)....

IDS HAAGSMA; HILDE DE HAAN

Het Museumpark van Rotterdam is klaar; met de heropening van het Natuur Museum Rotterdam is de laatste nieuwbouw van het park gereed. Rondom een indrukwekkende hoeveelheid topstukken uit natuurhistorische verzamelingen van diverse musea, is een even indrukwekkend gebouw te zien. Het glazen paviljoen werd ten behoeve van een vaste expositie en een informatiecentrum toegevoegd aan het bestaande Natuur Museum dat in de villa Dijkzigt huisde. De nieuwbouw is dus 'slechts' een uitbreiding, maar wel het sluitstuk van het architectonische Museumpark.

Het idee van zo'n Museumpark is al oud. Het dateert van 1924 toen de laatste bewoner van villa Dijkzigt stierf en de gemeente Rotterdam zowel dit huis als het omringende landgoed kocht dat, naar de oude eigenaar, het land Van Hoboken bleef heten. Aanvankelijk ging de aanleg voor de wind: in 1930 kwam museum Boymans-van Beuningen aan de noordoostkant van het landgoed gereed.

Maar verder gebeurde er niets van museale aard, tot in 1985 dit deel van de binnenstad als onderdeel van de zogeheten Parkendriehoek ter hand werd genomen. De naam had betrekking op het plan om, als laatste fase van de wederopbouw van de binnenstad, drie aansluitende parken in de zuidwesthoek van het centrum aan te leggen. De ambities waren hoog: Rem Koolhaas mocht samen met de Fransman Yves Brunier het Museumpark inrichten en hierin werden in korte tijd een aantal nieuwe spraakmakende museumgebouwen neergezet: de uitbreiding van museum Boymans-van Beuningen met het glazen paviljoen van Hubert-Jan Henket (1991); de Kunsthal van Rem Koolhaas (1992); het Nederlands Architectuur Instituut van Jo Coenen (1993), de verbouwing van de witte villa van architecten G. W. Baas en L. Stokla uit 1939 tot Chabotmuseum (1993, door bureau De Weger). En nu dan het Natuur Museum Rotterdam waar de oorspronkelijke villa uit 1851 van architect F. L. Metzelaar door Erick van Egeraat werd aangepast en uitgebreid.

Nu het Museumpark af is, is duidelijk dat het woord park er een volstrekt nieuwe betekenis bij heeft gekregen. Zó ver staan de verschillende gebouwen uit elkaar, zó desolaat is ook de grote asfaltvlakte tussen enerzijds het witte schelpenveld met appelboomjes bij het architectuurmuseum en anderzijds het 'romantische park' bij de Kunsthal. Het park is geen ode aan het groen, maar een ode aan de leegte. Het zadelt de stad op met een onherbergzame vlakte die de musea eromheen niet met elkaar in verband brengt, maar tot losse incidenten maakt.

Al weet het nieuwe Natuur Museum dit effect te verzachten. Het is niet alleen in de tijd een sluitstuk. Ook architectonisch verbetert het een onaf geheel - en dat is zonder meer aan het vakmanschap van Erick van Egeraat te danken. Toen hij zijn eerste ontwerp in 1991 presenteerde, was de opdrachtgever niet zo juichend. Het schijnbaar simpele glazen doosje dat Van Egeraat als uitbreiding had gedacht, zou volstrekt in het niet vallen bij de pretentievolle gebouwen als de Kunsthal en het Architectuurmuseum. Het zou wel eens 'het zwarte schaap in de te onstane kunstfamilie' kunnen worden, ofwel 'een wrat in een toplocatie'.

Sinds die tijd is het ontwerp fors veranderd maar beslist niet minder 'simpel' geworden. Integendeel, aanvankelijk dacht de architect aan een schuin naast het oude gebouw geplaatst, haakvormig paviljoen, nu staat er slechts een rechthoekig blok, precies parallel langs villa Dijkzigt.

Zo simpel dat het direct zou vervelen, als het niet subtiel was uitgewerkt. Wat op het eerste gezicht een glazen doos lijkt, bestaat bij nader inzien uit verschillende lagen. De glazen gevel is als een schil om een staalskelet heen gelegd, daarbinnen bevindt zich een betonnen doos die enige afstand houdt van het glas en aan de oostzijde zover naar achter wijkt dat er een hoge, glazen hal ontstaat. Aan de west- en zuidzijde is in plaats van een glazen gevel, een bakstenen schil om het gebouw gelegd. Niet alleen om de zon te weren, maar ook omdat juist aan deze kant een verbinding met de villa Dijkzigt moest komen.

Alleen al deze opbouw uit verschillende lagen maakt het gebouw tot een verrassend geheel. Het wordt nog versterkt door een fiks aantal 'doorbraken' in elke laag, die telkens een fraaie ruimtelijke werking hebben. De betonnen 'doos' omsluit de expositieruimte maar heeft in zijn hele omtrek een plint van glas, waardoor het daglicht binnenstroomt. In hal wordt de betonnen wand onderbroken door een balkon en een bordes, waar vandaan de medewerkers van het museum - met hun kantoren op de eerste verdieping - op de hal en de bezoekers neer kunnen kijken. Zo is er ook een open trap naar de bibliotheek, met betonnen treden die als het ware zwevend uit de muur naar voren springen. Ook hierlangs valt veel licht naar beneden; een prachtig ruimtelijk effect. Maar bovenal is zorgvuldig, inventief, en zonder knieval, ingespeeld op de omgeving.

Zo vormt het nieuwe Natuur Museum Rotterdam, door zijn strakke vorm, een volwaardige buurman van de Kunsthal. Tegelijkertijd speelt Van Egeraat prachtig in op de oude villa Dijkzigt, die in al zijn uitbundigheid volkomen in zijn waarde is gelaten en toch met de nieuwbouw een geheel vormt. Het zal overigens pas op zijn best te ervaren zijn als de renovatie van het oude gebouw is afgerond en de oude ingang vervangen zal zijn door een glazen pui die zich uitstrekt tot het nieuwe paviljoen. Maar typerend voor de zorg die de architect aan de verbinding tussen de twee gebouwdelen heeft besteed, is nu al de zorgvuldig uitgekozen zilvergrijze baksteen, die hij gebruikte voor zijn stenen 'schil'. Deze past qua structuur en hardheid prachtig bij het oude metselwerk en vormt toch een volkomen nieuw element. Met het Natuur Museum Rotterdam heeft Van Egeraat getoond dat hij zich niet door alle hoogopgelopen ambities in zijn omgeving in de war heeft laten brengen. In plaats van nóg een los incident te maken, bracht hij de zo nodige verbindingen aan die oud en nieuw, natuur en steen, op vanzelfsprekende wijze tot een eenheid brengen. Van alle musea in het park is zijn ontwerp wellicht het meest bescheiden, maar het is geen zwart schaap geworden; eerder een kroonjuweel.

Hilde de Haan

Ids Haagsma

Meer over