Gezinsgeschiedenis: meer dan zwart en wit Zwarte en witte legenden over het gezin

In de zeventiende eeuw, zo zegt de zwarte legende, adviseerden de meeste pedagogen met harde hand op te treden tegen ondeugende kinderen....

WIE ONDERWIJS GEEFT, moet met de mode meegaan. Dat doen we dus ook al jarenlang aan de universiteit. Verdere bezuinigingen om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren zijn in elk geval daartoe niet meer nodig. Vijftien jaar geleden bijvoorbeeld werd in heel Nederland college gegeven over het onderwerp dat toen in het brandpunt van de historische belangstelling stond: de geschiedenis van huwelijk en gezin. Overal hoorde je de namen van Philippe Ariès, Lawrence Stone, Jean-Louis Flandrin en Edward Shorter.

Ook enkele Nederlanders hebben zich in die discussie gemengd, zoals Harry Peeters, Lea Dasberg, Donald Haks en Leendert Groenendijk. Dat mocht ook wel, want de Nederlandse Republiek speelde in de gedachtenwisseling een belangrijke rol. Het ging om de vraag of er ooit in het verleden iets ontstaan was dat we het moderne gezin zijn gaan noemen, en zo ja, wanneer dat dan was gebeurd.

Volgens sommigen waren vroeger de relaties tussen de gezinsleden koel en afstandelijk. De vader regeerde de zijnen met strenge hand, stuurde de kinderen zo vroeg mogelijk het huis uit, en stortte geen tranen om het verlies van een zoon of dochter. Dat alles veranderde met de opkomst van het moderne gezin; een ontwikkeling die begon in wat destijds het modernste land van Europa was, dus in de Nederlandse Republiek.

Dat was de sombere visie van Shorter en Stone. Anderen, in het algemeen de Nederlanders, gaven van het gezinsleven een veel vriendelijker beeld. Zij hebben het laatste woord gehad, zodat je kon denken dat een schijnprobleem eindelijk was opgelost. Ouders van de zeventiende eeuw waren normale mensen geweest, geen gevoelloze dwingelanden. We legden onze college-aantekeningen terzijde, en studenten gingen werkstukken schrijven over de geschiedenis van het milieu.

Wetenschap echter moet het dikwijls hebben van mensen die niet met de mode meegaan. Ze vragen zich af of het zogenaamde schijnprobleem in werkelijkheid niet juist een schijnbare oplossing heeft gevonden, en proberen met voortgezet onderzoek tot beter doordachte antwoorden te komen. Die bedoeling heeft het nieuwe boek van Rudolf Dekker over de geschiedenis van het kind van de zeventiende tot de vroege negentiende eeuw: Uit de schaduw in 't grote licht.

De titel is een citaat van Constantijn Huygens, ontleend aan het dagboek waarin hij de voortgang weergaf van de opvoeding van zijn eigen kinderen. Met het noemen van die bron is tegelijk aangegeven wat Dekker wil weten en waar hij zijn kennis vandaan haalt. Met behulp van dagboeken en autobiografieën wil hij de oude vragen van de gezinsgeschiedenis aan een nieuw onderzoek onderwerpen.

Dekker stelt twee visies tegenover elkaar, die hij de witte en de zwarte legende noemt. Propagandisten van de witte legende zien het gezin als de plaats waar genegenheid en menselijke warmte hun hoogste ontplooiing bereikten. Voor de scheppers van de zwarte legende daarentegen heerste achter de huisdeur louter leed en droefenis. Beide, meent Dekker, laboreren aan hetzelfde euvel: ze wisten het antwoord al voordat ze aan hun onderzoek begonnen. Vooroordeel heeft de uitkomsten bij voorbaat bepaald, zodat de bronnen niet werkelijk hebben gesproken.

Dekker wil daarom noch voor wit noch voor zwart kiezen. Maar verschil in kwaliteit ziet hij wel. De witte legende heeft het meeste kwaad aangericht, 'omdat het een statische en a-historische visie betreft, waarin vrijwel elke verandering in de loop van vele eeuwen wordt ontkend'. Voor Dekker staat vast dat die veranderingen er wel geweest zijn. Hij gaat derhalve uit van de zwarte vraagstellingen, en wil die kritisch toetsen aan nieuw bronnenmateriaal.

Hij heeft dat gevonden in de zogenoemde ego-documenten, een indertijd door Presser gemunt begrip, dat brieven, dagboeken en autobiografieën omvat, bronnen dus waarin iemand schrijft over eigen doen en denken. Samen met Ruud Lindeman en Yvonne Scherf heeft Dekker in 1993 een lijst gepubliceerd van meer dan duizend in Nederland beschikbare ego-documenten.

Uit dat materiaal zijn hier ruim honderd voor nader gebruik geselecteerd, genoeg om een oude discussie te doen herleven. Eerst worden aard en mogelijkheden van de gekozen bron nader belicht in een achttal korte voorbeeld-biografieën. Daarop volgen zeven thematische hoofdstukken, die de belangrijkste vraagpunten uit de geschiedenis van het kind kritisch bezien.

Op dat tweede stuk komt het vooral aan. Daar moet ons blijken of er in de loop van twee eeuwen wezenlijk iets veranderd is in de omgang van ouders met hun kinderen. In zeven deelvragen zoekt Dekker het antwoord. Laten we eerst het zeventiende-eeuwse beeld apart bekijken. Kinderen willen spelen. Dat is een waarheid van alle tijden. Maar zeventiende-eeuwers zien het spel van hun kinderen schouderophalend aan, en vinden het nauwelijks de aandacht waard. Kinderen zijn ondeugend. Dan verdienen ze straf, en de meeste pedagogen adviseren hen te slaan met harde hand. Dat moesten de vaders doen, en het werd zeker gedaan door de schoolmeesters. Maar hard is immers ook de maatschappij waar het kind straks in zal treden. Zijn vader bereidt hem daarop voor. Hij kiest voor zijn zoon een beroep, en laat hem dan zo vroeg mogelijk zijn eigen weg gaan. De jeugd is een levensfase die snel voorbijgaat. Bijna iedereen is daar achteraf maar blij om. Het is een onbelangrijke tijd geweest, die in zijn biografie niet eens plaats verdient.

In de loop van de achttiende eeuw zal het allemaal anders worden. Nu slaan de ouders hun spelende kind met welgevallen gade, want het doorloopt een leerschool die ongedwongen op de ernst des levens voorbereidt. Is het stout, dan wordt het niet geslagen, maar toegesproken als een wezentje waarin de redelijkheid ontluikt en dat dus vatbaar is voor verstandige argumenten. Op den duur verdwijnt de lijfstraf ook uit de scholen. De beroepskeuze blijft nog een netelige kwestie, maar kinderen slagen er toch meer en meer in die in eigen hand te nemen. Kortom, kinderen krijgen aandacht. Schrijven ze later als volwassenen hun autobiografie, dan halen ze met graagte de herinneringen aan hun jeugd naar boven.

We nemen dus verandering van gedrag waar. De zeventiende eeuw toont duidelijke overeenkomsten met de zwarte legende. In de achttiende eeuw lijkt alles wit geworden. Maar kleur ligt aan de buitenzijde van de dingen. De verschijnselen die Dekker beschrijft, zijn op zichzelf niet onbekend, al kan het nieuwe bronnenmateriaal in de nuances en schakeringen het bestaande beeld verrijken. De vraag blijft of er ook sprake is van een verandering in geestesgesteldheid, die het gezinsleven een nieuw, modern karakter heeft gegeven. Het wezenlijke probleem ligt in de zingeving. Hadden vaders die hun kind sloegen, ook een zwarte ziel? Dat vertellen de bronnen ons zelden in zoveel woorden. We moeten zelf dus manieren vinden om die bronnen aan het spreken te krijgen.

Nu is methodenstrijd niet veel meer dan tijdverspilling. Een stok mag krom zijn, als hij maar rechte slagen uitdeelt. Een methode dient beoordeeld te worden naar het resultaat dat ze oplevert. Dekker zet aan het begin van zijn boek een duidelijke koers uit. Hij wil varen op het kompas van de antropologie. Die wetenschap leert ons, 'dat relaties tussen mensen en hun gedrag voor een groot deel bepaald worden door de structuur van de samenleving waarin zij leven'. Daaruit lijkt de primaire onderzoeksvraag te volgen. We moeten ons vertrouwd maken met de structuren van de zeventiende-eeuwse, respectievelijk achttiende-eeuwse maatschappij. Als de antropologie ons daarbij kan helpen, zoveel te beter. Maar bepalend voor de kwaliteit van onze resultaten zal de mate zijn waarin we erin slagen intiem te worden met de cultuur van die beide eeuwen.

Het eerste stuk, met de acht portretten, is vanuit dat oogpunt gezien niet voluit bevredigend. De biografietjes blijven vaak wat kaal. De dagboeken waarop ze steunen, zijn lang niet altijd geschreven met het speciale doel ons te informeren over de verhouding tussen ouders en kinderen. Dekker moet de relevante gegevens uit hun context lichten, waardoor de samenhang enigszins verloren gaat.

Zo constateert hij terecht dat het dagboek van Willem de Clercq de neerslag biedt van diens eigen twijfel aan zijn opvoederstalent. Maar zo zat de man in elkaar. Een gebrek aan zelfvertrouwen bekroop De Clercq heel vaak, vooral bij de meest gewichtige levensvragen. Daarom had hij zo'n bewondering voor zijn altijd besluitvaardige vriend Isaac da Costa. Opvoeden was lang niet het enige dat De Clercq erg moeilijk vond.

Nadere kennis van de persoon had ons zijn pedagogische problemen beter doen verstaan. Ook de kennis van de tijd schiet hier en daar tekort, wanneer het gaat om de gewone kleine historische feitjes. De vader van Constantijn Huygens was secretaris van de Raad van State, niet van de stadhouder. De staatsgreep van januari 1798 was het tegendeel van conservatief, en het woord 'revolutie' is wel een heel nerveuze betiteling voor de Haagse evenementen van 1848.

Voor het hoofdstuk over Hugo de Groot en Maria van Reigersberch is geen gebruik gemaakt van Robert Fruins bekende opstel. Alle grootvaders onder de lezers zullen zich daar met mij over verwonderen. Maar de huidige historicus wordt nu eenmaal anders opgeleid. Robert Fruin of Bakhuizen van den Brink krijgt hij niet te lezen, en veel traditionele handboekfeiten moet hij zich zelf maar eigen zien te maken. Foucault en Elias daarentegen kan hij wel thuisbrengen, want zijn methodische scholing en kennis van de sociale wetenschappen liggen op een duidelijk hoger niveau dan vroeger.

Ook Dekker kent dat terrein. Hij weet wat er gaande is in de sociaal-culturele geschiedenis. Dat vak is volop in beweging. Het ontwikkelt in alle richtingen nieuwe hypothesen, die al naar het zelfvertrouwen van de auteur met meer of minder stelligheid gepresenteerd worden.

Maar zelfs wanneer ze inderdaad als nieuwe zekerheden zijn gevestigd, blijven ze toch hun eigen subtiliteit houden. Ze hebben immers betrekking op de variaties van menselijk gedrag, die zich nooit geheel in wetten laten vangen. Hanteren we de gevonden regels te mechanisch, dan treedt gemakkelijk een zekere vergroving op.

Huygens' dagboek kan bijvoorbeeld de indruk geven dat zijn kinderen weinig contact met anderen hadden. Als dat juist is, zegt Dekker, ging het in huize Huygens relatief modern toe, want 'een scherpe scheiding tussen gezin en buitenwereld wordt gezien als het resultaat van een eeuwenlange historische ontwikkeling'. Het lijkt mij dat Huygens dan het predikaat modern nogal goedkoop verwerft. Is het zoiets opmerkelijks dat een deftige familie selectief is in haar contacten? Er is geen eeuwenlange ontwikkeling nodig om haar op zo'n idee te brengen.

De Amsterdammer Herman Verbeecq was geen deftig man, maar ook hij wilde afstand bewaren. Toen zijn vrouw op het punt stond haar vijfde kind ter wereld te brengen, riep Verbeecq de buren niet te hulp, want dat waren vreemdelingen. Opvallend, meent Dekker, 'want burenhulp was een belangrijke sociale plicht'. Hij beroept zich daarvoor op Roodenburg, maar die zegt ook dat immigranten graag gingen wonen in straten waar ze landgenoten aantroffen.

Het optreden van Verbeecq suggereert ons nu dat twee regels van solidariteit met elkaar botsten, waardoor de mededeling juist interessanter wordt. Was een buitenlander voor deze zeventiende-eeuwse Amsterdammer geen echte buurman?

Vergroving lijkt het mij ook als Dekker zegt dat de vader als patriarch hoofd was van zijn huisgezin, maar dat daar voor de gereformeerden nog een dimensie bijkwam: 'De vader werd gezien als de vertegenwoordiger van God in het gezin.' Dat is juist, maar zo zagen die gereformeerden elke legitieme gezagsdrager. In dat opzicht heeft een vader geen andere status dan een sergeant-majoor of een ontvanger van de belastingen.

Uit de stelling volgt ook niet zonder meer dat de vader een soort huispredikant is. Elke vader heeft gelijk gezag, zeggen de theologen. Zolang hij niets eist dat tegen Gods geboden ingaat, moeten kinderen hem gehoorzamen, ook als hij hard en onbillijk is, oud en zwak, ongelovig of verdoold in het pausdom. Wanneer we al deze nuances niet in rekening brengen, krijgen we van het gereformeerde huisgezin gemakkelijk een te star en te statisch beeld.

De zeventiende-eeuwse Republiek kende nogal wat van zulke huisgezinnen. Ook omstreeks 1800 was Nederland nog een christelijk land. Daar kan dus ook de historicus niet omheen, de paarse agnost zomin als de zwart gekouste kerkganger. Bij Dekker voel ik wel eens een zekere vreemdheid, alsof hij de animistische rituelen van een prehistorisch vuursteenbijlvolk beschrijft. We hebben het boven al gehad over die eigenaardige Willem de Clercq, de Amsterdamse makelaar in granen, die zulke uitvoerige dagboeken schreef. De zeer godsdienstige De Clercq maakte deel uit van de beweging die we het Réveil noemen.

Wat was dat Réveil eigenlijk? Een paradoxaal geloof, meent Dekker, het combineerde innige, emotionele vroomheid met leerstellige strengheid, die het laatste woord gunde aan de gereformeerde dogmatiek van de zeventiende eeuw. Maar als dat een paradox is, dan ligt die in het christendom zelf besloten, dat de gelovigen gebiedt hun God te dienen met geheel hun hart en niet minder met geheel hun verstand.

In elk geval is die paradox voluit aanwezig in de kerk van de zeventiende eeuw. Een man als Voetius hoorde tot de geestelijke vaders van het piëtisme, en was tegelijk de kampioen van de gereformeerde scholastiek.

Het schijnt alsof we nu enigszins afdwalen van het zeventiende-eeuwse kind. Maar ik denk dat deze paradox ons ook de sleutel aanreikt voor het verstaan van het onderscheid tussen zwart en wit. Dekker verkoos naar we zagen de zwarte visie als werkhypothese, omdat naar zijn mening de witte legende statisch en a-historisch genoemd moet worden, daar ze vrijwel elke verandering ontkent. Maar doet ze dat? Ze is niet zo kortzichtig dat verandering van gedrag buiten haar blikveld ligt. Wat ze vooral wil betogen is dat verschillen in gedrag geen bewijs behoeven te zijn van verschil in gevoel. Zij erkent dat zeventiende-eeuwse ouders anders met hun kinderen omgingen dan de negentiende-eeuwers het later zouden doen. Maar ze wil tegelijk waar hebben, dat wederkerige genegenheid aan de basis van de onderlinge verhouding lag.

De zwarte legende daarentegen zegt dat niet alleen de gedragingen van de mensen veranderd zijn, maar ook hun diepste emoties. Liefde tussen ouders en kinderen zou pas in de loop van de geschiedenis zijn ontstaan. Als dat waar is, hebben de wezens die wij mensen plegen te noemen, hun humane eigenschappen eerst in de achttiende eeuw aangenomen. Die stelling is zo volslagen absurd dat ze de zwarte legende als quasi-wetenschap brandmerkt. In haar extreme vorm werpt de zwarte legende inderdaad slechts een schijnprobleem op.

Of Dekker dat ook vindt, zegt hij niet nadrukkelijk. Wel laat zijn boek het zien, vooral in het laatste hoofdstuk. Hij toont daar overtuigend aan dat de onpersoonlijke koelheid waarmee ouders het overlijden van hun kinderen registreren, meer te maken heeft met de aard van de bron dan met gebrek aan emotie. Een dagboek was niet de plaats waar men aan zijn diepste smarten uiting gaf. Dat gebeurde in gelegenheidsgedichten, en daar zijn die gevoelens ook te vinden.

En de grote massa van ongeletterden die amper hun naam konden schrijven? Dekker citeert de brief van een Amsterdamse vrouw, die een brief voor haar man dicteerde over de dood van hun zoon. Maar eigenlijk weet ze er niets over te zeggen. 'Als ik nog aan hem gedenk, zo is het of mijn hart in mijn lijf kapot is'. Moederliefde bestond niet in de zeventiende eeuw, zegt de geleerde Elisabeth Badinter. Goed dat er behalve wetenschappelijke theorieën ook nog historische bronnen zijn. Dekker neemt dit soort geleerdheid wel ernstig. De bronnen die hij gebruikt tonen gelukkig aan dat hij de zwarte legende onverdiende hulde bewijst.

A.Th. van Deursen

Rudolf Dekker: Uit de schaduw in 't grote licht - Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek.

Wereldbibliotheek; ¿ 39,50.

ISBN 90 284 1680 3.

Meer over