Gewelddadig eerherstel van mannelijke ondeugden

De toename van zinloos geweld toeschrijven aan de jaren zestig getuigt van intellectuele luiheid. Bas van Stokkom ziet meer in de verklaring die de nadruk legt op de lichamelijkheidscultuur en het opmerkelijk herstel van mannelijke ondeugden in de jaren tachtig en negentig....

IN zowat iedere beschouwing over 'zinloos geweld' worden de anti-autoritaire jaren zestig in de ban gedaan. Toegeeflijke ouders zouden verwende kinderen hebben voortgebracht die agressief worden zodra ze hun zin niet krijgen. Dit gesuggereerde verband is uiterst merkwaardig. Want landen waar de cultuurrevolutie van de jaren zestig minder effect heeft gesorteerd en waar geen gedoogcultuur is ontstaan, zoals België en Frankrijk, gaan eveneens gebukt onder groeiend jeugdgeweld. Bovendien is jeugdcriminaliteit in het Westen reeds in de jaren vijftig gaan stijgen. Kennelijk zijn er andere factoren in het spel dan toegeeflijkheid.

De reflex 'jaren zestig' is een teken van intellectuele onmacht en ontneemt het werkelijke zicht op de groei van jeugdig geweld. Die reflex is ook waarneembaar in het stuk van Aafke Komter (de Volkskrant, 22 mei). Ze veronderstelt dat mensen steeds minder in staat zijn zich in het standpunt van een ander te verplaatsen: ze hebben een 'versmald bewustzijn'.

Ik zou zeggen: het is eerder andersom. Mensen blijken juist beter in staat rekening te houden met anderen. Het feit dat lijfstraffen niet meer geaccepteerd worden, dat slachtoffers meer hulp wordt geboden en dat er sneller geageerd wordt tegen allerlei vormen van misbruik (pesten, seksuele intimidatie, kinderverwaarlozing), geeft aan dat we meer aandacht geven aan de beschermwaardigheid van personen (en speciaal kwetsbare groepen als kinderen en patiënten).

De afgelopen decennia geven een normversterking te zien als het gaat om de bescherming van integriteit van personen (en van andere levende wezens, met name 'gehumaniseerde' diersoorten). Diezelfde zorg en aandacht hebben er ook toe bijgedragen dat het uitgaansgeweld momenteel op veel weerzin stuit. Zo sterk dat we geweld voortaan als 'zinloos' betitelen.

Volgens Komter stellen ouders geen grenzen meer, hetgeen leidt tot een verzwakking van de gewetensfunctie van kinderen. Ook hier geven de feitelijke ontwikkelingen een ander beeld. Ouders stellen wel degelijk grenzen en kwijten zich naar behoren van hun opvoedingstaak; kinderen zijn wel degelijk gevoelig voor onrecht (zie de recente studie van Micha de Winter over gezin en opvoeding). Het probleem is wel - en dat heeft Pieter Hilhorst (Forum, 21 mei) goed verwoord - dat de grenzen die worden gesteld sterk van elkaar verschillen. Maatschappelijke normen sporen niet meer met elkaar. Elke context vereist weer een ander normpatroon. Jongeren krijgen dus dubbele boodschappen mee.

Dat alles laat onverlet dat in sommige groepen jongeren wel degelijk het 'versmalde bewustzijn' signaleerbaar is waar Komter over spreekt. Bovendien snijdt haar veronderstelling hout dat geweld gepleegd wordt door mensen met een groot ego. Volgens de befaamde psycholoog Roy Baumeister is de combinatie van onzekerheid en hoge eigendunk kenmerkend voor vechtersbazen. De vraag is welke factoren dat opgeblazen ego bepalen.

Komter noemt alledaags narcisme. Dat is een uitdagende stelling, maar het verband tussen narcisme en geweld ligt minder voor de hand dan zij stelt. Zoals de zwartgallige cultuurcriticus Christopher Lasch reeds aangaf, wordt de narcist gekenmerkt door een 'minimal self' dat onzeker en weinig standvastig is en zich angstig op het eigen levensdomein terugtrekt. Aan dat beeld beantwoorden vechtersbazen bepaald niet.

Een cultuurpsychologische factor die mijns inziens meer verklarende kracht heeft is mannelijkheid. Mannen nemen ongeveer 90 procent van alle criminaliteit voor hun rekening - en bij impulsieve geweldsdelicten op straat loopt dat percentage op tot 95. Het gaat mij niet niet zozeer om dit hoge percentage maar vooral om het beeld van mannelijkheid: het etaleren van een onaangedane houding waardoor men de schijn ophoudt van onafhankelijkheid en controle.

Mannelijk gedrag kan dan ook worden begrepen als een opstand tegen 'het kind in de man'. Wie een goede man wil zijn mag geen zwakte, geen kinderlijk of jongensachtig gedrag vertonen, want dat zou van afhankelijkheid getuigen. Ook vriendelijk of aardig zijn is een teken van zwakte, en bovendien een uitnodiging om anderen over je heen te laten lopen.

De reputatie van een stoere man hangt af van het volharden in een geloofwaardige dreiging met geweld. Hij dient anderen af te schrikken zich met hem te bemoeien of lastig te vallen. Dat kan door verbale of lichamelijke uitdrukkingen, maar ook door de fysieke verschijning: een opgepompt lijf, ruige kleren en tatoeages. Ook uit het pronken met waardevolle objecten die men in bezit heeft (van auto's tot sieraden en vrouwen) en mogelijk buit gemaakt kunnen worden en dus verdediging behoeven, blijkt een trotse en onbevreesde houding.

Er bestaat een existentieel verband tussen mannelijkheid en eer. Het zijn twee zijden van dezelfde munt. Voor mannen betekent eer dat hun mannelijkheid niet geschonden mag worden. Ze zijn ertoe geneigd aan negatieve ervaringen onmiddellijk aanstoot te nemen, verwijten te uiten, genoegdoening te eisen, en geweld in te zetten om een ruzie te beslechten. Voor elk klein ongemak of verstoring (een botsing, een duwtje, een licht geringschattende opmerking) wordt een verontschuldiging verlangd. Indien deze uitblijft, resteert alleen vergelding om het publieke aanzien te herstellen. Eer verlangt dat de man fysiek in staat is om aan zijn claim op overheersing en onafhankelijkheid gevolg te geven.

Dit gedrag is vooral kenmerkend voor (allochtone) jongens en jonge mannen in kansarme stedelijke wijken. Ze zijn doorgaans grootgebracht in een 'subcultuur van geweld' waarin ruzies met de vuist moeten worden beslecht. Veel wijst erop dat de situatie waarin jongens in deze milieus opgroeien verslechterd is: gezins- en wijkverbanden lijken uiteen te zijn gevallen, terwijl de oriëntatie op arbeid is verdwenen.

Mannelijkheid wordt niet meer vereenzelvigd met arbeid, maar met stoer en opzichtig vrijetijdsgedrag. Het beloofde land bestaat uit de glitter en glamour van de televisie en overdadige rijkdom van de grote stad. Jonge mannen willen super-consumenten zijn: uitgaan, hun kleren laten spreken, een stijl van consumeren die de schande van puberale onmacht ongedaan kan maken. Er ontstaat hierdoor een grote druk zich te vereenzelvigen met groepen die geld gemakkelijk kunnen uitgeven. Onverschrokken, succesvolle criminelen fungeren dan ook als rolmodel.

Met name de informele straateconomie (drughandel) schept een klimaat waarin jonge mannen onverschillig worden voor het gebruik van grof geweld. Het leven bestaat uit een serie kicks, onmiddellijke consumptie, de bevrediging burgers schrik aan te jagen en met wapens indruk te maken. Deze korte momenten van macht vormen een compensatie voor het monotone en uitzichtloze bestaan in het gemarginaliseerde milieu.

Voor jongens uit de middenklassen ligt dat anders. Ze lijken niet snel over te gaan tot fysiek geweld en ontwikkelen doorgaans 'respectabele' manieren om hun macht en status in de adolescenten-wereld te vergroten: controle houden door berekening, raffinement en sluwheid. Toch zijn er veel tekenen dat acting out-gedrag (ontladingsgeweld, waaronder mishandeling en vernieling) onder deze jongens snel is toegenomen. Bovendien hebben ze eigen vormen van macho-gedrag ontwikkeld. Daartoe behoren de cultuur van 'keihard de leukste' en het etaleren van coolness.

De media spelen daarbij een grote rol. Alhoewel de uitkomsten van onderzoek naar de effecten van de media op het gedrag van kijkers, tentatief en ongewis zijn, mag men aannemen dat de macho-beelden die de cultuurindustrie aanbiedt, sporen nalaten in het gedrag van middenklassen-jongens. Zo lijkt de schuttingstaal die macho-helden veelvuldig gebruiken (de amechtige herhaling van kut, kutwijf en fuck you in elke zin) een grote aantrekkingskracht te hebben. Ook uitdagende spreuken als 'Okay, it's showtime' en 'Go ahead, make my day' die in geweldsfilms vaak worden gebezigd, lijken populair te zijn geworden. In die uitdrukkingen komt de hardheid van het mannelijk zelfbewustzijn tot uitdrukking dat tegelijk superieur is en van spot doordrenkt.

Niet alleen in fictieve genres als film, maar ook in satirische praatprogramma's en cabaret wordt genoegen ontleend aan het treiteren en kleineren van personen. Dergelijke programma's hebben een dubbelzinnige uitwerking. Satire is namelijk zelf verwikkeld in wat het kritiseert, en zou dus ook onverschilligheid of brutaal gedrag kunnen stimuleren. Kritiek fungeert als excuus om het kwetsen onbekommerd voort te zetten. Het verband dat Renate Dorrestein heeft gelegd tussen de onbeschofte 'humor' van Paul de Leeuw, verruwing en 'zinloos geweld' is dan ook minder ver gezocht dan men zou denken.

Er staat dus een premie op het gebruik van krachttermen en sick jokes. Jongens tonen daarmee aan dat ze cool zijn. Sinds James Dean, het prototype van de naoorlogse oer-teenager (a rebel without a cause, looking resentful for no particular reasons), heeft coolness een opmerkelijke meerwaarde gekregen. Voor 'mannelijke' jongens is het de kunst om stoer en nonchalant over te komen. Ze doen hun best overtuigende grote-stad-bluf te etaleren, doen zich streetwise voor en halen allerlei stunts uit.

Het heeft er alle schijn van dat coolness zich inmiddels heeft gedemocratiseerd: het is deel geworden van het alledaagse leven van jongeren. Naïviteit en goedgelovigheid gaan door voor de ergste zonden. Goed en slecht zijn vervangen door de cynische Beavis and Butt-Head frases: cool en suck, winner en loser.

Zowel de cynische cultuur van 'keihard de leukste' als de grootstedelijke cool pose effenen de weg naar expressief gedrag dat alle ogen op zich weet te richten. Het is aannemelijk dat dit gedrag op straat, in het verkeer en uitgaanscircuits veelvuldig confrontaties uitlokt. Jongens en jonge mannen gaan sneller de competitie aan en raken eerder geïrriteerd. Het dominantiespel wordt hierdoor onberekenbaarder, vooral in groepsverband.

Sinds de jaren tachtig - toen de media in het teken van macho-reclames en de lichamelijkheidscultus kwamen te staan - is het zelfbeeld van jonge mannen sterker afgestemd op stoer en onverschrokken gedrag. Mannelijke ondeugden - ruig en onbuigzaam gedrag - hebben een opmerkelijk eerherstel gekregen. Schelden, 'afzeiken', dreigen en afschrikken worden voortaan geassocieerd met fun en spel. Vóór de jaren tachtig spiegelden jongens zich niet zo sterk aan cynische grappen, lichamelijke exposure, ruig consumeren en 'snel leven'. Als dat juist is dan hebben niet de jaren zestig, maar de jaren tachtig en negentig een klimaat gebracht waarin impulsief uitgaansgeweld zich kon verbreiden.

Meer over