Gevonden Voorwerpen

Vijf grote Franse musea tonen op het moment hun kunstzinnige weeskinderen: kunstwerken die tijdens de oorlog naar Duitsland verdwenen, daarna terugkwamen maar nooit door de eigenaars zijn opgeëist....

MARTIN SOMMER

ZO'N CURIEUZE tentoonstelling heeft het Centre Pompidou - toch wel wat gewend - nooit gehad. Achtendertig werken hangen in de kelder, in alfabetische volgorde, die niets anders gemeen hebben dan dat ze na de oorlog zijn teruggehaald uit Duitsland en dat hun rechtmatige eigenaar nog altijd niet bekend is. De presentatie, afgelopen dinsdag, leverde een minuscuul relletje op. Iemand uit het publiek wist een anekdote te vertellen over het schilderij Vrouwenportret van Picasso. Het schilderij was tijdens de oorlog door de Duitsers geroofd, maar aangezien het hier 'ontaarde kunst' betrof, weigerde de Wehrmacht het naar Duitsland te vervoeren. Het karweitje heeft de Franse politie toen maar opgeknapt.

Pompidou-conservator Didier Schulmann kende het verhaal niet, en keek pijnlijk getroffen bij deze petite histoire uit een verleden dat maar niet voorbij wil gaan. Het laatste bleek de afgelopen week ook weer uit discussies in de kranten over de nieuwe mierzoete verzetsfilm Lucie Aubrac en de vraag of de echte Lucie Aubrac wel zo'n heldin was geweest. En uit de tentoonstellingen die niet alleen in het Centre Pompidou, maar ook in het Louvre, Musée d'Orsay, en de musea van Versailles en Sèvres plaatsvinden.

Bij elkaar zijn er zo'n duizend werken te zien; lang niet allemaal topstukken, maar er zitten wel Courbets, Gauguins en Monets tussen. Het gaat niet alleen om schilderijen, er zitten ook meubels, tapijten en gobelins, porselein en brons bij. En niet onvermeld mogen blijven de 120 musea in de provincie die nog wat strooigoed presenteren. Het betreft allemaal werk dat tijdens de oorlog naar Duitsland verdween, terugkwam, en vijftig jaar lang ongestoord deel uitmaakte van de collecties van de musea, tot in 1995 tumult ontstond over de vraag of de musea wel genoeg gedaan hadden om de rechtmatige eigenaars op te sporen.

Twee maanden geleden werd die vraag in de pers aangescherpt: zijn de tweeduizend uit Duitsland teruggekeerde kunstwerken nu wel of niet geroofd van joden die werden gedeporteerd en vervolgens vermoord? Conservator Schulmann toonde zich bereid tot twijfelen. 'Je kunt nu eenmaal aan de buitenkant van een schilderij niet zien of het gestolen is of niet. De enige manier om een geroofd stuk te identificeren is een Duits document waarop staat: die dag zijn we bij die en die binnengedrongen, en hebben dat en dat meegenomen.' Zulke documenten zijn er vaak niet. Bovendien liet de Franse politie zich niet onbetuigd en die had minder last van bureaucratische dwangneurose dan de Duitsers en heeft dus minder opgetekend.

Ruim vijftig jaar na dato hebben de musea, onder druk van buitenaf en in een tempo dat nog het meest wegheeft van een strafmars, voor zover mogelijk de eerste driehonderd stukken van die uit Duitsland teruggekeerde collectie geïnventariseerd. De andere zevenhonderd geëxposeerde werken gaan voorlopig nog zonder geschiedenis door het leven.

Niettemin weet Louvre-conservator Foucart van de afdeling Hollandse meesters zéker dat er zich geen werk uit joods bezit in zijn collectie bevindt. Het Louvre heeft 678 kunstwerken met een bruin plakkertje herkenbaar gemaakt als 'MNR' - Musées Nationaux Récuperation, zoals hun officiële aanduiding luidt. De afdeling van Foucart beheert onder meer teruggevorderd werk van Rubens, De Coter, Teniers, Cuyp, en de conservator straalt de dienstbaarheid uit van een winkelier uit het oostblok.

Foucart: 'Joods bezit? Helemaal geen joods bezit. Kijk naar dit schilderij: in 1940 gekocht door Haberstock. Gekocht. Door een gewone kunsthandelaar. Uit de collectie Gourkow. Dat is toch geen joodse naam? Ik ben kunsthistoricus, we hebben het allemaal precies uitgezocht: er is geen sprake van geroofd joods bezit in dit museum. Jullie journalisten gaan maar door, jullie zijn alleen maar bezig met het heden, jullie moeten eens leren heden en verleden te scheiden'

Een waar woord, dat zijn verklaring nog niet helemaal bevredigend maakt. Directeur Françoise Cachin van de overkoepelende Franse museumorganisatie was een paar dagen geleden ook al zo aangebrand geweest. De voorlopige inventarisatie laat inderdaad zien hoe het allergrootste deel van de werken tijdens de oorlog aan Duitsers werd verkocht. Wat overigens nog niets zegt over wat er aan die verkoop vooraf ging.

'Ze begrijpen niet dat ze zich niet hoeven te verdedigen', zegt Jacques Fredj, directeur van het Centre de Documentation Juive Contemporaine (CDJC). 'In het bedrijfsleven is het de gewoonte dat een nieuwe president-directeur zijn voorganger kritiseert. Bij de overheid gaan ze altijd in de verdediging. Het verleden is sacrosant. Ze moeten niet zo raar doen, het is toch hún fout niet.'

Het documentatiecentrum van Fredj speelt een bijzondere rol in de geschiedenis van de geroofde kunst. Al in 1942 zag de joodse Fransman Isaac Schneersohn het belang in van het verzamelen van zoveel mogelijk documenten over het tragische lot van de Franse joden. Hij richtte een jaar later in Grenoble clandestien het CDJC op; tot de bevrijding verborg hij zijn archief.

Na de oorlog deden de Geallieerden een beroep op zijn documentatie voor de processen van Neurenberg. Van daar mocht Schneersohn vervolgens een aantal archieven mee terug nemen naar Parijs: onder andere het archief van Alfred Rosenberg, niet alleen de ideoloog van Hitlers NSDAP maar ook de baas van zijn eigen Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg en uit dien hoofde belast met de inbeslagneming van joods bezit in het bezette Europa. Het eerste - en tot 1995 het enige - boek over de plundering van het kunstbezit van joodse Fransen verscheen in 1947 onder auspiciën van het CJDC van Schneersohn.

Directeur Fredj: 'Mevrouw Cachin is hier nog niet geweest. Als zij zegt dat ze geen schilderijen uit joods bezit in huis heeft, dan geloof ik haar a priori. Heel goed dat ze nu opening van zaken geeft. Maar ze moeten verder gaan. Waarom maken ze het archief van Commission de Récuperations (de commissie die zich na de oorlog bezig hield met het terugvinden van de rechtmatige eigenaars) niet open?'

Mocht dat archief opengaan, dan zal ook daaruit een ingewikkelde geschiedenis opstijgen. De wapenstilstand was in juni 1940 nog geen week getekend, of de Opperbevelhebber van de Wehrmacht, Keitel, schreef een brief aan de commandant van het bezettingsleger van Parijs. 'De Führer heeft het bevel uitgevaardigd om kunstschatten en historische documenten van particulieren, met name van joden, in veiligheid te stellen.'

Hitler hield er ambivalente gevoelens op na tegenover Frankrijk en de Fransen - geen Ariërs, wel een indrukwekkende culturele geschiedenis. Een dag na de wapenstilstand, schrijft Albert Speer in zijn memoires, liet Hitler zich op een vroege zondagochtend door Parijs rondrijden, langs de Opéra, de Madeleine, de Arc de Triomphe, om aan te komen bij het graf van Napoleon, 'waar hij lang stond te peinzen'.

Voor Hitler was Parijs een reisdoel dat veroverd moest worden voordat hij er een uitstapje kon maken. Berlijn zou uiteraard mooier worden, mede met behulp van Frankrijk als onuitputtelijke bron van kunstschatten. En dan was er nog het Führermuseum voor Europese kunst dat Hitler wilde stichten in zijn geboorteplaats Linz in Oostenrijk. In de nu verschenen deelcatalogus van teruggekeerde kunstwerken duikt telkens weer het reisdoel Linz op.

Hoe complex de geschiedenis van de kunstroof door de nazi's wel is, beschrijft Hector Feliciano in het tweede boek dat sinds 1945 over dit thema verscheen, Le musée disparu (1995). Drie Duitse diensten hielden zich ermee bezig: de Kunstschutz die bij de Wehrmacht hoorde, de ambassade die het ministerie van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigde, en de Einsatzstab van de al genoemde Rosenberg. Die diensten beconcurreerden elkaar hevig, terwijl rijksmaarschalk Goering zich nergens iets van aantrok en op eigen houtje eenentwintig bezoeken bracht aan het museum Jeu de Paume waar de gestolen kunst werd opgeslagen, om een en ander voor zijn eigen collectie uit te zoeken.

Tot slot kochten de Duitsers veel bij kunsthandelaren, galeries en op veilingen, waar het voorkwam dat afzonderlijke agenten door Hitler waren gestuurd om hetzelfde stuk te kopen, tegen elke prijs. Die prijs kon begrijpelijkerwijs nogal oplopen omdat geen van die agenten zónder het werk durfde thuiskomen. 'Vind in zo'n geschiedenis maar eens de kunstwerken die na de oorlog zijn teruggekomen', zegt Fredj. 'Levende getuigen zijn er niet meer, alles moet van papier komen.'

Hij wil wel gezegd hebben dat de situatie in zijn ogen 'ongelooflijk veel beter is dan een paar jaar geleden'. Eind januari stelde premier Juppé de commissie-Matteoli in, die in den brede moet inventariseren hoeveel 'joods bezit' de Franse overheid nog in handen heeft. 'Zoiets was onder Mitterrand niet mogelijk geweest.'

Mitterrand was de laatste president die de deksel op Vichy heeft gehouden. Vooral sinds het begin van de jaren negentig werd een en ander bekend over zijn banden met het collaborerende bewind van maarschalk Pétain. In 1992 raakte de president in opspraak door zijn jaarlijkse gewoonte op 11 november een krans op het graf van de maarschalk te leggen. Hij deed weinig moeite zijn warme gevoelens voor de oorlogsmisdadiger Bousquet te verbergen, hij weigerde op de herdenking van de grote razzia van Parijs te verschijnen, hij traineerde het justitiële onderzoek tegen de laatste levende Franse oorlogsmisdadiger Maurice Papon. En vooral weigerde hij namens de Republiek boete te doen voor de wandaden van Vichy.

Mitterrands handel en wandel staat in schril contrast tot die van Chirac, die twee maanden na zijn aantreden op 16 juli 1995 wel naar de herdenking van de grote razzia toog en daar bovendien sprak van 'verantwoordelijkheid van de Franse Staat' en van een 'collectieve fout'. En Maurice Papon verschijnt dit najaar voor de rechter.

Fredj: 'Omdat wij beschikken over veel archieven zijn we altijd bang geweest voor een politie-inval. Die angst is voorbij sinds Chirac president is. Hij heeft ons door dik en dun gesteund. Zijn boetedoening namens de Republiek voor de Vichy-periode uit 1995 is echt moedig, gezien zijn eigen rechtse achterban. Geen kwaad woord over Chirac.'

Volgens Hector Feliciano, wiens boek Le musée disparu in 1995 het begin was van alle ophef, kan het nog beter. 'Weet Jacques Chirac wel dat de buste van Madame de Pompadour in de Salon Pompadour van het Elysée ook bij deze nooit opgeëiste werken hoort? En weet Alain Juppé dat hetzelfde geldt voor De Kus van Rodin in de tuin van zijn ambtswoning, het Matignon?'

Musée d'Orsay: 71 schilderijen en krijttekeningen (Courbet, Monet, Gauguin, Manet), 54 tekeningen.

Centre Pompidou: 38 werken waarvan 23 schilderijen, een tapijt, 4 sculpturen en tien tekeningen (Picasso, Foujita, Matisse, Picabia, Derain), tot 21 april.

Louvre: 678 werken, waarvan 250 schilderijen, 250 voorwerpen, 103 tekeningen (Delacroix, Géricault, Corot, Rubens etc.), tot 5 mei.

Musée de Sèvres: 131 schilderijen, tot 5 mei.

Musée de Versailles: 10 schilderijen, tot 4 mei.

Hierbij komen nog de 120 musea in de provincie die hun MNR-werk vanaf nu laten zien. Bij de tentoonstellingen is een dossier beschikbaar onder de titel: 'Présentation des oeuvres récupérées après la Seconde Guerre mondiale et confiées à la garde des musées nationaux.

Meer over