Gevallen engelen

Kort na de voorstelling, net van het podium, zie je dat dansers geen bovennatuurlijke schepsels zijn. Tara Fallaux fotografeerde hen op dat moment....

Een danser is, ook als hij niet danst, gemakkelijk te herkennen. Kijk om te beginnen naar beneden: ziet u iemand met voeten die op tien over tien staan, dus met de tenen naar buiten, dan is de kans aanwezig dat we met een danser te maken hebben. Uitgedraaid, heet die houding in vaktermen. Uitgedraaide voeten zijn een voorwaarde voor wie een serieuze klassieke carrière overweegt. Zijn de voeten er eenmaal aan gewend naar buiten te wijzen, dan doen ze dat ook in het gewone leven. Vervolgens zit er voor de knieën niets anders op dan uit te draaien. Veel dansers hebben een hekel aan lopen.

Twijfelt u nog, vraag dan beleefd of de vermeende danser zijn schoenen wil uittrekken. Komen er een paar grillig gevormde knoestjes tevoorschijn, met uitstulpingen, knobbels, pleisters en verse littekens, dan groeien daarmee de bewijzen.

Dans is een wrede roeping en choreografen zijn veeleisend. Ze voelen niet zelf de pijn die hun bewegingen oproepen en vragen altijd meer: buig dieper, gooi omhoog dat been, nog hoger, nog sneller - nu! 'Toe maar, val maar', zei George Balanchine, de grootste choreograaf aller tijden, tegen de danseres die tussen de coulissen tuimelde en voor zijn voeten opkrabbelde. 'Dat betekent tenminste dat je tot het uiterste bent gegaan.'

Steekt de incognito danser terwijl u zijn voeten bekijkt een sigaretje op, dan hoeft u haast niet meer te twijfelen. Nergens, behalve misschien in de gevangenis of in de fabriek, wordt zo veel gerookt als onder dansers. Voor en na de voorstelling, diep in de nacht, in de kleedkamer, bij het ontbijt. Al zie je daarvan op het podium niets terug, de dans staat stijf van de stress: er is plankenkoorts, twijfel over figuur, gewicht en de vorm van de dag, angst voor de moeilijke passencombinatie die telkens bijna mislukt.

Probeer ten slotte als proef op de som eens een gesprekje aan te knopen: over dans, over collega's, over hoe mooi de voorstelling was of zal zijn (onderwerpen buiten dans vallen minder goed). Krijgt u antwoord in een vreemde taal - Engels, Portugees, Russisch - dan is het bewijs geleverd. Dans is een taal zonder woorden, dus kunnen dansers werken waar ze willen. Veel dansers zijn kosmopolieten. Nederland staat bij hen hoog aangeschreven. Hier is geld voor dans, hier zijn toeschouwers die van dans houden en collega's die de moeite waard zijn.

Dansers vormen een eigen gemeenschap. Ze komen in hun sweater en versleten trainingsbroek naar de studio, maken de spieren los en vergeten de buitenwereld. Wij, het publiek, zien van hen doorgaans maar een klein, zorgvuldig opgepoetst stukje: de voorstelling. Als onder de genadeloze podiumlichten al die ingestudeerde passen zonder hapering moeten worden gepresenteerd. Onberispelijk is de danser dan, maar ook ongenaakbaar - een wezen uit een andere dimensie.

De dansfoto's in kranten en programmaboekjes zijn altijd scènebeelden, ze tonen de danser in zijn bubbel: een ongenaakbare figuur. Maar hoe is hij als het masker valt? Dat zie je zelden. Zelfs Edgar Degas, die zo intiem was met de ballerina's van de Parijse Opera dat hij hen in hun kleedkamers mocht bezoeken, schilderde hen altijd met een aureool van beheersing en elegantie.

Fotografe Tara Fallaux werkte een paar jaar in New York, leerde er veel dansers kennen - New York en Amsterdam zijn hoofdsteden van de moderne dans - en mengde zich na haar terugkeer tussen de dansers in Nederland. 'Dansers worden altijd getoond als bovennatuurlijke schepsels', zegt ze. 'Ze lijken engelen. Ook in het dagelijks leven houden ze graag de schijn op. Hun andere kant krijg je niet snel te zien. Alleen kort na de voorstelling, als ze net van het podium zijn, dan hebben ze nog de afwezigheid die ik zoek.'

Dus wacht Tara Fallaux tussen de coulissen totdat het applaus verstomd is. Het lichaam van de danser is al in de kleedkamer, het hangt in een stoel of leunt tegen de muur - het heeft voorlopig zijn plicht gedaan. Maar zijn bewustzijn is nog aan de andere kant van het gordijn, daar waar hij zich zo-even in het zweet werkte om een illusie waar te maken.

In sommige opzichten zijn deze foto's verwant aan sportfotografie. In sporters die zojuist een prestatie hebben verricht, herken je dezelfde afwezigheid. We zien hoe de hardloper voorovergebogen uithijgt op een bankje, en vermoeden dat zijn gedachten de finish nog niet gepasseerd zijn.

Er is een belangrijk verschil: de sporter doet tijdens een wedstrijd geen moeite te verhullen dat hij zich inspant, je ziet zijn vermoeidheid groeien. Zweet, hijgen, verwarring - het hoort erbij.

Zoniet bij de dans. Aan deze kant van het gordijn moet alles moeiteloos lijken: geen stap klinkt, geen ademtocht wordt gehoord. Maar als het doek valt, is dat abrupt voorbij. De schouders zakken, de mond hangt open, en in de ogen zie je hoe de concentratie geleidelijk plaats maakt voor voldoening.

Ook aan die ogen kun je een danser herkennen.

Meer over