Gesleep met dieren is van alle tijden

Steeds heviger woedt de discussie over preventief ruimen en het inenten van vee tegen mond- en klauwzeer. Maar over één ding in de jongste crisis in de veehouderij lijkt bijna iedereen het eens: met het 'gesleep met dieren' door heel Europa moet maar eens afgelopen zijn....

Daarbij wordt de suggestie gewekt alsof het vervoeren van dieren over grote afstanden iets van de laatste jaren is en verband houdt met de intensieve veehouderij.

Maar niets is minder waar. Het gesleep met dieren is iets van alle tijden, zegt agrarisch historicus J. Bieleman. De veehouderij heeft de 'natuurlijke neiging' om zich te clusteren, zegt zijn collega, professor R. Huirne. 'Als je dat wilt veranderen, moet het hele systeem op zijn kop.'

In de zeventiende eeuw al werden jaarlijks tienduizenden ossen uit het Deense Jutland naar Holland vervoerd. Hollandse rundveehouders waren gespecialiseerd in melk- en kaasproductie. Het vlees voor de bemanning van de koopvaardijschepen moest van elders komen, in dit geval uit Denemarken.

Kuddes van honderden dieren tegelijk werden over zogenoemde 'ossenwegen' gedreven, zegt Bieleman. 'De trek begon in februari. In mei waren de dieren hier. Ze werden in de Beemster afgeweid en in het najaar waren ze klaar voor de slacht. En net als nu reisden ziektes met het vee mee.'

Zuid-Duitsland werd op diezelfde manier bevoorraad uit Wit-Rusland, waar in de achttiende eeuw de runderpest vandaan kwam. Tussen 1769 en 1784 bezweken alleen al in de provincie Holland meer dan 400 duizend runderen.

Preventief geruimd werd er toen nog niet, niet in Nederland tenminste. 'Wel in het buitenland, maar in Nederland was het centraal gezag nog niet sterk genoeg.' Dat was het wel toen in 1865 de 'Great Plague' uitbrak, een pest uitbraak die dood en verderf zaaide onder het vee in Europa.

In Nederland vielen de gevolgen mee, mede dankzij preventieve ruiming, vervoersverboden, en kordons van het leger om de ziekte te isoleren. Er stierven 78 duizend dieren; 37 duizend beesten werden uit voorzorg geslacht.

Ook in de negentiende eeuw was er een levendige handel in vee. In 1863 werden ruim 150 duizend koeien geëxporteerd naar Engeland, drie keer meer dan de totale uitvoer van levend rundvee in 1999.

In 1875 ging bijna een half miljoen schapen het Kanaal over, naar Duitsland en België gingen honderdduizenden varkens.

Veehouders klitten altijd bij elkaar, omdat dat kostenvoordelen oplevert, zegt Huirne, professor agrarische bedrijfseconomie. 'Door de concentratie komt er een infrastructuur van slachthuizen, dierenartsen en voederproducenten. Dat maakt de productie goedkoper.'

Zo heeft Nederland zich in de loop der jaren ontwikkeld tot dé specialist in intensieve veehouderij. Op de arme zandgronden in Brabant, Twente en op de Veluwe groeit niks, maar stallen kunnen er wel staan. Koeien hebben gras en weiden nodig, maar varkens, kippen en kalveren worden grootgebracht op krachtvoer dat in bulk wordt aangevoerd door de haven van Rotterdam. Zo kon de intensieve veehouderij met steun van de overheid tot grote bloei komen, aldus Huirne.

Nederland is de kraamschuur voor biggen en de kalvermester van Europa. Ons land voert jaarlijks honderdduizenden kalveren in, vooral uit Ierland en Groot-Brittannië, om hier te worden gemest en vervolgens weer geëxporteerd, want Nederlanders zelf eten nauwelijks kalfsvlees. Het is volgens Huirne allemaal een logisch gevolg van de liberalisatie van de handel en de open grenzen.

'Het is een illusie te denken dat je de veehouderij mooi kunt spreiden. Specifieke sectoren hebben altijd de neiging bij elkaar te klitten. Wat je wel kunt doen is transporten met veel risico zoveel mogelijk vermijden.' Transport van jonge dieren van het ene bedrijf naar het andere brengt veel gevaar op ziektes met zich mee; het transport van vlees is veel minder risicovol.

Je zou er daarom naar kunnen streven alles zoveel mogelijk in dezelfde regio te slachten en het vee alleen nog als vlees te vervoeren, aldus Huirne. 'Maar dat heb je niet zomaar voor elkaar. Daarvoor moet het hele systeem veranderen.'

Een praktijk van eeuwen is niet in een paar dagen afgeschaft, aldus Bieleman. 'Dat vereist een bijna napoleontische staatsdwang.'

Meer over