Geschenk uit de hemel in het hoogveen

De Verenigde Naties hebben 2010 uitgeroepen tot het jaar van de biodiversiteit. De afname van de soortenrijkdom moet dit jaar tot staan worden gebracht....

Door Caspar Janssen

Daar is-ie dan eindelijk: de kraanvogel. Eigenaardige gevleugelde vriend. Groot, hoog op de poten, struisvogelachtige staart, rode kruin. Befaamd vanwege de indrukwekkende paringsdans.

Nu vliegt hij het gebied uit waar we al een halve dag naar hem hadden uitgekeken en daalt neer in een nabijgelegen weiland. ‘Daar blijft hij wel even. Die gaat lekker eten’, weet Herman Feenstra, vogelwacht en enige vaste, menselijke bewoner in het Fochteloërveen, het grootste hoogveengebied van Nederland, waar de kraanvogel sinds 2001 broedt.

De komst van de kraanvogel was een geschenk uit de hemel voor Natuurmonumenten, de beheerder van het veen. Jarenlange, miljoenen kostende investeringen om de verdere afbraak van de laatste stukken hoogveen tegen te gaan, om het verdroogde veengebied weer nat en ‘levend’ te krijgen, hadden al vruchten afgeworpen. Maar met de terugkeer van de broedende kraanvogel in Nederland, in het Fochteloërveen, na vele eeuwen van afwezigheid, kreeg Natuurmonumenten een ideaal symbool in de schoot geworpen om al die inspanningen te rechtvaardigen. Want de kraanvogel heeft rust, ruimte en vochtige vegetatie nodig, uitgestrekte moeras- en veengebieden dus, met weinig verstoring. Precies zoals het Fochteloërveen in het ideale geval zou zijn. En vroeger ook was, voordat het turfsteken begon.

‘De kraanvogels hebben ook geprobeerd om te nestelen in andere natuurgebieden in de omgeving, maar daar is het mislukt, vanwege de drukte en de versnippering’, zegt Feenstra. ‘Dat het hier wel lukte, en nog steeds lukt, zegt iets over de toestand van het hoogveen, over de grootte van het gebied en de rust hier.’

Feenstra, die zijn brood verdient met het inventariseren van de vogelstand in het Fochteloërveen en in andere gebieden, mag zich de ontdekker noemen van de geboorte van het eerste kraanvogelkuiken. De euforie was groot. Tsuru, zo doopte Natuurmonumenten het kuiken, want dat betekent kraanvogel in het Japans, en in Japan staat de kraanvogel symbool voor een lang leven.

Geboortekaartje
De beheerder stuurde een geboortekaartje de wereld in. Op dat kaartje werd alles en iedereen bedankt die zich had ingespannen voor het weer nat maken van het veen. Een lange lijst met provincies, waterschappen, het ministerie, de Europese Commissie, Natuurmonumenten zelf en vele anderen. Want vanzelf is het niet gegaan en er waren ook heel wat miljoenen (uit Europa, van de Postcode Loterij, etc.) voor nodig.

Daar kan Willem Klok, een van de beheerders in het gebied, over meepraten. Kernachtig samengevat luidt de hoogveenproblematiek zo, zegt hij: ‘Water vasthouden op een omgekeerd soepbord. Dat is wat we hier doen.’ Ter illustratie: het op drie kilometer afstand van het veen gelegen dorpje Fochteloo ligt vijf meter lager dan het veen.

Toen Klok, zelf een boerenzoon afkomstig uit het gebied, in 1979 voor Natuurmonumenten in het Fochteloërveen kwam te werken, was het veen er dramatisch slecht aan toe. Het Fochteloërveen was weliswaar al in 1938 uitgeroepen tot een van de laatste te behouden stukjes hoogveen van Nederland, maar het gebied was sindsdien alleen maar verder verdroogd. Logisch: de gebieden rondom het hoogveen waren na het stoppen van de turfwinning ontgonnen voor de landbouw. Daarvoor moest het grondwaterpeil omlaag, drainage deed de rest. Gevolg: het water sijpelde weg uit het hoogveen.

Klok begon in 1979 samen met een aantal weggesaneerde boeren ‘met de schop en de kruiwagen’ de greppels van de sloten dicht te gooien. Maar al snel was duidelijk dat er meer moest gebeuren. In 1985 werd besloten tot een groot herstelproject dat tot op de dag van vandaag loopt. Er kwam een hydrologisch inrichtingsplan, er werden damwanden om het hele gebied gelegd om het regenwater vast te houden. Toen dat nog niet het gewenste resultaat had, werd het gebied onderverdeeld in veertig compartimenten met damwandjes eromheen. Dat had wel succes, het veen begon weer te ‘werken,’ het ‘levend hoogveen’ was terug. Willem Klok: ‘Eindelijk.’ Hij laat het graag zien. In het gebied wijst hij op recent gegroeid veenmos. Met daaromheen lavendelheide en witte bolletjes wollegras en veenpluis. Her en der jagen boomvalkjes op libellen.

De volgende fase van het plan is inmiddels in werking. Om het uitgestrekte hoogveengebied van 2.000 hectare heeft Natuurmonumenten nog 1.300 hectaren grond verworven, als buffer waar het grondwaterpeil omhoog wordt gebracht. In het kantoor van Natuurmonumenten wordt juist vandaag druk overlegd over regelen van de waterhuishouding in dat gebied. Ook dat gaat niet vanzelf, daar komen heel wat sluisjes en pompen bij aan te pas.

Er zijn, kortom, nogal wat kunstgrepen nodig om het hoogveen te redden. ‘Ja, dat kan ik niet ontkennen’, zegt Klok. ‘Ik hoor het ook vaak: jullie slaan damwanden, dat is kunstmatig. Maar het doel is dat de waterhuishouding zich uiteindelijk weer zelf kan bedruipen. En als het veenmos zich zo blijft ontwikkelen kan het straks ook een damwanddoorbraak hebben. Dan herstelt het veen zich op eigen kracht.’ En dat is het mooie, wonderbaarlijke van hoogveen, vindt Klok: ‘Een veenmospakket is een soort spons. Als het nat wordt zwelt het op, als het droger wordt zakt het in elkaar. De hoeveelheid regenwater is dan bepalend. Zo is het veen in eeuwen tijd ook ontstaan.’

En ja, het is de moeite waard om de laatste paar duizend hectaren (van de ooit 100 duizend hectaren) te bewaren, ondanks alle kosten. Vindt Klok. Vanwege de cultuurhistorie, vanwege de biodiversiteit en vanwege de behoefte aan rust en ruimte. Klok: ‘Dit landschapstype is zeldzaam. En het zit hier vol met zeldzame soorten, van libellen tot slangen.’

Opmerkelijk: ook bij veel boeren in de omgeving kan het hoogveen op sympathie rekenen. ‘Ze zijn opgegroeid met het veen, ze hebben zelf vaak nog in het veen gewerkt.’

Later die dag doet Herman Feenstra een rondje vogelspotten. Het paapje, de roodborsttapuit en de boomvalk worden afgevinkt. Wat Feenstra betreft behoort het Fochteloërveen tot de top vijf natuurgebieden in Nederland. ‘Even uniek als de Waddenzee, het Lauwersmeer en de Oostvaardersplassen.’ En dat alleen al vanwege het grote aantal dieren- en plantensoorten in het gebied. ‘Dat de kraanvogel hier kwam had al niemand voor mogelijk gehouden. Maar wat te denken van het paapje. Er zitten hier wel honderd paartjes. Dat is een bronpopulatie.

‘Maar eigenlijk zit alles hier: 35 soorten libellen, alle Nederlandse slangen, zowat alle roofvogels. De slangenarend jaagt hier, de zeearend zie ik almaar meer, er is net nog een roodpootvalk gezien. En voor trekvogels is dit een enorm belangrijk fourageergebied. Vorig jaar zaten hier tienduizend toendrarietganzen, om maar wat te noemen.’ En dan heeft hij het nog niet over de marters, de das en de vos. En over de zeldzame veenmossoorten. En, natuurlijk: het veenhooibeestje, ‘een echt hoogveenvlinder’. Feenstra kan, zo zegt hij, ‘ eigenlijk geen gebied bedenken dat zo succesvol is opgeknapt. Hoe meer schakels van het systeem werken, hoe beter het systeem functioneert. Dat zie je hier nu gebeuren.’

Maar er blijft genoeg te mopperen over. Feenstra hoeft maar in de lucht te wijzen om te zien wat hij bedoelt: vliegtuigjes en vliegtuigen van vliegveld Eelde, dat op twintig kilometer afstand ligt.

‘Het wordt almaar meer. Terwijl dit toch stiltegebied is.’ In zijn hoedanigheid als birdwatch en ‘wetlandwacht’ heeft Feenstra al verschillende malen aan de bel getrokken. ‘Maar er verandert niets.’ Vooral de laagvliegende les- en sportvliegtuigjes zijn Feenstra een doorn in het oog. ‘Ze draaien voor de lol rondjes, terwijl momenteel gierzwaluwen, en ook andere vogels voedsel zoeken in de lucht boven dit beschermde gebied. In de herfst en de winter vliegen hier soms meer dan 100.000 vogels. Alleen voor de veiligheid moet je hier dan al wegblijven.’

Feenstra ziet nog wel meer bedreigingen. ‘Wat ik niet begrijp is dat ze dat spotje van de Postcode Loterij over de kraanvogels uitzonden vlak voor het broedseizoen begon. Dat trok meer bezoekers. Dit voorjaar is er, door verstoring, ook een van de drie of vier legsels verloren gegaan. Je begrijpt: ik heb dubbele gevoelens over de toegenomen aandacht voor het veen. Er zijn mensen die zich niet aan borden storen en zonder het te weten kraanvogels verstoren. Het toezicht is daarom nu ook verscherpt.’

Feenstra is ook al niet blij met een fietspad van een nieuwbouwwijk naar het hoogveengebied en met de uitbreiding van Assen met een nieuwe woonwijk tot aan de rand van het natuurgebied. ‘Het is gek hoe het hier in het Noorden werkt. Aan de ene kant is er een grote tolerantie om van het Fochteloërveen een groot, sterk en hoogstaand natuurgebied te maken. Aan de andere kant is er ook een hoge tolerantie om de boel te verstoren met andere activiteiten.’

Terug bij het weiland, even buiten het gebied. De kraanvogel vliegt na een kwartiertje weer op, weggejaagd door twee boze kieviten. Met mooie, lange vleugelslagen vliegt hij het veen weer in.

Meer over