Gerrit Komrij dichtte op zijn twintigste al vormvast

Bijna 50 jaar nadat Gerrit Komrij debuteerde las Arjan Peters diens allervroegste, al vormvaste gedichten.

Beeld Eva Roefs

Een gedicht hoefde niets te zijn behalve mooi, vond Gerrit Komrij (1944-2012). Tijdens het schrijven begon hij zich echter aan zijn eigen schoonheidsdrang te ergeren, zodat hij zijn best ging doen het gedicht te vermoorden, met een laatste regel als doodsteek. Poëtische kamikaze. Vanuit het niets naar het niets - al was het tussen die twee stilten luid geweest.

Met gedichten die meestal bestonden uit drie rijmende kwatrijnen, tezamen twaalf regels, evenveel als zijn naam aan letters telde, kwam Komrij in 1968 als een vreemd fabeldier de Nederlandse poëzie binnen.

Het 50-jarig jubileum van zijn debuut Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten zal op 18 februari worden gevierd met een literaire middag in De Nieuwe Liefde in Amsterdam. Dan zal ook een nieuwe uitgave van zijn verzamelde gedichten het licht zien.

Voor wie niet kan wachten op de onbekende gedichten die daarin zijn opgenomen, is er De getikte toestand, een bibliofiele uitgave van negenenveertig gedichten die Komrij schreef in de jaren 1964-1967 (De Carbolineum Pers; euro 75,-).

Hij was toen net 20 jaar, vond dat hij met een vriendin voorgoed op Kreta moest gaan wonen, maar was vlak voordat hij afreisde ook verliefd geworden op Charles Hofman, de 18-jarige hulppastoor bij de Oosters-Orthodoxe kerk van ene vader Serapion die (volgens een typering van aanstaand Komrij-biograaf Arie Pos) diensten hield op een zolder in de Hartenstraat voor een klein gezelschap van 'exotisch ritueel zoekende nichten, waan- en kunstzinnigen'.

Verwarrende jaren, die leidden tot de roman De lange oren van Midas, maar dus ook tot vele gedichten, die beide dit jaar pas zijn gepubliceerd.

De jonge Komrij is ook in versvorm nog zoekende, de vaste vorm is er al maar de woorden en het ritme haperen nog. De beelden zijn vaak wel al bijzonder en zijn toon is frank.

Over een zekere Hans: 'De narigheid begint wanneer ik stante/ Pede zijn koele facie en zijn jongensnek zie./ Nasnede is perfekt, gewoon een geile tante./ En ik loop dagen rond met een erektie.'

De medemens moet soms ook op afstand worden gehouden, maar dat durft hij alleen in zijn fantasie: 'Zal ik doden die mij haatte?/ Ja, ik dwing hem op de knieën!/ Ik loop door. Alles met mate./ En het is ook al bij drieën...'.

Dat doet denken aan zijn latere variant van het Egidius-lied: 'Egidius, waer bestu bleven/ Het is al twintig over zeven.'

Gerrit Komrij reserveerde de doodsteek niet uitsluitend voor zijn eigen verzen.

Meer over