Gergjev Festival eindigt eendrachtig en helder

Rotterdam Er heerst op het Gergjev Festival een intens schemerduister in de Rotterdamse Arminiuskerk. In de schijnwerpers zitten de musici van Zefiro Torna, voorzien van een heel arsenaal aan instrumenten, waaronder fluiten, kromhoorns, een contrabas, saxen, een doedelzak, bandoneon en een tromba marina....

Dat is kenmerkend voor de benadering van het Vlaamse gezelschap, dat zijn wortels heeft in de oude muziek, maar zich liefst weinig aantrekt van historische rooilijnen. Eigen werk van de spelers staat hier broederlijk naast muziek van vijf- of zevenhonderd jaar geleden, en het ensemble volgt de oude notentekst niet slaafs, maar werkt er inlassen en improvisaties van eigen hand doorheen.

Latijns-Amerikaanse ritmes en intonaties uit het Nabije Oosten verlevendigen renaissance-polyfonie, en ook de werelden van Greensleeves en The House of the Rising Sun schemeren erdoorheen, maar dankzij het perfecte spel en gevoel voor evenwicht van het ensemble is er van slappe stijlmix geen sprake. Het enige manco is de wiebeligheid van de door de musici zelf geleverde achtergrondkoortjes.

Het thema van het Gergjev Festival, Resurrection – a story of Rotterdam, lijkt op het eerste gezicht ver te zoeken, maar omdat er in de Middeleeuwen dikwijls sprake was van apocalyptische profetieën is de link met het bombardement dat Rotterdam zeventig jaar terug trof toch aanwezig. Het belet de musici niet er allervermakelijkste teksten doorheen te vlechten, zoals Blason du laid tetin van Clemens non Papa, waarvan de volledige strekking pas duidelijk wordt als na afloop het tekstblaadje weer leesbaar is: ‘Tiet verdord, tiet die moet gestut/ tiet verlept, tiet die is uitgeput/ met vrekkig slik in plaats van melk’, en woorden van vergelijkbare strekking.

In de nachtlounge, diezelfde avond in De Doelen, worden de eeuwen opnieuw overspannen door het Rubens Kwartet. De 28-jarige Joey Roukens maakte een fascinerende strijkkwartetbewerking van het motet Planxit autem David van renaissance-grootmeester Josquin Desprez. Het krijgt een eigentijdse entourage, met projecties van videokunstenaar Barkode. Pianist Guy Livingston brengt ketens van éénminutenstukken, gecomponeerd naar aanleiding van korte filmpjes. De beelden bevatten veel waterige rimpelingen, en de noten veel verwaterde echo’s van Debussy en Ravel, maar Livingston biedt tegenwicht met even vurig als strak spel.

Voor intermezzo’s zorgt natuurlijk de welbespraakte Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr, de intellectuele tegenvoeter van Deelder, die andere geboren Rotterdammer en redenaar.

Voorafgaand aan het slotconcert van het Rotterdams Philharmonisch Orkest kan Hans Waage met trots melden dat het Gergjev Festival 19 duizend bezoekers heeft getrokken. Het multifunctionele thema van volgend jaar luidt The Sea & the City. ‘Nederlandser kan het bijna niet’, tekent de kennelijk taalblinde orkestdirecteur aan.

Mahlers Tweede Symfonie, met zijn slotkoor op Klopstocks gedicht Aufersteh’n, vormt een adequate lofzang op zeventig jaar wederopbouw. Hiertoe heeft het orkest samenwerking aangeknoopt met de koren Collegium Vocale Gent en Accademia Chigiana Siena. Het bij elkaar tachtigkoppige ensemble streeft met zijn eendrachtige en klaarheldere geluid alle andere grote koren in Nederland ver voorbij.

Nadat dirigent Yannick Nézet-Séguin alle catastrofes en worstelingen van de voorgaande delen op verfijnde wijze in goede banen heeft geleid, zorgt het voor een apotheose die zelfs de herrijzenis van Rotterdam in de schaduw stelt.

Meer over