Gepeupel hypothese

De poes moest geopereerd worden, en dus ging ik naar de dierentuin om wat dierlijker te worden en een eigenschap op te pikken - een geur, een klank, een maatschappelijk geaccepteerde vorm van onverschilligheid - die haar gerust zou stellen....

Marjolein Februari

Ik voelde me, als eenzame bezoeker, naast dit exhibitionisme van liefde en bont en een beetje buitengesloten. Dus peinsde ik wat over onze menselijke behoefte aan gezelschap en herinnerde me wat een ethicus van Duitse afkomst over die behoefte ooit zei: 'Mensen zijn gezellig levende dieren.' Waarmee hij niets anders bedoelde dan dat wij in roedels leven. In kudden, scholen, troepen. Het was een onwezenlijke gedachte, nu ik daar zo helemaal alleen stond in die uitgestorven dierentuin, terwijl alle solitaire dieren gezellig met elkaar hokten.

Eigenlijk moet je niet teveel aan moraal denken in de dierentuin. Ja, ik weet wel dat het tegenwoordig je-van-het is, op ieder moment van de dag aan moraal denken, maar ik vind toch dat het in de dierentuin niet hoort. Liever gezegd, ik denk dat het in de dierentuin geen zin heeft. Want ondanks de populariteit van allerlei biologische verklaringen voor onze moraal, geloof ik niet dat de dierenwereld ons veel leert over onszelf. Kortom, ik had er die ochtend gewoon genoegen mee moeten nemen dat ik inmiddels een beetje naar leeuw rook, en dat ik kon blaffen als een zeehond - maar in plaats daarvan stond ik bij de apen alweer na te denken over het menselijke groepsleven en de charmes van het ethisch egoïsme.

Eerlijk gezegd hoef je niet lang na te denken om in te zien wat het ethisch egoïsme tot zo'n grappige theorie maakt. In feite gaat de ethiek er vanuit dat mensen in roedels en troepen leven. Ethiek houdt zich immers bezig met de morele aspecten van ons sociale gedrag: als we helemaal solitair zouden leven, hadden we geen moraal nodig. En precies dit idee van de mens als gemeenschapsdier maakt het ethisch egoïsme zo opzienbarend, want dit egoïsme plaatst de mens als solitair in het hart van de morele gemeenschap.

Uitgangspunt van het ethisch egoïsme is de gedachte dat de mens maar één morele verplichting heeft: het bevorderen van zijn eigen welzijn, zijn eigen plezier, zijn eigen geluk. Natuurlijk kan de egoïst ook wel aan anderen denken, maar dan alleen om uit te rekenen of het gedrag van die anderen in zijn eigen voordeel is of niet. Als je het eerlijk bekijkt is het ethisch egoïsme een uiterst elegante theorie, want er ontstaan maar weinig morele dilemma's door en nauwelijks onbeantwoordbare vragen.

Nu heeft het ethisch egoïsme helemaal niets te maken met de vraag of wij ook van nature egoïsten zijn. De theorie geeft ons het dwingende bevel egoïstisch te zijn, los van de vraag of dat wel in onze aard ligt. Maar ja, om het bevel extra kracht bij te zetten, beweren de voorstanders van het ethisch egoïsme toch meestal ook dat wij van nature zo zijn: uit op ons gewin en voortdurend vol van eigenliefde. Zelfs als we altruïstisch zijn, zijn we altruïstisch uit egoïsme.

Deze zet van de ethisch egoïsten blijkt niet zo handig, want juist de bewering dat de mens van nature egoïstisch is, heeft in de loop der tijden nogal wat kritiek uitgelokt. Er zijn onderzoeken geweest om aan te tonen dat de mens van nature wel degelijk in strijd met zijn eigenbelang handelt. Er zijn biologen, sociologen, filosofen en economen geweest die het aangeboren altruïsme van de mens hebben bezongen. Maar de mooiste bijdragen aan het egoïsme-debat kwamen van organisatiekundigen, die de mens verdedigden tegen de verdenking dat hij niet veel meer is dan gespuis.

In de praktijk gelooft helemaal niemand meer dat mensen puur door eigenbelang worden gedreven, schreef de organisatiekundige Elton Mayo al in 1945. Managers weten dat werknemers geen solitair levende dieren zijn, maar groepsdieren, die belang hechten aan samenwerken en samenleven. Alleen theoretici en denkers houden koppig vast aan de rabble hypothesis, de gepeupel-hypothese, uitschot-veronderstelling, rapalje-premisse. Alleen de denkers beschouwen de mens nog maar steeds als een egoïstische dommekracht die moet worden gemanipuleerd met sticks and carrots, met beloning en straf.

Deze kritiek van Mayo kreeg in de sociale wetenschap nogal wat navolging, en je zou denken dat na al die jaren de gepeupel-hypothese wel uit ons denken was uitgebannen. Maar tot mijn grote verbazing dook de hypothese het laatste jaar weer overal op. In de uitspraken van denkers die het hele Nederlandse volk tot 'gespuis' bestempelden; in de oproep van ingezonden brievenschrijvers om ons stemgedrag te laten afhangen van ons loonstrookje; in de bewering dat kunst iedereen tot voordeel moet strekken; in politieke analyses, maatschappelijke commentaren en intellectuele essays. Overal de hypothese dat we slechts uit zijn op eigen gewin. Tuig zijn we, uitschot, gepeupel.

Jawel, ik blijf het een grappige theorie vinden, het ethisch egoïsme, maar overtuigd ben ik niet. Want net als Elton Mayo en al zijn navolgers geloof ik vooral niet dat de mens egoïstisch is van nature. En daarom was het dat ik, kijkend naar de twee slapende solitaire lynxen, een moment lang grote zorgen maakte over de recente terugkeer van de gepeupel hypothese.

Hoe het met de poes is afgelopen? Na haar operatie leek ze inderdaad gerustgesteld toen ik naar leeuw bleek te ruiken. Maar zelf was ik onrustig, want ik wist niet of ik haar nu moest opkalefateren met een schoteltje advocaat of niet. Ja, zei de ene ervaringsdeskundige, eieren zijn goed voor de poes. Maar een ander schetste met brede streken de uiterst vervelende situaties waarin je kunt terechtkomen met een ladderzatte poes in huis, en zo bleef ik maar tobben.

Meer over