Genuanceerd overzicht van jodenvervolging

FRANKRIJK MOET zijn annalen opnieuw schrijven om ze in overeenstemming te laten zijn met de vooruitgang van de intelligentie', zei Chateaubriand, die daarmee het moderne besef tot uitdrukking bracht dat elke generatie historici de geschiedenis dient te herschrijven vanuit nieuwe perspectieven....

Ook in het onderzoek naar de jodenvervolging, die zeker in Nederland in de beleving van de Tweede Wereldoorlog een centrale plaats is gaan innemen, is de fakkel overgenomen door jongere, niet-joodse, historici die in tegenstelling tot Herzberg, Presser en De Jong de jodenvervolging niet aan den lijve hebben ondervonden. Zij kennen het onschatbare voordeel om op de schouders van deze voorgangers te kunnen staan, want al in een vroeg stadium hebben 'de grote drie' hoge kwaliteitsnormen gesteld bij het schrijven van hun meeslepende synthesen, die nu door jongere historici geduldig worden genuanceerd.

Zij missen het morele krediet van het slachtofferschap en zijn zich daarvan bewust. Hun enige wapen is dat van wetenschappelijke precisie. Zij berichten over hun onderzoek in een stijl die tot op het bot is uitgekleed. Van het recente detailonderzoek geeft de Engelse historicus Bob Moore in Victims and Survivors - The Persecution of the Jews in the Netherlands during the Second World War een boeiend, samenbundelend overzicht. Zijn boek kan nu al een nieuw standaardwerk worden genoemd.

Het verkoopsucces van Daniel Goldhagen (Hitlers gewillige beulen) en het publieke debat over de verklaring van het hoge percentage (78 procent) uit Nederland gedeporteerde joden laten zien dat het publiek ter compensatie van de vergruizing van het algemene beeld behoefte heeft aan zulke grote synthesen: aan boeken waarin oorzaak en gevolg weer op een heldere manier met elkaar worden verbonden en waarin duidelijk wordt wat er eigenlijk gebeurde, hoe de moord zich voltrok, wat voor mensen de daders en de slachtoffers waren.

Ook in Victims and Survivors staat de vraag naar het hoge percentage omgekomen joden in het middelpunt. Maar Moore neemt geen genoegen met simpele verklaringen en schrijft met distantie. Presser begon zijn Ondergang met de geladen woorden: 'Dit boek behelst de geschiedenis van een moord.' Moore begint met een zakelijke historiografische inleiding. Hij is zich ervan bewust dat zijn koele analyses van statistieken, archiefmateriaal en literatuur het zicht kunnen ontnemen 'op de tienduizenden individuele tragedies die plaatsvonden toen de moorddadige politiek van de nazi's in praktijk werd gebracht'. Dat hoeft geen bezwaar te zijn; voor persoonlijke getuigenissen kan men elders volop terecht.

Spijtiger is dat Moore ervan heeft afgezien de karakters te portretteren. Van De Jong had hij kunnen leren dat zoiets heel goed mogelijk is zonder in gratuit gepsychologiseer te vervallen. De lezer wil in het web van organisatorische structuren en commandolijnen, dat Moore feilloos weet te ontwarren, ook een beeld krijgen van de mensen die achter al die verstrekkende besluiten en maatregelen schuilgaan: wie waren Arthur Seyss-Inquart en de voorzitter van de Joodse Raad, prof. David Cohen?

Anders dan Presser betrekt Moore, die een uitstekend proefschrift over de joodse vluchtelingen in de jaren dertig schreef (Refugees from Nazi Germany in the Netherlands, 1933-1940; Nijhoff, 1986), ook het voor- en naspel in zijn verhaal. Alleen de lotgevallen van de gedeporteerden in de kampen laat hij buiten beschouwing. Zijn thema is immers: waarom konden zoveel joden zonder veel verzet of zelfs maar tegenwerking worden gedeporteerd?

Hij beantwoordt die vraag door de bezettingsgeschiedenis van Nederland te vergelijken met die van België en Frankrijk. Hij verklaart het 'succes' van de nazi's in Nederland uit een complex samenspel van factoren, die hij stuk voor stuk op een goudschaaltje weegt: de beperkte en pas laat ontstane onderduikmogelijkheden, het gevoel van veiligheid en gezagsgetrouwheid van zowel joden als niet-joden, de grote invloed van de nazi-partij en de SS in Nederland, de concurrentie tussen de Duitse instanties, en de geïsoleerde positie van de joden in een verzuilde maatschappij. Anders dan in andere landen hadden de Duitse joden, aan wie Moore een boeiend hoofdstuk wijdt, hier wel een goede kans om de dans te ontspringen, evenals trouwens de gemengd-gehuwden.

Dit alles is niet nieuw, maar Moore heeft alle bevindingen van het recente onderzoek nauwgezet verwerkt. Zowel het verzet van de joden als de rol van de Joodse Raad is door detailstudies in een nieuw licht komen te staan, maar ook bijvoorbeeld de medeplichtigheid van de Nederlandse elites en ambtenaren, in het bijzonder van de politie, zijn onderwerp geweest van veel debatten.

Een enkele keer heeft Moore iets nieuws te melden. Zo blijkt uit archiefonderzoek dat het terugsturen van joodse vluchtelingen voor de haven van IJmuiden op 14 mei 1940 niet moet worden verklaard uit bureaucratische onverschilligheid van de Nederlandse autoriteiten, maar uit het voornemen van de Britse marine de haveninstallaties voor de komst van de Duitsers te vernietigen. Niet minder schrijnend blijft natuurlijk dat de laatste schepen daarom maar halfvol naar Engeland vertrokken.

Een voorbeeld van Moore's genuanceerde aanpak is het gedeelte waarin hij ingaat op de verschillende factoren die bepaalden welke joden erin slaagden te overleven en waarom de joden in de ene gemeente (Enschede bijvoorbeeld) grotere overlevingskansen hadden dan in andere. Een aanzet tot een vergelijking van deze lokale verschillen wordt geleverd in de door Nederlandse sociologen en historici verzorgde bundel De organisatie van de bezetting (Amsterdam University Press, 1997; besproken door Bart van der Boom in Cicero van 25 juli).

De vergelijkende methode kan aan betekenis winnen als deze zich niet langer beperkt tot België en Frankrijk. Deze landen vormden met hun militaire bezettingsbesturen in meer dan één opzicht een uitzondering onder de door de Duitsers bezette gebieden.

De waarde van Victims and Survivors is vooral gelegen in het feit dat het een overtuigende synthese biedt van het recente onderzoek. Dat een buitenlander zo'n synthese voor zijn rekening neemt, kan verbazing wekken. Maar Moore heeft illustere voorgangers (John Motley, Simon Schama, Jonathan Israel), die net als hij erin slagen het publiek een heldere spiegel voor te houden van een belangrijke periode uit de Nederlandse geschiedenis.

Dick van Galen Last

Bob Moore: Victims and Survivors - The Persecution of the Jews in the Netherlands during the Second World War.

Arnold; 340 pagina's; ¿ 65,65.

ISBN 0 340 69157 3.

De vertaling verschijnt in de herfst bij Bert Bakker.

Meer over