Gentse arbeiders in opstand

Vijf dagen lang stond Gent in 1839 in rep en roer. Begin oktober brak in 'het Manchester van het continent', de toen belangrijkste textielstad op het vasteland, 'het katoenoproer' uit....

Het misnoegde Gentse 'grauw' protesteerde, 'het schuim van de straat', en trok in processie naar het gouvernement. Er waren meer dan twaalfduizend kantoenarbeiders bij de actie betrokken. Het oproer in de rebelse cotton city was een wanhoopskreet; de Gentenaars, concludeerde een tipgever van de Staatsveiligheid, 'waren het niet waard om deel uit te maken van België'.

Gita Deneckere, als onderzoeker verbonden aan de vakgroep nieuwste geschiedenis van de Universiteit Gent, ontrafelde het bijkans vergeten oproer. In Het katoenoproer van Gent in 1839 - Collectieve actie en sociale geschiedenis (SUN Memoria; F 29,50) reconstrueert ze, aan de hand van de vele in de archieven bewaarde documenten, de geschiedenis van 'een demonstratie'. Het is een gevalsstudie, een verhaal over Gentse spinners, fabrikanten, orangisten en radicalen, een geschiedenis van 'de sociale verhoudingen in een vroeg-negentiende-eeuwse stad op de drempel van de industrialisering'.

De studie van zo'n opstand, meent Deneckere, 'past in een queeste naar de gewone man'. In het spoor van de historicus Michel de Certeau, die veel over de prise de parole van onmondige arbeiders heeft geschreven, vertelt ze over de kleine en anonieme held van het dagelijkse leven. Het is een history from below, onderzoek naar de 'kleine luyden'.

Anders dan de Annales-school, de Franse mentaliteitsgeschiedschrijving die begrippen als longue durée en 'traagheid' hanteert, verkiest Deneckere 'beweging, actie en handelingsvrijheid'. Haar micro-geschiedenis is een pleidooi voor een geschiedschrijving die het verhaal in ere herstelt; de historie kan ook anders dan via het getal worden bestudeerd.

De Belgische koning Leopold I begreep de ware betekenis van het oproer niet. De korzelige Leopold zag achter elke boom een republikein of orangist. De Gentenaars, zei hij, streden tegen het jonge Koninkrijk België. De arbeiders, die zich rechtstreeks tot de vorst wendden en niet tot het parlement, waren voor hem grauwe en ruige opstandelingen.

De arbeiders echter kwamen vooral in opstand tegen de 'schrikkelyke duerte der levens-middelen'. De Gentse spinners vormden een aristocratie binnen het groeiende fabrieksproletariaat. Ze waren geschoold en namen geen blad voor de mond. Ze dreigden in de fabrieken 'alles in stukken te smyten'. Sommige dronken arbeiders zongen, op de toon van pierlala, 'weg met legenpold'.

De Garde Civique trad tijdens de onlusten hard op. Het leger werd uitgedaagd: 'Gy hebt geene cartouchen, gy durft niet te schieten.' De jonge Pieter Van De Vyver werd neergekogeld; de dokters in het burgerhospitaal konden het niet eens worden of de kogel in de onderbuik of in de rug was binnengekomen.

Een 'onbetekenende actie van onbetekenende mensen' krijgt in Het katoenoproer van Gent 'een gezicht' . Het archief spreekt over een vergeten strijd. Het boek geeft de katoenarbeiders, die 'amorfe, zwijgende massa' een stem in de geschiedenis.

Het is toch frappant, zegt Deneckere, dat er geen enkele afbeelding van de opstandige katoenarbeiders van 1839 te vinden is. 'Evenmin ontstond achteraf een martelaarscultus rond de dode die tijdens het oproer gevallen is, een praktijk die later in de socialistische beweging wel sterk gecultiveerd zou worden.' De 17-jarige 'draadjesmaker' Van De Vyver, die dodelijk werd getroffen door een kogel die dwars door zijn lichaam ging, stierf een onopgemerkte en volstrekt roemloze dood.

Meer over