Genetici plaatsen publiek voor voldongen feiten

Op gezette tijden wordt het bestaan van weer een gekloonde creatuur wereldkundig gemaakt, zoals het kikkervisje zonder kop. Het publiek wordt niet geacht zich met het genetisch geknutsel te bemoeien, betogen Erno Eskens en René Gude....

De tijd dat wetenschap de mondigheid van de burger diende, lijkt ver achter ons te liggen

HET HEEFT er alle schijn van dat Nederlandse genetici de ontwikkelingen in hun vakgebied het liefst bagatelliseren. Dat werd deze week duidelijk toen The Sunday Times meldde dat het op termijn mogelijk is om menselijke klonen zonder hoofd te kweken.

Aanvankelijk werd het nieuws nog groot gebracht. 'Britten denken hoofdloze mens te kunnen kweken', kopte Het Parool op 20 oktober, en dezelfde avond was de kloon een onderwerp in Nova. Maar een paar dagen later was het nieuws alweer in de kattenbak beland, en sindsdien is er vrijwel niets meer van vernomen. En dat is jammer, want deze zaak is een discussie waard.

De Britse onderzoeker Jonathan Slack bracht zijn klonen zonder hoofd in de openbaarheid om een discussie over de wenselijkheid van de nieuwste ontwikkelingen in de genetica op gang te brengen. Hij nodigde journalisten uit in zijn laboratorium, en voorzag ze van een fraaie kleurenfoto van een schijnbaar onthoofde, maar toch nog levende kikkervis. De genen die coderen voor de kop waren door hem uitgeschakeld.

Dezelfde techniek kan volgens hem in principe worden toegepast op menselijke klonen. Met dergelijke mensenklonen zou een einde komen aan het nijpende tekort aan geschikte organen voor transplantatie. Door de relevante delen van de patiënt te kopiëren in een wezen-zonder-hoofd, kan men in deze kloon namelijk lichaamseigen organen kweken. De kans op afstoting bij transplantatie is nihil, volgens Slack.

Slack hoopte dat er een hevige discussie zou losbreken na het bekend worden van het nieuws, maar het tegendeel gebeurde. De Londense hoogleraar Lewis Wolpert nam het te verwachten verzet van ethici alvast alle wind uit de zeilen: 'Er bestaan geen ethische kwesties, omdat je er niemand kwaad mee doet.' Een embryo zonder hoofd kan namelijk niet lijden, is dus geen mens, dus geen object van de ethiek. Einde discussie.

Jan Blokker probeerde het debat nog op gang te brengen, maar reduceerde de complexe materie tot een al te simpele keuze: 'Het onderzoek naar koploze klonen tegenhouden, of zorgen dat er geen nieuwe Hitler komt.'

Tegelijkertijd probeerden Nederlandse genetici op even onnavolgbare wijze de zaak onder het vloerkleed te werken. Ronald Plasterk, hoogleraar moleculaire biologie, haastte zich naar Nova om daar mee te delen dat een mensen-zonder-hoofdendiscussie overbodig was, aangezien dergelijke wezens nog lang niet technisch realiseerbaar zijn. 'Pure science-fiction'.

De stelling van Slack dat menselijke klonen zonder hoofd binnen tien jaar wel degelijk mogelijk zijn, kon hij niet onderschrijven.

Plasterk heeft mogelijk gelijk dat de nieuwe techniek op praktische hindernissen stuit. Toch is zijn manier van redeneren in deze zaak tamelijk bevreemdend.

Hij vooronderstelt dat de burger zich pas over de ontwikkelingen hoeft te buigen op het moment dat genetici honderd procent zeker zijn van de haalbaarheid. Pas als het product van de wetenschap daadwerkelijk ter tafel ligt, mogen u en ik ons over de wenselijkheid ervan uitspreken. Tot die tijd hoeven wij, leken, ons niet te vermoeien met moeilijk onderzoek.

Ook embryoloog R. Poelmann van de Rijksuniversiteit Leiden hanteert een inspraak-achterafmodel. Zijn uitspraken in Trouw, daags na het bekend worden van het nieuws, lieten echter zien dat er alle reden is om hier serieuze kanttekeningen bij te plaatsen.

Terwijl Poelmann het science-fictionkarakter van de mens-zonder-hoofd probeerde aan te tonen, benadrukte hij namelijk en passant en geheel onbedoeld welk een ongekende voortgang er in deze tak van de wetenschap wordt geboekt.

De genetica is volgens hem namelijk wel degelijk in staat een wezen-zonder-hoofd te kweken, maar kan deze niet lang genoeg in leven houden: 'De kikkers leven op hun dooier, terwijl het menselijk embryo een placenta nodig heeft. Het nabootsen van een placenta is een maatje te groot voor de wetenschap. Ik heb het zelf wel eens met muizen geprobeerd, maar langer dan twee dagen hield ik die niet in leven.'

Klaarblijkelijk wordt er door Poelmann en zijn vakgenoten aan de ontwikkeling van een kunstplacenta gewerkt. Dat wisten wij nog niet. En dat de techniek al zo ver is dat muizen er twee dagen mee in leven blijven. Dat is toch ook niet niets.

De reactie in Trouw van O. Destrée, staflid van het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie in Utrecht was wat dit betreft ook interessant. Deze onderzoeker verklaarde dat Slack een non-discussie had aangezwengeld. 'Koploze kikkers zijn dagelijks werk voor ons.' Ze bestaan al jaren. Alle ingewijden weten dat, dus niets aan de hand, beste mensen.

Het zou genetici zorgen moeten baren dat alleen zij, de ingewijden, op de hoogte zijn van de ontwikkelingen. Ze zouden hun laboratoria moeten openstellen, maar doen dit niet. Sterker nog, ze veroordelen de Britse onderzoeker die wel geprobeerd heeft uit te leggen wat er in de genetica op handen is. De leek met een 'gebrek aan kennis' zou toch niet begrijpen wat er zich afspeelt. En op onnodige paniek zit niemand te wachten.

Het inspraak-achterafmodel zorgt er echter intussen voor dat de burger voor onaangename verrassingen komt te staan en de verantwoordelijkheid voor deze ontwikkeling niet op zich kan nemen.

Een treffend voorbeeld hiervan is het schaap Dolly. Plotseling was het er, deze al bijna volwassen kloon die zich buiten ieders medeweten om in de wereld had laten zetten. Het gesloten-deuren-en-inspraak-achteraf-model gaat ervan uit dat inspraak achteraf mogelijk is.

In het geval van stier Herman en schaap Dolly blijkt dat echter zeer moeilijk. Deze gemodificeerde beesten zijn een feit, en de eerste patenten bleken al geregeld voordat wij iets mochten vernemen over deze zaak.

Naast dit praktische bezwaar is er een principieel bezwaar tegen inspraak achteraf. Het is badinerend, en schrijft de burger een niet weg te werken onmondigheid toe. De burger zou te zeer een leek zijn om ooit voldoende kennis tot zich te nemen. Inspraak tijdens het wetenschappelijke werk is daarmee principieel onmogelijk.

Niet zo lang geleden ging men er in onderzoekscentra nog van uit dat wetenschap juist was bedoeld om de burger mondig en geëmancipeerd te maken. In die tijd - de jaren zestig en zeventig -- werden overal wetenschapsvoorlichters aangesteld, en wilde men via publiekslezingen en het openbare studium generale de burger bijpraten. Wat de genetica betreft, lijkt die tijd ver achter ons te liggen.

Vermoedelijk hanteren genetici hun inspraak-achterafmodel niet alleen om paniek onder de burgerij te voorkomen. Men wil de deuren van de laboratoria niet openzetten, omdat de publicatiedwang, de patentenstrijd en de internationale wedijver hen tot geheimhouding dwingt.

In de jaren zestig was openbaarheid misschien nog de vigerende ideologie, maar een free flow of information is al lang niet meer vanzelfsprekend, omdat de grens tussen wetenschap en technologie, tussen zuivere en toegepaste wetenschap vervaagt. Wetenschap is een productie-factor van betekenis geworden, en er zijn steeds meer financiële belangen mee gemoeid.

Je kunt natuurlijk begrip opbrengen voor de huidige generatie wetenschappers - zij zitten nu eenmaal in dit commerciële schuitje - maar je mag van deze wetenschappers ook verwachten dat ze, nu openheid niet meer mogelijk is, zelf een andere verantwoordingsprocedure ontwikkelen om de integriteit en de relevantie van hun werk te garanderen.

Genetici als Plasterk en Poelmann geven op dit punt niet thuis. Zij maken liever iedereen die wel de verantwoordelijkheid neemt, en die verantwoordelijkheid deelt met de burger - Jonathan Slack bijvoorbeeld - uit voor een gevaarlijke gek die met science fictionverhalen 'paniek' veroorzaakt.

Jonathan Slack heeft duidelijk gemaakt waaraan hij werkt. Op die manier maakt hij echte democratische besluitvorming mogelijk. Vooraf. Op het moment dat dit nog zinvol is.

Erno Eskens en René Gude zijn respectievelijk eindredacteur en hoofdredacteur van Filosofie Magazine.

Meer over