Gemalen baksteen

Zondagochtend, een uur of tien. Lente in de polder, openingstoernooi. Dames achter de bar schenken koffie en icetea en praten ons bij....

Elke sport heeft zijn eigen ritme. Die van tennis is het mooist. Om de hoek vechten onze voetbalburen de laatste duels van het seizoen uit. In grote ernst bijten ze zich vast in hun tegenstander. De lente als strijdtoneel.

Hier op het tennispark hangt alles nog in de lucht. De lijnen zijn hagelwit en recht, de netten zijn gespannen en dagen ons uit. Maar het meest verleidelijk is wel de kleur van gemalen baksteen.

Gravel. Warm, traag en rood. De allergrootste tennissers vervloeken het. Boris Becker, Pete Sampras, Roger Federer, artiesten die het spel tot in perfectie beheersen. Ze zouden het rode schoon het liefst omarmen, maar gravel is voor de zwoegers die lange rally's nodig hebben. De worstelaars, de bijters. Gravel is voor Spanjaarden. Niet van smetteloze en verheven schoonheid, gravel moet veroverd worden. Door de knieen, door het stof, tot het gaatje. Tot de laatste korrel.

Laatst hoorde ik dat veel tennisclubs hardcourt of kunstgras overwegen. Gravel wordt te duur in onderhoud. Mijn tennishart was even van slag. Wat een halfnatte grasmat is voor de voetbalsport, is gravel voor het tennis. Rode strepen op de bleke sokken, glijden langs de baseline. Passie, passeerslagen uit kansloze situaties. Onorthodoxe schoonheid, hero alom.

Zondagochtend, elf uur. Ik trek mijn racket uit mijn tas, ware het een slaghout zo onwennig. Sla de eerste trotse stappen van mijn zolen en begin. Backhand, een trillerige forehand, voorzichtig een volley. Mijn service, nog net zo roestig en hoekig als vorig jaar, laat het afweten. Mijn voeten zijn nog even zwaar, maar mijn hoofd is fris als nooit tevoren. Leve het nieuwe seizoen! In gedachten dans ik op gemalen baksteen.

Meer over