Gelukkig is Israël te week om te willen vechten

Ruim drie maanden na de verkiezingen in Israël, is het lot van het vredesproces ongewis. Treedt er slechts stagnatie op, en zal de Likud-regering zich in het onvermijdelijke schikken, of is Netanyahu erop uit de vrede om zeep te helpen?...

ABRAHAM YEHOSHUA

AL EEN paar weken probeer ik mijn indrukken van de nieuwe Israëlische regering op te schrijven, en telkens stel ik mijn poging uit. In de media trachten politieke commentatoren sinds het aantreden van Netanyahu vast te stellen wat voor vlees we in de kuip hebben met de nieuwe regering, en welke besluiten ze zal nemen. Toch heerst duidelijk het gevoel dat niemand over een sleutel beschikt waarmee de innerlijke codes van de nieuwe premier gekraakt, laat staan zijn stappen voorspeld kunnen worden.

Wanneer we ons het vijftigjarig vredesproces vanaf de oprichting van de staat Israël voorstellen als een school die de leerling moet klaarstomen voor het eindexamen - het diploma is de volledige, in verdragen vastgelegde vrede met alle Arabische buurstaten -, dan hebben we in het vredeskamp tot aan de laatste verkiezingen het idee gehad dat we met de volgende regering-Peres zouden overgaan naar de hoogste klas.

We hadden goede hoop dat het vredesproces met de Palestijnen, de Syriërs en de Libanezen tegen het jaar 2000 zou zijn voltooid. Inderdaad, de laatste loodjes zouden zwaar wegen. Er zou flink moeten worden geblokt voor de schoolonderzoeken en de examens, want van de eindcijfers zou onze toekomst afhangen. Niettemin waren we er van overtuigd dat we bevrijd van ons ruim honderdjarige conflict met de Arabieren de volgende eeuw zouden binnenstappen.

Met het aantreden van Netanyahu lijkt het erop dat we zijn blijven zitten en we onze hoop op het diploma voorlopig moeten laten varen. Sterker nog: het is alsof we een klas zijn teruggezet. Ineens staan er voor de klas weer leraren lesjes en leuzen op te dreunen, waarvan we meenden dat we ze nooit meer hoefden aan te horen.

Zo wordt ons weer die flauwekul verkocht dat joden het recht hebben waar ook ter wereld te wonen - alsof een Indiër, een Cambodjaan, een Chinees en een Egyptenaar datzelfde recht hebben - en dus ook in heel Erets-Jisraël nederzettingen mogen oprichten. Opnieuw worden oude, kwaadaardige trucs gebruikt om de Palestijnen te bedriegen en voor het hoofd te stoten.

Er worden schijnheilige praatjes opgehangen over de noodzaak van democratie en eerbiediging van de mensenrechten in de Arabische landen, alsof we destijds vrede hebben gesloten met Egypte omdat het zo'n toonbeeld van democratie zou zijn, en alsof Israël niet uitstekende relaties heeft onderhouden met regimes die elementaire mensenrechten vertrapten, zoals Zuid-Afrika in de tijd van de apartheid.

Maar na de eerste wanhoop en het zakken van onze woede op de Arbeiderspartij en onszelf - omdat we de verkiezingsoverwinning door onze vingers hebben laten glippen - komen andere, troostende gedachten op, die ik hieronder probeer samen te vatten.

Ook als we allemaal zijn blijven zitten, zijn we nog niet van school gestuurd. Het enige kader is dus nog altijd het vredesproces, dat in 1977 op gang is gekomen met het bezoek van Sadat aan Israël. Dat bezoek leidde tot de tweeledige akkoorden van Camp David. Het ene deel, de vrede met Egypte, is tot stand gekomen. Het andere, het akkoord over tijdelijke Palestijnse autonomie in de aanloop naar een definitieve regeling, is niet uitgevoerd.

Wel heeft het geleid tot de conferentie van Madrid in 1991 en uiteindelijk tot de akkoorden Oslo-1 en Oslo-2 van 1993 en 1995. Hierin ligt de wederzijdse erkenning van het Israëlische en Palestijnse recht op zelfbeschikking besloten, en dus ook de erkenning van de gekozen vertegenwoordiging van het Palestijnse volk, namelijk de PLO onder leiding van Arafat. Deze uitgekauwde leerstof hoeft ons in elk geval niet meer worden voorgeschoteld.

Leden van Likud en andere rechtse partijen hoeven niet meer aan ons hoofd te zeuren en te proberen ons met al hun ongerijmde, drammerige theorieën wijs te maken dat er eigenlijk geen Palestijns volk bestaat, en dat er niet met 'terroristen' mag worden onderhandeld. Ze voeren nu immers zelf onderhandelingen met het hoofd van de Palestijnse Autonomie, Yasser Arafat, en de leden van zijn regering - die overigens allemaal in vrije, democratische verkiezingen zijn gekozen.

Hoewel ook Netanyahu het vredesproces tot staan zal willen brengen en zijn best zal doen het te traineren - om met Kafka te spreken 'verstaat hij de kunst het proces te vertragen' - kan hij niet te werk gaan als zijn leermeester Shamir. In de tijd van premier Shamir werden abstracte onderhandelingen gevoerd, zonder bindende streefdata. Met de gesprekken kon een illusie van vooruitgang worden opgehouden, en ondertussen konden in de bezette gebieden concrete feiten worden geschapen die elk reëel compromis zouden uitsluiten.

Maar nu zijn we gehouden aan een proces met een overeengekomen, bindende deadline (1999) waarop de onderhandelingen over een definitieve regeling moeten worden afgesloten. Elke stopzetting en ieder uitstel houdt dan ook een schending van het akkoord in, zal tot frustratie leiden en fnuikend zijn voor alle tot nu toe bereikte resultaten. Zo zal iedere stagnatie geen pas op de plaats, maar een stap achteruit worden.

Het Oslo-akkoord, dat moet leiden tot een scheiding van de twee volken en tot de realisering van het Palestijnse recht op zelfbeschikking, is geen bilaterale overeenkomst tussen Israël en de Palestijnen. Het is een internationale overeenkomst, ondertekend door de Verenigde Staten en Egypte, en waarbij ook Jordanië is betrokken. Een Israëlische schending van het akkoord moet dan ook de andere ondertekenaars in het harnas jagen.

De Verenigde Staten zullen echter weinig druk op de Israëlische regering uitoefenen, omdat het beleid in dezen door de joodse lobby wordt gedicteerd. Sinds ik de Amerikaanse volksvertegenwoordigers twaalf keer uit hun zetels zag komen om Netanyahu - een nieuwe premier die zich met nog geen enkele stap voor de vrede en de vooruitgang had bewezen - een staande ovatie te brengen, kan ik hun integriteit niet serieus meer nemen. Op precies dezelfde manier juichten ze immers voor Rabin en Peres, ondertekenaars en uitvoerders van een vredesakkoord dat onder vuur lag van de giftige kritiek van de toenmalige oppositieleider, Netanyahu.

Nu zouden dezelfde Amerikaanse politici, die zo graag prat gaan op hun democratie, bereid zijn te juichen voor een premier die ervan droomt in Groot-Israël bantoestans op te richten naar het voorbeeld van Zuid-Afrika onder het apartheidsregime. Maar ook als Amerikaanse druk op Israël uitblijft, geloof ik dat Egypte en Jordanië, waarmee wij open grenzen en volledige vredesbetrekkingen hebben, hun plicht zullen doen en al hun overeenkomsten met Israël in de waagschaal zullen stellen als Israël zich niet aan de akkoorden van Oslo houdt.

Er is namelijk nog één omstandigheid waaruit ik moed kan putten. Het volk in Israël is moe van oorlog en bloedvergieten, en slechts weinigen zijn bereid voor de Groot-Israël-ideologie ten strijde te trekken. Het hedonisme, het individualisme en de ongodsdienstige levenshouding die zich (naar mijn mening te sterk) in de Israëlische maatschappij hebben verbreid, maken haar vredelievend, niet uit goedaardigheid of morele overwegingen, maar uit vermoeidheid en ongemotiveerdheid.

NA DE ondertekening van het vredesakkoord met Jordanië en de interimakkoorden met de Palestijnen zijn de oude gezworen vijanden verdwenen uit onze omgeving. Met vijanden die ons van de kaart willen vegen kan het volk niet meer bang worden gemaakt, en het zal moeite kosten steun te verwerven voor de heerschappij over meer dan 150.000 Palestijnen in Hebron vanwege de graven van aartsvaders die meer dan 3500 jaar geleden zijn gestorven.

Laten we daarom op zijn minst genieten van de relatieve rust waarin de regering-Netanyahu Hebron zal kunnen ontruimen. We blijven gespaard voor de demonstraties, de leuzen en de provocaties waarmee rechts tegen de ontruiming van Hebron tekeer zou gaan als die zou zijn uitgevoerd door premier Rabin. Helaas is zijn nagedachtenis iets te snel vergeten.

Abraham B. Yehoshua is schrijver en doceert literatuurwetenschap aan de universiteit van Haifa. Onlangs verscheen bij de Wereldbiblioheek in Amsterdam zijn roman De Minnaar.

Meer over