'Geluk is: Marokkaanse jongens zien lezen'

Bart Engbers..

Van onze verslaggeefster Charlotte Huisman

Utrecht Hij is misschien wel de bekendste vmbo-schooldirecteur van het land. Bart Engbers (61), directeur van het tussen de flats van de Utrechtse achterstandswijk Overvecht gelegen Vader Rijn College, vertrekt in augustus.

Ondanks alle inspanningen blijkt zijn school niet langer op eigen benen te kunnen staan. Het aantal leerlingen op de Utrechtse vmbo-scholen loopt sterk terug. De scholen zijn nagenoeg zwart en hebben een slechte naam, onder meer vanwege het sterk toegenomen percentage probleemleerlingen. Een groeiend aandeel leerlingen zoekt bovendien onderwijs buiten de stad.

De plannen om Vader Rijn volgend jaar te laten fuseren met een andere vmbo-school, zijn vergevorderd. Hij wilde al vertrekken, bezweert Engbers. ‘Als ik in die fusie was terechtgekomen, had ik me lullig gevoeld.’

Dat juist het Vader Rijn College ten onder gaat, is opmerkelijk. De school wordt – onder meer in een recent rapport over het vmbo van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – bestempeld als een modelschool in een achterstandswijk. Engbers zette de deuren wijd open en mengde zich in hoog opgelopen discussies over onder meer het vmbo, achterstandsleerlingen en integratie. Hij kreeg van de rechter gelijk toen zijn school een docente weerde die mannen geen hand wilde geven vanwege haar geloofsovertuiging.

Engbers: ‘Een school moet meer doen dan alleen leerlingen een diploma laten halen. Je moet kinderen voorbereiden op een plaats in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Het integratievraagstuk is een vmbo-vraagstuk, het is een extra taak geworden van het vmbo. Daarom was dat vonnis over de verplichting voor onderwijspersoneel om handen te schudden belangrijk.’

Gemiddeld bezoeken wekelijks drie delegaties de school, van beleidsmakers uit Duitsland, die komen kijken hoe de school omgaat met probleemleerlingen, tot leerkrachten van andere scholen. Op het Catshuis is een filmpresentatie over Vader Rijn vertoond. Premier Balkenende prees bij die gelegenheid eerder deze maand het college, dat volgens hem een positieve invloed heeft op de wijk.

Engbers – van huis uit historicus – begon zijn loopbaan op het Utrechtse Hendrik van de Vlist-gymnasium. Sinds 1995 werkt hij op het Vader Rijn college, de laatste acht jaar is hij er directeur. In 1995 was het ‘een redelijk witte school, met echte hamerlui met interesse in metaal en elektrotechniek’.

Een school met 850 leerlingen, en ‘hooguit 50 procent allochtonen’.

Het leerlingenaantal liep in sneltreinvaart terug. Nu telt de school 525 leerlingen. 60 procent is van Marokkaanse afkomst, 30 procent is Turks. We zagen de fusie aankomen, zegt Engbers. ‘De school waarmee we samengaan, heeft nog maar 180 leerlingen.’

Engbers heeft zijn best gedaan meer leerlingen te werven, door bijvoorbeeld meer contact te zoeken met de basisscholen. Het bleek niet genoeg. Engbers noemt de ontwikkeling ‘dramatisch’. ‘Door de teruglopende leerlingenaantallen gaan juist de leerkrachten die uitstekend zijn met de kinderen hun geluk elders zoeken.’

Engbers wijt het teruglopende leerlingenaantal niet alleen aan de vlucht naar wittere scholen buiten de stad. ‘De gemiddelde Cito-score in de stad is gestegen tot bijna havo. Veel leerlingen met een advies voor het hoogste niveau vmbo kiezen voor een scholengemeenschap.’

Juist het Vader Rijn College lijkt met zijn intensieve begeleiding van leerlingen een antwoord te hebben op een aantal kenmerkende problemen van het vmbo. De schooluitval en het schoolverzuim zijn er relatief laag. ‘Als je leerlingen goed in de gaten houdt, kun je het overgrote deel er doorheen loodsen. Daarbij spelen we als school een steeds grotere rol in de wijk met projecten op het gebied van veiligheid, weerbaarheid en meedoen in de maatschappij.’

‘Het is eigenlijk een bizarre situatie’, zegt Engbers. ‘In een fusie laten we dit verloren gaan. Misschien wordt het kind met het badwater weggegooid. Maar de getallen spreken voor zich.’

Engbers gelooft heilig in onderwijsvernieuwingen als het nieuwe leren, die nu ter discussie staan. Engbers: ‘We proberen voor deze specifieke groep leerlingen het beste onderwijs te ontwikkelen. Met alleen een vmbo-diploma bleken veel leerlingen vervolgens af te haken op de mbo-opleiding. Voor onze kinderen is het ontwikkelen van competenties als plannen, samenwerken en je verantwoordelijk voelen cruciaal voor hun toekomst.’

Dat leerlingen op het Vader Rijn College nu kunnen doorleren voor een mbo-2-diploma, vindt hij ‘een goede ontwikkeling’. ‘We hebben hierin als voorbeeldschool gefungeerd.’

Engbers groeide op in Nijverdal, met ‘geroddel en de kerk’. ‘Ik herken dingen uit mijn dorp in de houding van de Turkse en Marokkaanse kinderen. De ongeschreven regels waaraan ze zich moeten houden, het geschipper tussen twee werelden. Willen ze functioneren in de Nederlandse samenleving, dan moeten ze de geldende waarden en normen kennen. Dat je op eigen verantwoordelijkheid wordt aangesproken. Anders red je het niet in deze maatschappij.’

Hij biedt de leerlingen naar eigen zeggen geborgenheid en structuur, ‘dat ze weten wat ze moeten doen’. ‘Hier op school is het rustig, maar op straat is het anders. We hebben hier veel kinderen met leerproblemen.’ 85 procent van de leerlingen heeft een zogeheten leerplusarrangement, waarbij het Rijk meer geld vrijmaakt om achterstanden weg te werken.

Een van de grote problemen van het Utrechtse vmbo is het hoge percentage probleemleerlingen. Een aantal van hen is zo onhandelbaar, dat zij anderen het leren onmogelijk maken. Voor deze groep opent per 1 augustus de Utrechtse School. Die moet deze probleemleerlingen weer in het gareel krijgen en het klimaat op de vmbo-scholen verbeteren.

Engbers is er blij mee. ‘Als er twee jongens zijn die het in de wijk verpesten, en ze zitten op het Vader Rijn, dan is de school de pineut. Je moet ergens een grens trekken. Wij zijn een gewone school en geen opvanghuis.’

Waar Engbers zich aan ergert: dat hij niet alle informatie krijgt over zijn leerlingen, vanwege privacywetgeving. Formeel weet Engbers vaak niet of een kind in de problemen zit. Als een kind in jeugddetentie zit en hij overdag naar school mag, dan komt dat nog wel tot hem. Of hij hoort van een vader dat een kind door de politie van het bed is gelicht. Maar dat bijvoorbeeld een van zijn leerlingen behoort tot de veertig harde-kernjongeren die in Kanaleneiland een samenscholingsverbod hebben opgelegd gekregen, is hem niet gemeld. Ook de kinderbescherming meldt de school niet als een kind in het criminele circuit zit.

Engbers wil graag deze informatie krijgen. ‘We hebben last van de privacywetgeving. Hier hebben mensen greep op de kinderen. Zo kun je ook een bijdrage aan de leefbaarheid van de wijken leveren.’

Soms ziet hij schrijnende situaties. Kinderen hingen op straat; Hun vader was overleden, en ze wilden niet meer in het huis zijn waar vader was gestorven. ‘Daar kwamen we pas achter toen we op bezoek gingen bij de moeder. Wij wisten niet dat het toen al uit de hand was gelopen op straat.’

Maar zijn boodschap van informatie delen komt niet door, vindt hij. Soms voelt Engbers zich moegestreden. Hij heeft alles gedaan, maar hij heeft het tij niet kunnen keren.

Maar hij wil ook de successen blijven zien. ‘Het gaat nu zo veel beter op deze school dan in 2000. Toen waren er veel conflicten en vechtpartijtjes. Nu is er nauwelijks vijandigheid, kinderen hebben het naar hun zin.’

Hij legt op zijn school de nadruk op de taalbeheersing van zijn leerlingen. ‘Lezen, lezen, lezen, daar gaat het om. Weet je waar ik gelukkig van word? Als ik vier Marokkaanse jongens elkaar zie voorlezen en daarbij echt plezier hebben.’

Meer over