Geloof in het woord

Olivera Petrovi-Stankovi vertaalde jarenlang Nederlandse literatuur in haar moedertaal, het Servo-Kroatisch. Vooral in de eerdere boeken van Harry Mulisch ontdekte ze een visionaire blik op de huidige situatie in Europa....

Het was al wat later op zo'n avond toen de ouders van Dragan, Serviërs uit Kroatië, mij een video lieten zien. Hun huis stond daarop, en ook het restaurant dat ze hadden achtergelaten - de opnamen dateerden van de opening, twee jaar voor hun vlucht. Tussen de dansende feestgangers, die vrolijk naar de camera zwaaiden, lachten, het glas hieven, liep ook een man met een tafel in zijn mond. Het duurde even eer tot me doordrong wat ik zag. Toen was de camera alweer elders.

'Sta se tamo desava! Wat gebeurt daar!', riep ik. Op de tafel, ik had dat toch goed gezien, hadden zelfs flessen en glazen gestaan.

Iedereen lachte. 'Dat is Mirko', zei de vader van Dragan.

Ter gelegenheid van mijn komst waren enkele kennissen uitgenodigd, eveneens vluchtelingen, onder wie Mirko, een man met de lichaamsbouw van een molenpaard. Bescheiden haalde Mirko zijn zware schouders op.

'Maar wat deed je daar?' vroeg ik.

'Dat was om een weddenschap.'

De video werd teruggespoeld. Daar liep hij weer, op de achtergrond, de man met een tafel in zijn mond - en geen bijzettafeltje, een tafel voor vier personen.

Ik was onder de indruk. 'Maar ik kan niet goed zien dat jij het bent', zei ik. De kwaliteit van de video liet te wensen over.

'Geloof je niet dat ik dat ben?', vroeg Mirko.

'Ik wil het wel geloven, maar ik herken je niet.'

Er was rijkelijk rakija, pruimenjevener, geschonken en Mirko maakte er een erezaak van. 'Waarom zou je het geloven! Ik zal het je laten zien!'

Een geschikte tafel was in het appartement echter niet voorhanden. Het blad van de eettafel was van glas, daar zou Mirko geen grip op hebben. Hij vroeg of ik me ook zou laten overtuigen als hij mij zou optillen in plaats van een tafel. 'Hoe zwaar ben je?'

'Tachtig kilo.'

'Dat is zwaarder dan de meeste tafels, hajde, vooruit.'

Ik moest op de grond gaan liggen, er werd een handdoek om mijn middel geknoopt, Mirko nam die handdoek in zijn mond. 'Je hoeft het niet te doen', zei ik nog, 'het kost je je tanden' - maar toen al tilde hij mij met rood aangelopen hoofd, gezwollen aderen in zijn hals, een halve meter van de grond.

Toen iedereen weer in de kring zat, hieven wij het glas op de oerkracht van Mirko. 'Sad ti vjeruje, nu gelooft hij je', zei de vader van Dragan tegen Mirko, 'maar zal hij ook denken dat wij barbaren zijn.'

Die gedachte was bij me opgekomen - maar er was genoeg dat tegenwicht bood. De taal, bijvoorbeeld, het Servo-Kroatisch. Voor de nuances, de rijkdom aan uitdrukkingsmogelijkheden, opende Olivera Petrovië-Stankovië (45) mij de ogen. De afgelopen drie jaar was zij mijn lerares.

Van haar leerde ik dat het volk dat tafels met zijn tanden optilde, ook het volk was dat de naam feeënpaardje had bedacht - voor het insect dat Nederlanders libelle noemen. Libelle, om zijn typische, horizontale manier van vliegen, want het Latijnse libela, waar libelle van afstamt, betekent waterpas. Nee, dan was vilin konjic, feeënpaardje, heel wat minder prozaïsch. Vilin, legde Olivera uit, was een verbuiging van vila, fee, en konjic van konj, paard.

'Moet het niet konjiï zijn?' vroeg ik. Met het achtervoegsel iï worden in het Servo-Kroatisch verkleinwoorden gemaakt, zoals bij ons met je. Maar hier stond niet iï (ietsj) maar ic (iets).

Olivera schudde haar hoofd. 'Het is geen verkleinwoord, het is een koosnaam, een hypocoristicon. Het Nederlands kent die nuance geloof ik niet. Konjic betekent niet paardje, maar heel, heel klein paardje, een paardje zo klein als een zeepaardje, eigenlijk niet eens een echt paardje. De c (ts) klinkt voor ons kleiner dan de ï (tsj), het is ook minder een mondvol.'

Ik bofte met een lerares als Olivera. Ze sprak bijna perfect Nederlands en had - ik wist dat in het begin niet eens - verhalen, romans, essays van Huizinga, Ter Braak, Vestdijk, Mulisch, Brouwers, Elsschot, Wolkers - ja, bijna de halve Nederlandse literatuur vertaald. In Belgrado, eind jaren tachtig, was ze met vertalen begonnen, daartoe gekomen via de filosofie. Tijdens haar studie voelde ze zich aangetrokken tot vooral de Duitse filosofen, en na haar studie had ze werk van Jürgen Habermas vertaald - tot ze bang was geworden eronderdoor te gaan. 'Dat ongelofelijk ingewikkelde denken, dat ingewikkelde taalgebruik, dat jargon van een gesloten filosofisch systeem, ik vreesde voor mijn geestelijke gezondheid.'

Ze nam afscheid van een Grote Cultuur - en koos bewust een kleine, 'die ik als veel groter zag'. In 1994 trouwde ze met Karel van der Leeuw, filosofiedocent aan de Universiteit van Amsterdam, en verhuisde met haar 16-jarige zoon naar Nederland.

De afgelopen drie jaar bezocht ik Olivera en Karel wekelijks, op dinsdagavond. Ik moest me er altijd toe zetten om half acht 's avonds, na een dag van werken, op de fiets te stappen, helemaal als het regende - maar de moeite werd altijd beloond. Rijker dan ik gekomen was, fietste ik een paar uur later terug, iedere week weer.

Met z'n drieën lazen we Beograde, dobro jutro - Goedemorgen, Belgrado, van Dusko Radovië - het boek droeg de naam van een radioprogramma. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, had Radovië, bekend als hoofdredacteur van een tijdschrift voor kinderen, Belgrado dagelijks begroet met een tiental opmerkingen of aforismen, die later gepubliceerd waren - hapklare brokken voor taalstudenten.

Vaak ontging ons de subtiele kritiek van Radovië op het unieke Joegoslavische socialistische systeem, begrepen wij de toespeling niet - maar daar hadden wij Olivera voor. Haar gevoel voor taal maakte indruk op me. Radovië trouwens ook. Toen ik voor dit stuk weer eens doorbladerde wat we de afgelopen drie jaar hadden gelezen, sprongen mij de waarschuwingen in het oog - voor de ramp die zich niet lang na Radovië dood (in 1986) zou voltrekken.

Moeilijke tijden naderen.

Makkelijker zal het zijn voor ons, die opnieuw zullen tobben, dan voor hen voor wie het de eerste keer zal zijn.

Met 'zij die opnieuw zullen tobben' doelde Radovië, legde Olivera uit, op hen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt.

Heengegaan zijn Andrië en Crnjanski en nu heeft ook Miroslav Krleza ons voor altijd verlaten.

Van hen die bang kunnen zijn en zich kunnen schamen, zijn er steeds minder.

Wat moet er van ons worden?

Andrië, Crnjanski, Krleza - belangrijke schrijvers.

Maar Radovië verpakte zijn ernst meestal in ironie:

We moeten achterdochtig zijn jegens degenen die nog altijd boeken kopen en lezen.

Dat zouden ook wel eens degenen kunnen zijn die de krant, de radio en de televisie niet geloven.

Soms ook was hij gewoon poëtisch:

De straten liggen vol gevallen bladeren.

Arme bladeren. Als ze niet aan een tak zitten, weten ze niet meer waar ze het moeten zoeken.

Ze hollen achter iedere voorbijganger en auto aan, als weeskinderen.

DE OORLOG - de huidige - maakte een einde aan onze dinsdagavonden. Olivera was overstuur, bezorgd om haar ouders, haar neefjes en nichtjes in Belgrado, en om haar vrienden, die zich altijd tegen het nationalisme hadden verzet. Ze werd verscheurd door Kosovo, het laatste bedrijf in het Joegoslavische drama, door alle vormen van vernietiging op de Balkan. De politiek van de NAVO vrat aan haar liefde voor Nederland, dat mee bombardeerde, dat 'kleine' land met zijn 'kleine' cultuur, z'n literatuur die ze zo bewonderde en die ze ontsloten had voor heel het Servo-Kroatische taalgebied.

Ik stelde voor - in de hoedanigheid van journalist, inmiddels - haar te interviewen. 'Misschien lucht het je op', zei ik. Aanvankelijk leek het haar een goed idee, toen weer niet, toen weer wel, toen weer niet. De 'indoctrinerende toon' van de media - televisie zowel als kranten - irriteerde haar. En nu vroeg ik haar zich in te laten met een krant? 'Bovendien', zei ze, 'wil ik me niet laten betrekken in een discours dat het doden rechtvaardigt. Als de Volkskrant wil weten wat ik wil zeggen, dan laat de Volkskrant maar een pagina leeg. Ik zwijg.'

Het idee haar nog te interviewen, zette ik overboord - met enige spijt, want hier ging een interessant stuk verloren. Zo verbitterd had ik Olivera nog niet eerder meegemaakt.

Een dag later belde ze op om zich te verontschuldigen. 'Ik reageer niet rationeel meer. Maar kun je nagaan, als dit met mij gebeurt, terwijl ik veilig in Amsterdam zit, wat er gebeurt met de mensen in Joegoslavië?' Ze vroeg of ik nog geïnteresseerd was in een interview. 'Misschien kunnen wij over literatuur praten. Dat komen we vanzelf op de oorlog.'

Uitgeverij Prometej (Prometheus) in Novi Sad bracht begin jaren negentig een serie Nederlandstalige literatuur op de markt, waarvan Olivera bedenker en redacteur was. Haar eerste vertaling was Het veer van Simon Vestdijk. Olivera: 'Een metafoor voor de dood die met de mens speelt, en de mens die met de dood speelt.' Begin jaren negentig volgden verhalen van Harry Mulisch: De grens, Wat gebeurde er met sergeant Massuro? en De versierde mens.

'Niet toevallig vond ik die verhalen toen het interessantst. Ik zat met grote dilemma's vanwege het uiteenvallen van Joegoslavië. Grenzen, nationale staten, die dingen speelden ineens een grote rol.'

De grens is een verhaal over administratieve bekrompenheid van de provinciale bureaucratie: een man kan nergens hulp krijgen voor zijn echtgenote, omdat zij - bij een ongeluk uit de auto geslingerd - precies op de grens tussen twee gemeenten, toevallig ook de grens tussen twee provincies, ligt. Voor Olivera, in Belgrado, 'een verhaal over mensen wier lot afhankelijk is van hen die de grenzen trekken.'

Wat gebeurde er met sergeant Massuro? beschouwde Olivera als 'het beste verhaal over militaire bureaucratie'. Het heeft de vorm van een brief, geschreven door een luitenant in Nieuw Guinea, en gericht aan het ministerie van Oorlog in Wassenaar, meer specifiek, aan de dienst die 'gegevens verzamelt over gevallen als dat met sergeant Massuro', die in een dag tijd 'versteent'.

Olivera: 'Ik herinner me dat ik in die tijd, het bloedvergieten was juist begonnen, een onbegrijpelijke allergie had, want ik was nog nooit ergens allergisch voor geweest. Nu zou ik zeggen: het was een 'politieke allergie'. Volgens artsen was het een allergie puur op basis van zenuwen, ze hadden dat gezien bij vluchtelingen uit Kroatië, een soort jeuk die ongeveer zes maanden duurt, waaraan je niets kan doen, wat gelukkig vanzelf over gaat.

'Ik kreeg daar last van na een heftige ruzie met mijn vader over zogenaamde Servische belangen, en na een brief uit Nederland waaruit duidelijk werd dat men er - het was al oorlog in Bosnië - geen prijs meer op stelde nog contact te onderhouden met de Belgradose Vereniging van Letterkundigen. Ik begreep die houding wel, maar het irriteerde me ook: was de oorlog nu juist niet reden om het contact met ons te intensiveren, in plaats van ons te isoleren?'

Aanvankelijk beschouwde ze het verhaal over sergeant Massuro, die versteent, als 'een typische Mulisch-extravagantie'. Tegelijk had ze het idee - ook door haar eigen, vreemde klachten - dat Mulisch ergens toch de kern van de zaak trof. Zag ze Massuro als 'een medium voor alle schuldgevoel. Massuro versteent door gewetensproblemen, en niet alleen zijn eigen gewetensproblemen. Massuro werd voor mij de onverwachte en onverklaarbare consequentie van de politiek van heren in Wassenaar - voor een soldaat in een land waar hij niets van begrijpt. De bedoelingen van de Nederlanders indertijd op Nieuw Guinea waren misschien de beste, net als in dit decennium op de Balkan. Maar de effecten van hun militaire aanwezigheid waren en zijn onvoorspelbaar, en moeilijk weer ongedaan te maken.'

OOK DE figuur van de luitenant die de brief naar Wassenaar stuurt, is voor Olivera nog altijd actueel, en dan vooral diens verwarring, schuldgevoel, ontzetting. 'Ik vrees dat Europa binnenkort met hetzelfde syndroom zal zitten. Wat dat betreft, moet ik toegeven dat Mulisch visionair is, dat zijn fantasie vaak veel dichter ligt bij de realiteit dan de realistische verslaggeving van journalisten.'

Maar het meest actueel van de drie verhalen die ze indertijd uitkoos, beschouwt Olivera De versierde mens. 'Meer een filosofisch essay dan een literair verhaal' over de dilemma's van een soldaat die wordt uitgerust met een vernietigende techniek, en het bevel krijgt zich op te offeren in de strijd tegen Het Beest. 'Dat gaat over al die jongens die straks een grondoorlog ingestuurd worden.'

Inmiddels is haar favoriete Nederlandse auteur Toon Tellegen - binnen de 'kleine' Nederlandse literatuur is haar interesse eveneens van 'groot' naar 'klein' verschoven. Tellegens De ontdekking van de honing is haar sympathieker dan Mulisch' De ontdekking van de hemel. Het laatste dat ze vertaalde, december 1998 ('toen de volle omvang van de Kosovo-crisis zich begon te openbaren') is Tellegens verhalenbundel over het jongetje Swchwrm. De regering vraagt dit jongetje, en alleen hem, te stemmen, omdat alleen hij zou weten wat voor Nederland en de wereld het beste is. 'Zo staat Swchwrm dan als enige op de Dam, om te stemmen, hij is ontzettend bang, want nu is hij verantwoordelijk voor Nederland en de hele wereld. Maar de wind neemt zijn stembriefje mee, en zijn stem gaat verloren.'

Van het jongetje Swchwrm - dat geen arbiter wil zijn - komen we op Dostojevski, die volgens Olivera 'met hetzelfde thema worstelde'. In de roman Demonen willen vijf nationalisten Rusland van het tsarisme bevrijden. Zij weten wat het beste is voor het volk. Olivera: 'Alle wereldverbeteraars maken mij bang. De wereldverbeteraar - als de NAVO nu - beroept zich op Hogere Doelen, hij eigent zich het recht toe het beter te weten. Maar heb je ook recht mensen te doden, in naam van jouw ideologie? Bestaat er zoiets als gerechtvaardigd doden, in naam van de mensenrechten?'

Een categorie slachtoffers waaraan ze dezer dagen veel denkt - niet omdat ze de 'ergste' slachtoffers zouden zijn maar omdat ze zich met hen verwant voelt -, is de Servische oppositie. 'Die werd al gestraft door de nationalistische politiek, waar ze zich niet mee kan verenigen, en door het uiteenvallen van Joegoslavië, de vorming van nationale staten. Maar nu, met de bombardementen, kan de oppositie haar stem niet eens meer laten horen. Wie zich openlijk tegen het regime zou uitspreken, wordt voor landverrader uitgemaakt. De oppositie zit in een volstrekt isolement. De bruggen over de Donau, naar het Westen, zijn vernield - je kan dat ook symbolisch opvatten. Wie nu in Belgrado zit, en tegen het nationalisme is, is politiek en menselijk begraven.'

En als ze aan de oppositie denkt, denkt ze aan Johan Huizinga, van wie ze het essay Patriottisme en nationalisme in de Europeesche geschiedenis tot het einde der 19de eeuw vertaalde. Als veel Joegoslaven was ze een gepassioneerd lezer van het werk van Huizinga - begin jaren negentig, in Belgrado, besloot ze diens essay te vertalen, in plaats van de straat op te gaan en tegen het regime te demonstreren. 'Het is mijn nederlaag, geef ik toe. Maar als ik ergens in geloof, is het in het woord als middel om iets in de wereld te verbeteren. Huizinga zelf raakte dat geloof kwijt. Hij dacht, of had gehoopt, dat na de Eerste Wereldoorlog een tijd van beschaving zou aanbreken. Maar in de laatste alinea van zijn essay (gepubliceerd in 1940) schrijft hij: we trekken het gordijn toe. Tegenover tanks, die het wereldtoneel op kwamen rollen, waren woorden machteloos.'

Meer over