Gelezen en vergeten

Ik heb in het weekend een dubbele moord of een dubbele daad van verbanning gepleegd: ik heb twee geleerde schrijvers naar de gewelven verwezen, de kelder waar ik, tot de dood erop volgt, boeken buiten het dagelijkse zicht houd en, naar ik hoop, daarmee ook uit mijn geheugen....

Allereerst ging C.F.P. Stutterheim, met vele boeken. Ik heb ze ooit allemaal gelezen. Ik ben ze allemaal vergeten, geen zin is blijven steken, ik bladerde nu nog in enkele en bewonderde de spijsvertering van de lezer die ik was. Hij was hoogleraar in de Nederlandse taalkunde in Leiden, maar, als de nu bijna uitgestorven echte neerlandicus, ook een letterkundige van formaat. Hij speelde ook viool, wat mij voor hem heeft ingenomen, al speelde hij in het wetenschappelijk verkeer te graag de eerste.

Ik heb hem scherper voor ogen dan zijn werk. Hij moet altijd heel hard hebben gewerkt - alleen al al die boeken. Zijn optreden gaf dat ook te vermoeden. Hij had niet alleen een vrij wilskrachtige kop, met grijze, wat wapperende haren, een beetje artistiek, maar in zijn lichaam - hij was vrij kort - werd duidelijk ook de hele dag energie opgewekt, want hij verloor er veel van. Hij liep altijd snel, een aktetas onder de arm gedrukt, gaf haastig handen - ik geloof dat hij degene is aan wie ik mij het vaakst heb voorgesteld: hij had een vaste kern van universitaire collega's, waarbinnen hij zeer werd geëerbiedigd, maar die kennelijk geen uitbreiding verdroeg. Hij hoorde tot de laatsten met een uiterst hoge opvatting van de universiteit en het academisch studeren, ik vermoed dat hij ter bevestiging daarvan ook naar zijn hoogleraarschap heeft toegewerkt.

Toen hij ouder werd, kreeg hij het steeds drukker (als alle oude mensen, die hun eigen toenemende traagheid niet in de gaten hebben): hij moest de ene na de andere bijdrage leveren voor Festschrifte. Omdat hij tot de geleerden behoorde die over talloze onderwerpen of details nog steeds niet hebben gezegd wat ze willen, moet dat schrijven van die stukken hem niet veel moeite hebben gekost.

Ik heb hem het scherpst als slaper in het geheugen. Bij de viering van de vierhonderdste geboortedag van Bredero, in 1985, moest ik over de dichter spreken op het Muiderslot. Stutterheim zat op de vierde rij. Ik was nog niet begonnen of hij viel in slaap - althans ik kan me niet voorstellen dat hij zijn ogen van genot sloot. Het geweten, want dat wist hij zich, sliep. Dat maakte het spreken niet gemakkelijker. Een slapend hoofd leidt af, en hij wist het nog kaarsrecht te houden ook, wat mijn bewondering groot maakte.

Het was de laatste keer dat ik hem heb gezien. Wat hij vooral was: een groot didacticus. Dat bewijzen die boeken ook, naar opzet en toon. Hij wilde meer. Maar daarvoor is meer dan hard werken nodig.

Daar ging ook Anthonie Donker, die eigenlijk N.A. Donkersloot heette. Hij is ook alweer vijfendertig jaar dood. Hij was dichter (zijn poëzie durf ik, als bijna alle poëzie, niet aan mijn oog te onttrekken), maar ook criticus en hoogleraar, eerst in de Nederlandse, later in de vergelijkende literatuur. Hij schreef een proza dat een benijdenswaardige natuurlijkheid en helderheid had. Hij kende daarbij een dichterlijk doorvoelen van de literatuur, wat zijn wetenschappelijke inzichten een extra dimensie gaf.

Ik heb al zijn studies gelezen, maar er zo'n veertig jaar niet meer in gekeken, nooit meer iets in opgezocht, nooit iets uit geciteerd. Ik had dat zo graag gedaan, want hij was een bijzonder innemend iemand, met die zachte krachten die men misschien te gemakkelijk identificeert met het maandblad De Stem, dat hij samen met Dirk Coster redigeerde. (Hij had allerminst die verheven toon van Coster, die altijd harp speelde op de taal).

Hij had uiterlijk iets voornaams, was lang en smal, zijn al vroege kaalheid gaf hem al gauw een wijsheid boven de jaren, die zijn zeer uitgewogen gezicht ook verried. Ik heb hem één keer horen spreken. Hij sprak mooi en uiterst verzorgd en soms niet ongeestig - zonder gevoel voor humor had hij zijn Karaktertrekken der vaderlandsche letterkunde nooit kunnen schrijven. Hij modelleerde daarin ons naar onze literatuur, wat een tijdelijk geloofwaardig spel opleverde.

Hij was vroeg oud, de haarkrans werd spierwit, hij vermagerde ook, de tbc, die hij had gehad, moet zich altijd in dat lichaam schuil zijn blijven houden. Ik zat eens naast hem bij een bijeenkomst, waarop de spreker, zijn collega Garmt Stuiveling (die zijn zachte krachten verhardde, om het zacht te zeggen) het woord voerde en zichzelf als voorzitter van iets aankondigde. 'Dat doet hij al vanaf zijn tiende jaar', fluisterde Donkersloot mij toe, die verder, met een heel lichte, milde glimlach bleef luisteren.

Hij had meer dan Stuiveling in zijn leven doorstaan: de omslag van vriendschap tot afkeer van Du Perron, voor wie 'Costersloot' de roep- en doemnaam werd voor alle weeks in de literatuur. Dat hij in de oorlog zeer moedig was, werd na 1945 weer vergeten. 'Costersloot' bleef als een afprijskaartje aan hem hangen. Toen J.J. Oversteegen hem na zijn dood de hem toekomende eer gaf, werd hem dat kwalijk genomen. Een brandmerk door Du Perron was er een voor het leven en daaroverheen. (Overigens: erger dan Costersloot was 'paaps'. In 1936 werd Donkersloot hoogleraar in Amsterdam. Daarbij werd een zwaargewicht, de katholiek Gerard Brom, gepasseerd. 'Liever Donker dan de paap Brom', juichte Du Perron).

Ik heb Stuiveling nog niet in de ballingschap van de kelder gestuurd. Hij stond in huis ver van Donkersloot; in de kelder, een soort hiernamaals, zouden ze vlak bij elkaar komen. Ik vreesde het ergste. 'Inconsequent', zei een vriend. 'Voorbij is voorbij.' Hij had gelijk. Je verbant geen boeken die je niet meer leest. Je verbant generaties. Maar Stuivelings stem hoor ik nog altijd, vooral in die uiterst zorgvuldige opgewondenheid die hem eigen was, woede of ze gedrukt staat. Die stem zal luider worden en steeds meer vanuit de hoogte klinken. Als hij mijn achternaam noemde, ging ik al bijna in het gelid staan. Ik had voor hem meer ontzag dan voor zijn werk. Daardoor overleeft het nu. Even.

Meer over