Gele borden

Hoe het vertrekken op stations voorgoed gaat veranderen.

NICO DIJKSHOORN

ertrekkende treinen. Dan kun je mij wegdragen. Zo'n enorme, traag in beweging komende bonk staal met stoeltjes en op die stoeltjes zitten allemaal mensen die ergens naar toe gaan. Weg bij jou.

De dichter Cees Buddingh' kon huilen om een winterpeen, ik om vertrekkende treinen. Nu ik het opschrijf: ik ben jaloers. Ik zou ook graag willen huilen om een winterpeen.

Ik snap de emotie. Winterpeen is een nogal onbeholpen groente. Te lui om de aarde van zich af te schudden. Het achterlijke broertje van de bospeen. De winterpeen is een zwetende boer met een oogziekte, ergens achter in het huis. Als je daar gevoelig voor bent, dan ga je huilen.

Ik heb het met vertrekkende treinen. Soms ga ik een middag op een willekeurig perron zitten en laat ik mijzelf vol vocht lopen. Al die lieve toeristen met hun veel te grote koffers. Je zit naar ze te kijken en je weet hoe het is gegaan: ze hebben een half uur geleden nog ergens in een veel te vies en veel te duur hotel staan schatten of hun koffer niet te zwaar is.

Daar mag ik ook graag naar kijken, mensen die midden in de vertrekhal van een vliegveld op hun knieën voor een opengeklapte koffer zitten. Je ziet het plastic zakje met gedragen ondergoed. De souvenirs. De zinloze aankoop. Er moet nog 2 kilo worden geofferd. Vaak zijn wandelschoenen de lul. Die vind je overal op luchthavens. En daar kom ik weer in beeld. Twee schoenen, met vetertjes, zonder warme voeten. Nooit meer ruikend naar mens. Zo zielig.

Maar we hadden het over treinen. Vertrekkende treinen. Het fijnst vind ik het als iemand denkt dat hij zijn koffer op het perron heeft laten staan. Achter het verlichte raam zie je eerst de blinde paniek. Het zinloos voelen in de borstzak, alsof je daar een koffer van 25 kilo in kunt vervoeren. Dan het opstaan. Het fluitje. Meteen het wild op en neer wandelen in de coupé en dan altijd iemand die naar boven wijst. Kijk, daar ligt hij. In het bagagerek. En dan het wegrijden.

Vertrekkende mensen zonder koffer vind ik ook heel lief. Het is zo onomkeerbaar. In een auto kun je, na een enorme ruzie met je partner, lekker in de rondte rijden. Je doet net alsof je de hele nacht niet meer thuis gaat komen, maar als je vriendin je ziet wegrijden, weet ze genoeg: die hoor ik over een uurtje de sleutels weer in de voordeur steken. Daarna moet je, of je wilt of niet, de kamer binnenkomen. Ze zegt, zonder op te kijken uit haar boek: 'Zo, lulletje, alweer thuis?' Daarna doe je net alsof je op de bank gaat slapen.

Helaas gaat er iets veranderen in het dramatisch vertrekken. De NS laat langzaam de gele borden vol vertrektijden verdwijnen. Die vond ik juist zo fijn. Een jongen en een meisje. Zij met een reistas. Het zoeken naar het juiste perron en dan altijd de jongen en het meisje, in geel licht, nog even met de hoofden heel dicht bij elkaar. Allebei met hun vinger langs de lettertjes. Haar trein gaat al over drie minuten.

Hoe neem je voorgoed afscheid in drie minuten? Dat kan niet. En daar zat ik dan naar te kijken, met een paar wandelschoenen aan.

undefined

Meer over