Geld voor allochtone leerlingen veelal verkeerd besteed door vaag beleid overheid Achterstandsbeleid levert niets op

De prestaties van allochtone leerlingen blijven onder de maat, hoewel de overheid al sinds 1985 jaarlijks vierhonderd miljoen gulden uittrekt om de achterstand van die leerlingen te verkleinen....

Van onze verslaggeefster

Xandra van Gelder

AMSTERDAM

Mulder promoveert woensdag in Nijmegen op een onderzoek naar het onderwijsvoorrangsbeleid. Zij meent dat het ministerie van Onderwijs heeft nagelaten duidelijk te maken wat het van de scholen verwachtte. Daarom zagen de meeste instellingen het extra geld als een soort cadeautje en waren zij zich er niet van bewust dat het bestemd was voor het bijspijkeren van de zwakke leerlingen. De meeste scholen hebben met extra leerkrachten de klassen verkleind, en daarvan profiteren alle kinderen.

Mulder, verbonden aan het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS), neemt als eerste het beleid onder de loep. Het ministerie probeert de achterstand op twee manieren te bestrijden. Scholen krijgen extra leerkrachten bij een zeker aantal achterstandsleerlingen, dat zijn allochtone en autochtone kinderen waarvan de ouders een lage opleiding hebben. Daarnaast is er ook geld voor onderwijsvoorrangsgebieden waar sprake is van een opeenhoping van problemen. Scholen, welzijnsinstellingen en hulpverleners werken samen om de achterstand van de leerlingen aan te pakken.

In de talloze beleidsstukken ontbreekt een duidelijke omschrijving van de gewenste uitkomsten. Over een mogelijke aanpak van de achterstanden wordt al helemaal niet gerept. Een mengeling van economische en ideologische argumenten leidt tot een uitgebreide wensenlijst. De prestaties van de zwakken moeten verbeteren, maar elk kind moet zich ook maximaal kunnen ontplooien en aan alle vakken moet evenveel tijd besteed worden. 'Aan de ene kant willen ze de kansarmen helpen, maar aan de andere kant moet het hele onderwijs van het geld profiteren. Dat is natuurlijk niet zo effectief', meent Mulder.

Daarnaast is de vrijheid van onderwijs een belangrijk struikelblok voor het slagen van het beleid. De in de grondwet vastgelegde onderwijsvrijheid verbiedt het ministerie eisen te stellen aan de besteding van het extra geld, omdat het zich dan zou bemoeien met de inrichting van het onderwijs. Toch vindt Mulder dat 'het ministerie op zijn minst aan de scholen zou moeten vertellen waarvoor ze dat geld kregen. Zelfs dat hebben ze nagelaten'.

Mulders kritiek richt zich vooral op de formatieplaatsen die aan de scholen worden gegeven. Het beleid voor de onderwijsvoorrangsgebieden is beter onderbouwd. Scholen in de voorrangsgebieden weten waarvoor zij geld krijgen en besteden het daarom gerichter. Toch heeft dat niet tot betere resultaten geleid. Mulder vindt bij de ovb-scholen wel een lichte groei in de prestaties van zwakke leerlingen, maar denkt dat dat vooral komt omdat de leerlingen die beter presteren al langer in Nederland wonen en de taal dus beter beheersen.

Mulder onderzocht van 35 duizend leerlingen, in de periode van 1988 tot 1992, hoe goed zij zijn in taal en rekenenen. De achterstand van de zwakke leerlingen is in die periode gelijk gebleven. Zij is tijdens het onderzoek een kwart van de leeringen kwijtgeraakt, omdat ze van school zijn veranderd, zijn blijven zitten of zijn verhuisd. Het was te duur om die leerlingen verder te volgen. Zij weet dus niet hoe het hen is vergaan. Het is goed mogelijk dat een groot deel naar het speciaal onderwijs is verdwenen. Als hun gegevens wel bij het onderzoek waren betrokken, is het zelfs mogelijk dat de gemiddelde prestaties van de zwakke leerlingen nog verder zouden dalen.

Het vele geld voor het bestrijden van de achterstanden heeft nog niets opgeleverd. Toch vindt Mulder niet dat de geldkraan dicht moet. 'Het gebiedenbeleid heeft nog niet veel meetbare resultaten opgeleverd, maar daar gebeurt veel waaraan de kinderen wat hebben. Ik verwacht dat dat in de toekomst wel resultaat zal opleveren. Bovendien is toch opmerkelijk dat er een paar scholen zijn waar het wel goed gaat. Die hebben heel veel allochtone kinderen en daar lukt het wel om de achterstand van die leerlingen te verkleinen. Zij moeten iets doen waardoor het wel lukt. Misschien kunnen we daarvan iets leren.'

Staatssecretaris Netelenbos maakt vanaf volgend jaar de gemeenten mede verantwoordelijk voor het achterstandsbeleid. Volgens Mulder kan dat een manier zijn om scholen bewuster te maken van de noodzaak een aparte aanpak te ontwerpen voor zwakke leerlingen. Tegelijk waarschuwt zij dat de gemeenten niet moeten ingrijpen in de aanpak van de onderwijsvoorrangsgebieden. 'Die hebben een goede, geïntegreerde aanpak en het zou heel jammer zijn als de gemeente daarbij niet aansluit.'

Meer over