Geld, macht en misdaad in Afrika

HET LIJKT een enorme chaos in Afrika, maar in werkelijkheid hebben de Afrikaanse leiders alles onder controle. Zij maken creatief gebruik van de wanorde voor het verwezenlijken van het hoofddoel in de Afrikaanse politiek: het onderhouden van het ingewikkelde cliëntèle-systeem waarop hun macht berust....

Hun boek, Africa Works - Disorder as Political Instrument, is een betoog tegen het gangbare idee dat Afrika steeds verder in het moeras zakt. Chabal, hoogleraar aan het King's College in Londen, en Daloz, onderzoeker van het Afrika-instituut in Bordeaux, keren zich vooral tegen de opvatting dat de staat in Afrika 'criminaliseert' en gaat lijken op een misdaadsyndicaat.

Dat is de stelling in het boek The Criminalization of the State in Africa, van Jean François Bayart, de toonaangevende Franse afrikanist, Stephen Ellis van het Afrika Studie Centrum in Leiden en Béatrice Hibou, een directe collega van Daloz. De vertaling uit het Frans van dit boek uit 1997 verscheen dit jaar in de serie African Issues van het International Africa Institute, waarvan elk deel tot debat aanzet.

Bayart, Ellis en Hibou beschrijven hoe Afrika de vrijplaats wordt voor de internationale misdaad. De drugssmokkelaars gebruiken Afrikaanse landen als tussenstop en de Afrikaanse machthebbers raken er meer en meer bij betrokken. Zo gaat het evenens met de mensenhandel, de illegale wapenhandel, de smokkel van diamanten en alle andere denkbare goederen. Zuid-Afrika is niet alleen een nieuw centrum voor de legale handel, maar ook voor allerlei smokkelnetwerken, schrijft Ellis. Nigeria is een veilig centrum voor de internationale drugsdealers.

De machthebbers in Afrika verrijkten zich vroeger door corruptie, het innen van smeergelden van buitenlandse bedrijven en het plunderen van de staatskas, maar deze 'kleptocratie' (waarvan de Zaïrese dictator Mobutu de kampioen was) is op zijn retour. Het grote geld is nu te vinden in de misdaad. De burgeroorlogen lijken etnische conflicten, maar in werkelijkheid hebben ze meer gemeen met een maffia-achtige strijd. In de zwarte economie valt veel meer te verdienen dan in de officiële.

Chabal en Daloz vinden dit een veel te negatieve kijk op de politieke cultuur in Afrika. Het beeld van gewetenloze dictators die ten eigen bate hun onderdanen naar de verdoemenis helpen, klopt niet, betogen zij. Zelfverrijking is nooit het hoogste doel van de machthebbers. De auteurs schetsen een beeld van handige leiders die met allerlei trucs grote sommen geld binnenslepen om weer te verdelen onder familieleden, verre verwanten, hun etnische achterban. Zo handhaven zij hun status en de stabiliteit van de samenleving.

Zo is het altijd gegaan in de Afrikaanse geschiedenis en de huidige leiders maken gebruik van de mogelijkheden van de moderne tijd om het systeem in leven te houden. Hun 'neo-traditionalisme' is de Afrikaanse manier van moderniseren. Thans valt er het meeste geld binnen te slepen via contacten met de misdaad, maar in de ogen van Chabal en Daloz gebruiken de Afrikaanse leiders de criminelen op precies dezelfde manier als alle eerdere partners.

Tijdens de Koude Oorlog werden de Afrikaanse leiders socialist, als dat steun uit de Sovjet-Unie bracht, en even zo gemakkelijk werden zij weer voorvechters van de vrije markt wanneer het Westen dat beloonde met ontwikkelingshulp en investeringen. Voor de manier waarop zij hun land bestuurden, maakte het niets uit.

Toen de planeconomie bij donoren in de mode was, lieten zij meerjarenplannen schrijven, die geen enkele band met de realiteit hadden. Toen het Internationaal Monetair Fonds structurele aanpassingsprogramma's voorschreef, weigerden veel leiders dit aanvankelijk, omdat dergelijke maatregelen het cliëntelisme dreigden te ondermijnen, maar zodra ze manieren hadden gevonden om dat te omzeilen, gingen ze alsnog akkoord. Als er maar geld kwam; aan hun beloften hielden ze zich niet.

De onderdanen beschouwen corruptie en andere criminele daden van hun leiders vaak niet als misdadig. Zij plukken er mede de vruchten van en de rijkdom vergroot het prestige van de 'Big Man'.

De gevolgen van deze analyse zijn groot. Democratisering is onmogelijk, vinden de auteurs. Zelfs als na verkiezingen een ander bewind aan de macht komt, zoals bijvoorbeeld in Zambia, groeit weldra het cliëntalisme. De oppositie heeft geen bestaansrecht, want die kan de achterban geen deel van de nationale inkomsten doorspelen.

De civil society is eveneens een illusie. Dit is een sleutelbegrip bij de particuliere hulporganisaties (ngo's), maar de partnerorganisaties waarnaar zij zoveel geld overmaken, stellen niets voor, menen Chabal en Daloz, omdat zij buiten de sociale netwerken staan.

Ook minister Herfkens zal Africa Works met verontrusting lezen: haar beleid om slechts hulp te geven aan regeringen die behoorlijk besturen, en de uitvoering van ontwikkelingsprogramma's aan deze regeringen over te laten, lijkt zinloos, want zulke regeringen bestaan niet. Hooguit doen ze alsof om geld binnen te halen, maar in de praktijk zal een regering de eigen achterban bevoordelen.

Het IMF, de Wereldbank en de VN moeten zich ook zorgen maken: de Afrikanen zijn helemaal niet uit op economische ontwikkeling. Het cliëntelisme stimuleert de economische groei niet. Integendeel: alles is erop gericht geld binnen te halen, uit te delen en in prestigieuze, luxe spullen te steken. Afrikaanse leiders investeren hun rijkdom nooit in de landseconomie: ze kopen dure auto's en stoppen hun verwanten wat toe.

Er valt wel het een en ander af te dingen op deze prikkelende visie. Het is bijvoorbeeld een raadsel hoeveel geld er omgaat in dit systeem. Waarschijnlijk veel minder dan Chabal en Daloz doen voorkomen. Hoeveel geld houden de machthebbers voor zichzelf en hoeveel pompen ze naar hun cliëntèle? Om hoeveel mensen gaat het eigenlijk? Gezien de armoede van het gros van de bevolking profiteert slechts een zeer klein percentage. Dat lijkt niet voldoende om sociale stabiliteit te garanderen. Dé voorbeelden van staten met cliëntelisme waren Zaïre onder Mobutu en Nigeria onder de militairen; ze zijn beiden bezweken. Als het systeem zo goed werkt, waarom moeten regimes dan zo vaak naar brute repressie grijpen?

Chabal en Daloz proberen met veel woorden de indruk weg te nemen dat hun visie cynisch is. Daar slagen ze niet helemaal in. Ze breken inderdaad met een paternalistische zienswijze. De Afrikanen in hun verhaal zijn niet langer slachtoffers, armen die zich wel móeten schikken naar de grillen van het rijke Westen, maar geslepen intriganten. Maar het valt moeilijk te geloven dat leiders als Nyerere van Tanzania, Machel van Mozambique of Mandela van Zuid-Afrika géén visie op de ontwikkeling van hun naties hadden en hun idealen alleen maar spuiden om hulp binnen te halen.

De verdienste van Africa Works is zeker dat de veronachtzaamde werkelijkheid van de verwantschapsbanden wordt uitgelicht. Maar werkt het systeem wel zo goed? Chabal en Daloz geven er weinig voorbeelden van. Vaak lijkt juist de traditie een schijnbestaan te leiden. De machtigste zakenman van Ghana onderhoudt contacten met de koning van Ashanti, maar veel te zeggen heeft de vorst niet. Er zijn meer tekenen van het verval van de traditionele structuren, met geweld als gevolg, dan van hun dynamische aanpassing aan de moderne tijd.

Bayarts sombere visie gaat lang niet voor heel Afrika op, maar de 'criminalisering' van de staat is onmiskenbaar een trend. Het valt moeilijk te zien hoe die zou bijdragen aan het 'werkende Afrika'. Criminele machthebbers en bendeleiders bekommeren zich weinig om de burgers, die hun cliëntèle zouden moeten vormen.

Omwille van de polemiek generaliseren Chabal en Daloz te veel, net als Bayart. De twee krachten, 'criminalisering' en de 'neo-traditie', zijn beide aan het werk in het moderne Afrika. Maar er zijn nog andere factoren, zoals de invloed van de internationale economie, de rol van donoren en geldschieters, de betekenis van nieuwe, democratische bewegingen en verwesterde intellectuelen. Die worden in beide boeken te veel gebagatelliseerd. Dat is niet nodig. Beide analyses zijn al verontrustend genoeg voor Afrikaanse democraten, hulporganisaties en westerse ministers van Ontwikkelingssamenwerking.

Meer over