Gekwelde vader, opgeruimde zoon

Als je hem vraagt: en begrijp je die man nou? Dan zegt hij: nee. Maar daar was het historicus H.L....

Hij heeft zijn vader amper gekend. ‘Dat is op zichzelf niet bijzonder’, stelt hij vast. Wesseling is 70 en zijn vader is zestig jaar dood. Hij heeft de man niet gemist. ‘Is dat vreemd?’

Nu komt H.L. Wesseling, emeritus hoogleraar algemene geschiedenis uit Leiden en een van de bekendste historici van het land, met een boek, je mag wel zeggen met een stevige (en onderhoudende) studie over* zijn vader.

‘Nee, ik heb het niet geschreven om emotionele redenen. Het is geen Zoektocht Naar Mijn Verleden – vergeet alsjeblieft niet de hoofdletters. Het is geen De Man Die Ik Nooit Gekend Heb. Het spijt me, de psychiater zal het vast kunnen verklaren.’

Bijna 62 was Carolus Dominicus Wesseling toen in 1937 zijn zoon Henk op de wereld kwam, vrucht van zijn tweede vrouw. Ze was bijna dertig jaar jonger dan haar man en ze vereerde hem. In 1943, op z’n 68ste, kreeg C.D. Wesseling zijn laatste kind; vier jaar later was hij dood.

Henk Wesselings vader heeft voor de oorlog als journalist en politicus een kleine, maar markante rol gespeeld in de katholieke beweging in Nederland. Hij bracht het tot de voetnoten van de geschiedenis. Zijn zoon heeft hem nu naar een hoger plan getild, maar niet omdat het zijn vader was.

C.D. Wesseling was katholiek en daarbij tamelijk links. Zeker vóór de oorlog was dat geen gelukkige combinatie. Het katholieke establishment heeft hem afgeserveerd toen hij al te hinderlijk voor de voeten ging lopen. De zoon spreekt van ‘een totaal mislukte carrière’. Dáárvan wilde hij meer weten. ‘Ik was nieuwsgierig’, zegt hij. ‘Maar als hij voorzitter van de Algemene Bond van Schoorsteenvegers was geweest had ik het boek inderdaad niet geschreven.’

Maar zijn vader was journalist, kroniekschrijver van de Tweede Kamervergaderingen voor het katholieke dagblad De Tijd en voor het weekblad de Haagsche Post. Hij was actief in de katholieke politiek, eerst in de Roomsch Katholieke Staatspartij (RKSP) en later als dissident.

Een Couperusachtige Hagenaar die nooit zonder hoed en wandelstok zijn huis aan de Nieuwe Schoolstraat verliet en nimmer zichzelf schoor, maar dit liet doen in een deftige kapsalon aan de Parkstraat waar hij zijn eigen laatje had. Maar ook links en ‘diep, diep sociaal bewogen’, zoals zijn zoon zegt. En altijd in de contramine.

Wesseling: ‘Kijk eens, hij had natuurlijk bij De Tijd gemakkelijk carrière kunnen maken als hij een beetje zijn grote mond had gehouden. Zo ingewikkeld kon dat niet geweest zijn. Hij was een uitstekende journalist. Hij schreef goed.

‘Hij had heel goed in die Staatspartij kunnen blijven als hij niet met iedereen ruzie was gaan maken. Maar ja, dat was te veel gevraagd. Als het te lang rustig bleef, schreef hij maar weer eens een brochure waarin iedereen werd afgemaakt.’

Achterin het boek over zijn vader heeft Wesseling een overzicht opgenomen van diens publicaties. Daar staan fijne titels tussen, zoals De groote teleurstelling en In handen van rovers.

Het boek van Wesseling, dat vanaf morgen in de boekwinkel ligt, draagt de titel Zoon en vader – Vader en zoon. Parallel aan de geschiedenis van zijn vader beschrijft Wesseling zijn eigen bestaan. Die twee levens komen in ruim 250 bladzijden geen moment bij elkaar.

Voor de oude Wesseling waren de dagen in hoge mate rusteloos. Wat een contrast met de zoon! Die omschrijft zijn eigen leven als ‘zorgeloos’, niet alleen nu, maar zolang al als het duurt.

‘Er zijn een heleboel dingen die mensen werk noemen en die ik daartoe niet reken. Als je bijvoorbeeld ’s avonds een boek leest over de Franse geschiedenis – ik doe dat heus niet zo vaak, hoor – is dat dan werken? Of als je vergaderstukken leest, die vreselijke universitaire verslagen? Leuk is het niet, maar ik noem het geen werken.’

Hij mag graag opscheppen over zijn luiheid. Een deel mag men afschrijven als pose. Behalve hoogleraar in Leiden was hij rector van het internationale onderzoeksinstituut NIAS in Wassenaar. Hij was leermeester van de aanstaande koning en is lid van menige wetenschappelijke academie. Hij heeft altijd erg zijn best gedaan voor de Nederlands-Franse verhoudingen. De Fransen bedankten hem met het officierschap in het Legioen van Eer – dat is geen gratis gebaar.

En Wesseling schreef boeken, ondermeer over Indië, over Frankrijk allicht en over de imperialistische opdeling van Afrika. Dit wil hij nog wel toegeven: ‘Eigenlijk vind ik schrijven de enige vorm van werken. Dat is echte intellectuele arbeid, de rest niet.’

Wesselings leven is ‘een samengaan van slimheid en elegantie’, zoals zijn Leidse collega Willem Otterspeer, hoogleraar geschiedenis van de wetenschap, dat heeft aangeduid. Westerling flaneert door het leven. Het maakt hem tot een ontspannen en amusante figuur.

Hij heeft columns geschreven over van alles en nog wat, ondermeer voor NRC-Handelsblad. In een van zijn mooiste stukjes (uit het boek Frans met de Fransen) rekent hij voor hoe groot de wijnvoorraad dient te zijn van een gemiddeld huishouden.

‘Het drinken van twee à drie glazen rode wijn per dag biedt bescherming tegen een aantal vormen van kanker. Aangezien al eerder was aangetoond dat twee à drie glazen ook helpen tegen hart- en vaatziekten, brengt dat de medisch verantwoorde, ja aanbevolen consumptie op vijf à zes glazen per dag.’ Omdat je een bodem niet behoort achter te laten in de fles en omdat het bij tijd en wijle verjaardag is en omdat uiteraard aan discriminatie van de partner niet te denken is, zit je zomaar op twee flessen per dag, afgerond maakt dat achthonderd flessen per jaar, bij een kelderrijping van tien jaar overdrijf je dus niet met een voorraad van achtduizend flessen.

De levensgenietende zoon is planeten verwijderd van de gekwelde vader. ‘Ik heb gewoon geluk gehad. Ik heb gymnasium gedaan, ik kon met een beurs studeren, dan beland je vanzelf in een andere wereld.

‘In die Roomsch-Katholieke Staatspartij zat voor een groot deel de aristocratie en wat daar tegenaan hing, veel adel ook, baron Van Wijnbergen, baron Ruys de Beerenbrouck, baron Wittert van Hoogland en verder heel veel katholieke bourgeoisie. Mijn vader met zijn onderwijzersdiploma hoorde daar niet bij. Hij moest vechten voor zijn plek.’

En hij verloor. Wesseling is een eind gekomen met te achterhalen hoe zijn vader eruit is gewerkt – waarbij de vader zelf een flinke hand hielp door zijn eerste vrouw te verlaten en hartelijke contacten te onderhouden met andere vrouwen. Het is een boeiende zedenschets.

Zo werd Den Haag waar Wesseling raadslid was, in het revolutiejaar 1917 geteisterd door het zogeheten ‘operaschandaal’. Het theater werd door de Nederlandse katholieken van die tijd beschouwd als een huis der zonde; de roomsen volgden in deze de calvinisten. C.D. Wesseling zag dat anders.

En zo kon het gebeuren dat hij voorzitter werd van een feestcommissie die het jubileum kleur moest geven van de exploitant van de Haagse schouwburg. Gekozen werd voor een galavoorstelling van de opera Thaïs van Jules Massenet. ‘Daarmee begon het gedonder’, schrijft Henk Wesseling.

De opera namelijk vertelt het verhaal van de courtisane Thaïs uit Alexandrië die zich door een monnik laat bekeren van een verdorven levenswijze. Juist als zij tot inkeer is gekomen, verschijnt ze bij de monnik in diens wulpse dromen.

De voorstelling kon geen genade vinden in katholieke ogen, Wesseling werd mikpunt van een campagne. Hij vluchtte vooruit door te betogen dat het verhaal van de opera van vóór de (christelijke) jaartelling was en bij gevolg de onzedige monnik onmogelijk een katholieke monnik kon wezen.

Ze lieten hem niet ontsnappen. Zijn tegenstanders, die Wesseling te links vonden, onthulden dat de opera was gebaseerd op een roman van de ‘vuilschrijver’ Anatole France, ‘een der gemeenste schrijvers die ooit hebben bestaan’. De zoon schrijft: ‘De zaak werd aangegrepen om hem uit de politiek weg te werken.’

Zijn vader werd in de jaren twintig dissident, een van de afvalligen van de RKSP. Hij organiseerde onder andere de zogeheten Ultrem-club. De naam was een afkorting van Ultimum Remedium en verwees naar de beroemde uitspraak van de katholieke voorman Nolens dat van een coalitie met de SDAP, de socialisten, slechts ‘in uiterste noodzaak’ sprake kon zijn. Ultrem was een geheime club, de Ultremisten gedroegen zich als conspirateurs, naar het voorbeeld van de cellenbouw van de communisten.

Er waren meer romantische initiatieven, maar het verzet wilde niet tot bloei komen en eind jaren dertig besloot de Katholiek-Democratische Partij, de dissidente beweging van dat moment, in arren moede terug te keren in de schoot van de RKSP. Dat was het einde van de politieke idealist Wesseling.

Aan het slot van zijn boek is de zoon niet ontevreden over wat zijn onderzoek heeft opgeleverd. ‘Ik vraag mij wel af wat ik er wijzer van ben geworden.’

Het is niet dat hij zijn vader nu wel heeft leren kennen, zegt hij ter toelichting. Hij heeft zich proberen voor te stellen of dat voor zijn kinderen hetzelfde zou zijn geweest, als hij vroeg was gestorven.

‘Niet dat ik een vader was die wel veel met zijn kinderen deed, dat niet hoor. Eerlijk gezegd deed ik helemaal niks met ze. Ik heb nooit een luier gezien en ik wou dat liever maar zo houden.’ Toch denkt hij dat een vroege dood van hem voor zijn kinderen anders zou zijn geweest. Vanwege Parijs waar ze en famille gewoond hebben, vanwege het tweede huis in Friesland. Vanwege de zorgeloosheid eigenlijk. Als hij terugdenkt aan vroeger ziet hij niks; hij vermoedt dat het voor zijn kinderen anders is.

Wesseling: ‘Ik weet nu veel meer over mijn vader dan voorheen. Maar als je me vraagt: en begrijp je de man nou*? Ik denk het niet. Zo bijzonder is dat ook weer niet. Wie kan nou zeggen dat hij zijn kinderen kent, dat hij zijn ouders heeft begrepen?

‘Aanvankelijk stond zo’n soort slotalinea in mijn manuscript. Toen dacht ik: laten we dit nu maar schrappen, die kant moet het niet opgaan. Ik bedoel, er is al genoeg intimiteit op de televisie.’

Uitgeverij Bert Bakker, 270 pagina’s, euro 24,95ISBN 978 90 351 3189 7

Meer over