Gek, mijn peuter wil niet natafelen

In de VS weten veel ouders niet wat een baby nou eigenlijk kan en wat niet. Stress of passiviteit zijn het gevolg....

Mirjam Schöttelndreier

Er zijn ouders die denken dat een dreumes van twee het leuk vindt om ’s avonds lang te tafelen. Ze begrijpen niet waarom hun kind na een kwartier gaat jengelen, huilen en uit z’n stoel wil. En mailen dan naar Ouders Online. Waarom hun kind toch zo druk is?

Justine Pardoen, hoofdredacteur van Ouders Online, geeft dagelijks antwoord op dit soort vragen. En legt uit dat het heel gewoon is dat een kind van die leeftijd niet langer dan 10 à 15 minuten kan stilzitten.

Pardoen: ‘Ouders hebben vaak geen idee wanneer je met de zindelijkheidstraining kan beginnen, en hoe lang het duurt om een kind zindelijk te krijgen. Vaak willen ze dat te snel of juist veel te laat.’ Dat baby’s vaak spugen en krampjes hebben en dat dat er allemaal bijhoort, weten veel ouders van een eerste kind evenmin. Daarom gaan ze al snel in draf naar de dokter. ‘Omdat ze geen idee hebben hoe de normale ontwikkeling van een kind verloopt, worden dit soort dingen snel geproblematiseerd en gemedicaliseerd’, aldus Pardoen.

De bevindingen van Pardoen komen overeen met een groot Amerikaans onderzoek dat begin deze maand op Hawaii is gepresenteerd. Van de 10 duizend ouders met een baby van negen maanden had bijna eenderde geen idee wat je van je kind kunt en mag verwachten. Die conclusie trokken de onderzoekers van de Rochester University op basis van een lijst met 11 vragen die ze de ouders hadden laten invullen. De vragen betreffen sociale, fysieke en emotionele vaardigheden waarover een kind tussen 8 en 13 maanden al dan niet beschikt.

De Amerikaanse ouders die met vier of minder goed beantwoorde vragen in de zorgelijke categorie zaten, waren over het algemeen laagopgeleid en hadden een laag inkomen. Doordat ze weinig wisten van de natuurlijke kinderlijke ontwikkeling, droegen ze ook weinig bij aan die ontwikkeling. Ze hadden namelijk geen idee hoe ze hun kind konden helpen bij het leren praten, grijpen, en het ontdekken van goed en kwaad. Als ouders niet goed weten wat hun kind kan, kan dat ertoe leiden dat ze ofwel boos en gefrustreerd raken omdat het volgens hen onvoldoende presteert, ofwel hun kind niet stimuleren omdat ze denken dat hun kind iets toch nog niet kan.

Ontwikkelingspsychologe Sylvia Nossent, voorzitter van de Stichting Babywerk, herkent dit soort situaties. ‘Ik hoor van ouders die boos zijn op hun baby van zes maanden als hij niet stil ligt tijdens het luierverschonen. Maar ja, roepen dat hij stil moet liggen, helpt echt niet.’ Al kunnen armoede en weinig opleiding ouders parten spelen bij de opvoeding, Nossent denkt dat ook bij veel welvarende en goedopgeleide ouders ervaring en kennis ontbreekt. ‘Veel ouders zijn niet opgegroeid met kinderen om hen heen, dus als ze rond hun 30ste voor het eerst een kind in hun armen hebben, is dat een enorme verandering in hun leven.’

Volgens de Amerikaanse onderzoeker Heather Paradis is het onderzoek een ‘alarmsignaal’ voor opvoedkundigen om ouders bij te staan hun kind op de juiste manier te begeleiden. Nossent is dat met haar eens en zou ook graag feitelijke gegevens willen hebben over de situatie in Nederland. ‘Het zou goed zijn als we eens gingen kijken hoe ouders werkelijk opvoeden, in plaats van dat we steeds weer nieuwe boeken schrijven over hoe het moet.’

Nossent betreurt daarbij dat de kraamzorg – steun en toeverlaat vooral voor ouders van een eerste kind – door de recente verzelfstandigingsoperatie onder het ‘kosten-batenregime’ van de zorgverzekeraars zijn gaan vallen. ‘Soms komen er wel twee, drie kraamzorgen in een week bij een gezin langs. Dat is niet bevorderlijk voor het opbouwen van een band.’

Kraamhulpen zouden meer opleiding moeten krijgen en meer status. Zij kunnen ouders helpen en hun de weg wijzen. Die hulp en steun kunnen ook kindermishandeling voorkomen. Daarom is het jammer, vindt Nossent, dat een bestaand instituut als kraamzorg zo weinig prioriteit krijgt.

‘Van de kraamhulp kun je horen dat goed ouderschap je niet komt aanwaaien, maar pittig is en dat je bovendien dingen kunt bijleren. Het scheelt al als mensen zich niet schamen voor hun problemen.’

Om ouders en andere opvoeders te helpen, maar ook om van hen te leren, is de gemeente Den Haag bezig onder leiding van ontwikkelingspsycholoog René Diekstra een ‘opvoedcanon’ samen te stellen. Daarvoor zijn en worden deze maand duizend opvoeders geïnterviewd. ‘Als ervaringsdeskundigen weten zij al ontzettend veel, maar de wetenschap kan kennis toevoegen die het opvoeden ten goede komt’, aldus een gemeentelijk voorlichter.

Toch snapt hoofdredacteur Pardoen best dat dertigers met een goede baan het moeilijk vinden veel jongere leidsters uit het kinderdagverblijf te vragen hoe ze hun kind moeten opvoeden. Ergelijker vindt ze het dat normale kennis over én begrip voor de kinderlijke ontwikkeling uit de hele maatschappij dreigt te verdwijnen. ‘Als je bezig bent een kind zindelijk te laten worden, moet je soms in een winkel even naar de wc. Nou, vraag dat maar eens – ze kijken je aan of je gek bent.’

Dat past volgens haar in het plaatje dat kinderen een leuk accessoire mogen zijn, maar geen last of hinder mogen geven. ‘Ik zie een toenemende neiging goed opvoeden gelijk te stellen aan disciplineren, het kind eronder krijgen. Want drukte, gehuil of gedoe, dat betekent tegenwoordig dat jij als ouder het niet goed doet, in plaats van dat men begrijpt dat dat nu eenmaal bij de normale ontwikkeling van kinderen hoort.’

Meer over