Geitebreiers met sandalen op de Veluwe Wessel te Gussinklo meet zich met het populairste cliché in de Nederlandse roman

Een leider van een cursus prozaschrijven die na een periode van dagenlang corrigeren is vergeten na te denken over een nieuwe opdracht, kan zijn pupillen altijd nog het volgende voorstellen: 'Zet u dit keer aan het meest platgetreden thema uit de Nederlandse literatuur....

Tien tegen een dat cursist Wessel te Gussinklo (1941) met de eer zou gaan strijken, nadat hij bij de eerstvolgende bijeenkomst de 551 bladzijden van De opdracht op de lessenaar heeft gedeponeerd. 'Deze man heeft een monstrum gebaard', zou de docent bij zichzelf denken, als hij passages proevend telkens blijft haken achter verwrongen en hoekige formuleringen. Maar was dat niet conform de opdracht? 'Als hij thuis was zou hij het allemaal opschrijven om het te kunnen oefenen', zo'n zouteloze uitsmijter, was dat niet de koning van de dooddoeners om een boek mee te beëindigen? Nee, dit curiosum verdiende een aandachtige lectuur. Te Gussinklo kon iets ongewoons hebben gepresteerd.

De jaren vijftig. Een zomerkamp op de Veluwe. Ewout Meyster is ruim veertien jaar. Zijn vader is er niet meer, doodgeschoten door de Duitsers in de oorlog. Ewout heeft een scheel oog en hij stottert. Anders dan zijn kampgenoten twijfelt hij aan het bestaan van God. Meisjes zijn vreemde en onbereikbare wezens, flikkers ongezond, en zijn verering van de kalme boom van een vent Hugo heeft dan ook niets met verliefdheid te maken. Of toch? Ewout vindt nergens gehoor voor zijn gepieker want de anderen moeten hem niet, terwijl hij zielsgraag een natuurlijk onderdeel van een groep zou zijn.

Kan het onderwerp flauwer? Daarom kan ik mij alleen maar indenken dat Te Gussinklo het er om doet, die populairste pagina uit het Nederlands stalenboek van literaire thema's nog eens op te slaan.

Dit keer moest het zielige jongetje, een verhaalfiguur waarvan iedereen zou denken dat er niets meer uit te persen is, tot op het bot worden uitgemolken. De puberteit, die zo veel jongeren als een haast onbegaanbaar oerwoud voorkomt, moest in al haar vreeswekkendheid worden afgebeeld.

'Een indringende fin-de-siècle roman' heeft de radeloze flaptekstschrijver er van gemaakt. 'Qua thematiek kan De opdracht tussen Bordewijks Karakter en Vestdijks Anton Wachter-reeks worden geplaatst', zette hij er in een melige bui achter, zodat een vergelijking met Te Gussinklo's onmetelijk bekwamere voorbeeld (Vestdijk) wordt uitgelokt.

Met 'fin-de-siècle' heeft deze roman niets uit te staan, of het moeten de synesthesieën zijn, die herinneren aan de verhitte woordkunst van de Tachtigers. Ook al geen gunstig uitpakkende vergelijking, daar het Te Gussinklo aan muzikaal gevoel ontbreekt. 'Het onafzienbaar grote vochtig-ademende lichaam van het bos', 'het plotselinge, haast puntvormige toenemen van iets', 'een koortsachtig en toch soepel, haast streepachtig bewegen', 'een openvouwen in alle gebeurtenissen': het is een vreemdsoortig gebeuren, die stijl van Wessel te Gussinklo.

De vage en grote woorden die Ewout gebruikt, en ook nog in eindeloze herhaling (hoewel soms een stuk tussen haakjes staat, gaat het in feite om één langgerekte monologue intérieur), passen wel bij de peilloze onzekerheid van een puber, die daarbij onvoldoende weet heeft van compromissen en relativeringen. Ewouts botsing met zijn kampgenoten - voor het grootste deel laffe meelopers en hinnikend publiek van de binken -, en zijn stoutmoedige streven zich te onderscheiden door krasse taal en handelingen, verkrijgt iets wanhopigs door Te Gussinklo's oeverloosheid. Het drenzen bewerkstelligt effect. De voorspelbare taferelen van zo'n christelijk zomerkamp, geleid door een stel gefrustreerde geitebreiers met sandalen, bril en scheiding, brengen iets teweeg bij de lezer die zich door Te Gussinklo laat onderdompelen.

De kans op bereidheid daartoe zal niet groot zijn. Pas in het vierde deel, met nog tweehonderd bladzijden voor de boeg, is er bevlogenheid bij Te Gussinklo te bespeuren. Gevreesd moet worden dat de meerderheid van de lezers op dat punt al lang gevloerd is. Zij onthouden zich dan een portret van een jongen die leert dat 'anders zijn' bestraft wordt met hoon en uitstoting door 'de groep'. De nivellerende overmacht van de middelmaat, die in Nederland is geïnstitutionaliseerd en van jongs af aan moet worden aanvaard, ja bejubeld als teken van democratie en tolerantie, wordt door Te Gussinklo in De opdracht van haar terroristische kant getoond. Ewout Meyster is dan ook niet alleen maar een traditionele underdog met wie wij geacht worden mee te snotteren, maar een onhandige adolescent die uiteindelijk de anderen in hun kleurloosheid en achterbaksheid kneuzen en rotzakken vindt. Zij noemen hem een raar klootzakje. Het zegt iets over hén.

Zo zal de goegemeente de schrijver van De opdracht een onvolwassen zeurkous vinden. En hierover geen misverstand; Te Gussinklo hééft een gedrocht gebaard. Maar ik zie hem er wel voor aan, dat hij staat te grinniken als hij verneemt dat het gros van de lezers voortijdig is gevloerd, om vervolgens de doorzettende zonderling die nog steunend van het laatste cliché op zijn tandvlees over de finish strompelt, de vijf te gunnen.

Wessel te Gussinklo: De opdracht. Meulenhoff, ¿ 49,90.

Meer over