Geïnterneerd op het eiland Man

IN DE DUITSE literatuur is de oorlog nooit geëindigd, ik bedoel de Tweede Wereldoorlog. Meteen na de ineenstorting van het Derde Rijk, toen het land één grote puinhoop was, begonnen schrijvers als Heinrich Böll en Günter Grass met de verwerking van deze onvoorstelbare tragedie....

Het levert vaak indrukwekkende boeken op. Ik denk aan de roman Vliegende honden van Marcel Beyer (1965) over een akoesticus in dienst van het Hitler-regime. Ik denk aan de huiveringwekkend mooie roman De voorlezer van Bernhard Schlink, een boek dat in Nederland pas werd ontdekt toen Rudy Kousbroek in NRC Handelsblad over de Engelse versie schreef. Ik denk aan de roman De verlorene van Hans-Ulrich Treichel over een gezin dat, op de vlucht voor de Russen, een kind kwijtraakte. Ik denk aan Maxim Biller en nog zoveel andere al of niet joodse, jongere schrijvers die met de oorlog en het oorlogsverleden zitten opgescheept en hier niet gelezen worden, omdat men hier geen Duits meer leest.

Dat is, gegeven het feit dat we in de schaduw van de machtige Bondsrepubliek existeren, natuurlijk krankzinnig, maar als het gaat om de literatuur een pijnijk gemis, want er verschijnen in Duitsland prachtige boeken (ook vaak uit andere taalgebieden, denk aan het werk van de Hongaar Sándor Márai).

Een van die prachtige boeken was in 1999, dacht ik, Die englischen Jahre van de Oostenrijker Norbert Gstrein, die in 1961 in Tirol werd geboren, wiskunde studeerde en boeken publiceerde als Einer, Das Register, O² en Der Kommerzialrat. Die englische Jahre leek het eerste grote boek waarmee hij zijn reputatie, misschien ook in het buitenland, zou vestigen. Het werd lovend besproken en kreeg de Alfred-Döblin-Preis.

Ik begon er in 1999 meteen in te lezen, maar om de een of andere reden bleef ik toen halverwege steken. De Nederlandse vertaling, die er sinds enige weken is, was aanleiding me opnieuw in het boek te verdiepen en daarom kan ik nu bevestigen dat De Engelse jaren opnieuw een boek is waarin de oorlog het thema is.

Maar op welke manier?

Dat is, gegeven dit boek, een interessante vraag.

Wie het verhaal begint te lezen, stuit al snel op de naam van een beroemde Duitse schrijver, die als jongen vóór de oorlog door zijn vader vanuit Wenen naar Londen werd gestuurd. In Londen zou hij, in dienst bij een goed gesitueerd echtpaar, geen gevaar lopen. In Wenen uiteraard wel, want hij was joods.

Deze jongen, Gabriel Hirschfelder geheten, leeft in Engeland te midden van een gezin in goeden doen, leert de kinderen Duits, rijdt de oude oma in haar rolstoel rond, krijgt iets met het dienstmeisje en wordt opgepakt. Niet omdat hij iets boosaardigs heeft gedaan, maar omdat hij 'Duitser' is, en dus 'verdacht'. Hij hoort bij de 'vijand', zoals later ook de dure Italiaanse chefs in Londen, nadat hun land aan de kant van Duitsland is gaan meedoen aan de oorlog. Zulke lieden zijn niet te vertrouwen en worden dus opgesloten, 'geïnterneerd' zoals het officieel heet. Hirsch felder gaat met anderen naar een kamp op het eiland Man (waar zich behalve joodse vluchtelingen ook nazi's bevinden). Ik zal de laatste zijn om te beweren dat Gstrein hier niet een mooi onderwerp bij de kop heeft, want wat weten we eigenlijk van de tragische omstandigheden waaronder de vluchtelingen toen moesten zien te overleven: door hun eigen regime bedreigde mensen, door hun gastheren als boeven opgesloten. Het verband met onze asielzoekers is snel gelegd. Maar is deze Exil-problematiek wel Gstreins thema in dit boek? Ik vind dat je in het algemeen gesproken niet al te snel een etiket op een roman moet plakken, omdat we romans nu eenmaal hebben om ons iets anders te tonen dan wat de geschiedschrijving of de journalistiek bij machte is te doen.

Als het goed is, gaat het om een kunstwerk, dat qualitate qua fictioneel van aard is en dus onmogelijk naar de werkelijkheid kan verwijzen (hoewel elke schrijver zijn best zal doen de indruk te wekken dat hij dat wel doet). Laten we zeggen dat het kunstwerk de werkelijkheid kan verhevigen, intensiveren, ons dingen kan laten ervaren die min of meer buiten de als normaal aanvaarde orde liggen.

De kunstenaar, óók de schrijver die een dergelijke naam waarmaakt - ik moest bij dit boek vaak aan W.F. Hermans en zijn Donkere kamer van Damokles denken -, heeft een heel arsenaal aan middelen tot zijn beschikking - stijl, toon, compositie - die allemaal bij elkaar de 'vorm' kunnen worden genoemd, en die vorm bepaalt in laatste instantie de inhoud, waardoor deze nooit kortweg samengevat kan worden in de frase: 'Dit boek gaat over. . .'. Waar gaat De zonnebloemen van Van Gogh over? Of Het proces van Kafka?

In de twintigste eeuw kun je die vraag, bij alle belangrijke kunstwerken, tot gek makens toe stellen, zonder dat je ooit een bevredigend antwoord krijgt. Waar gaat De Guernica van Picasso over?

Het enige antwoord dat we kunnen verwachten, is een min of meer plausibele interpretatie, maar naarmate schrijvers, filmers, fotografen, beeldend kunstenaars en musici steeds meer hun 'middelen' zichtbaar tot de inhoud van hun werk hebben gemaakt, zitten we ook wat dat betreft - kijk maar naar de eigentijdse poëzie - vaak met de handen in het haar.

Is dat ook zo bij Norbert Gstrein en De Engelse jaren? Nee, zijn verhaal is niet voortgekomen uit de aanvechtbare gedachte dat wanorde in taal, mits in handen van een scheppend genie, vanzelf tot orde stolt. Wat Gstrein vertelt, en de manier waarop hij dat doet, is juist door en door doordacht, geordend, rationeel.

Laat ik proberen er een indruk van te geven. Degene die in eerste instantie aan het woord is, een vrouw, is met Gabriel Hirschfelder in contact gekomen door haar man, een soort 'meneer Maker', die zo in de ban was van Hirsch felder dat hij zijn vrouw als het ware dwong zijn idool te leren kennen om hém beter te kunnen begrijpen. Zulke echtverenigingen lopen gevaar. De twee zijn in elk geval uit elkaar gegaan, en terwijl de vrouw het verdriet daarover nog verwerkt, komt ze te weten dat de aanbeden schrijver in de oorlog, toen hij opgesloten zat in het interneringskamp op Man, misschien een man heeft vermoord.

Het is alsof dát 'feit' voor de vrouw al die haar aangeprate kennis over Hirsch felder van zijn betrekkelijke abstractheid ontdoet, en ze voor het eerst gemotiveerd raakt om zich zelf met hem bezig te houden. Vanaf nu is hij voor haar een mens van vlees en bloed. Ze besluit, in Wenen, in Londen, in Southend-on-Sea, de plaats waar Hirschfelder is gestorven, en op Man zijn gangen na te gaan. Zo begint iets te ontstaan dat veel weg heeft van een biografisch onderzoek. Gesprekken met de drie weduwen van de schrijver horen daarbij. Niettemin blijft lang onduidelijk wat de vrouw beweegt. De oplossing van die moord? Wil ze de biografie van Hirsch felder schrijven? Nee, ze is arts en heeft wel wat anders te doen. Pas helemaal aan het eind van het boek blijkt dat haar diepste motivatie misschien is geweest dat ze haar voormalige echtgenoot met háár 'Hirschfelder' wil confronteren, om niet te zeggen: hem ermee wil overdonderen.

Dat is niet erg bevredigend, het wordt althans niet heel erg overtuigend gebracht. Het lijkt ook, in het licht van wat er allemaal omtrent Hirschfelder overhoop is gehaald, een beetje belachelijk dat de tragische feiten waarvan we in kennis zijn gesteld, alleen in dienst zouden staan van deze ongetwijfeld ingewikkelde man-vrouw verhouding. Misschien dat hiermee in verband gebracht moet worden dat die hele Hirschfelder fake is geweest. De vrouw heeft ontdekt dat hij bij een scheepsongeluk om het leven is gekomen. Een ander heeft, al in het interneringskamp, zijn plaats ingenomen. Het object, van deze 'biografie', van deze relatie, was dus een leugen. Met die 'leugen' voor ogen krijg je als lezer, als je daar nog aan mocht twijfelen, een nog beter zicht op wat ongetwijfeld de intentie van Gstrein is geweest: laten zien hoe onachterhaalbaar de geschiedenis, ja, zelfs het leven van één individu is.

Maar los van deze interpretatie, die ik graag voor een andere en zelfs betere geef, kan nog een andere vraag worden gesteld: is wat Gstrein in zijn vierhonderd bladzijden boven water haalt, spectaculair genoeg om van een heel goed boek te spreken? Ik denk het niet: op de laatste pagina weten we meer over de schrijver die een bedrieger was, dat is waar. Misschien weten we zelfs iets meer over de oorlogstijd in het algemeen en kunnen we nu een beetje meepraten over hoe het was om als vluchteling in een Engels interneringskamp te zitten. Het gewordt ons in soms zeer beeldende passages, want schrijven kan Gstrein als de beste. Hij vertelt zijn verhaal in lange, goedlopende zinnen, die een gedegen Duitse litearaire scholing doen vermoeden (het soort zinnen dat van een vertaler een uiterste aan concentratie vergt, omdat het ritme zo moeilijk te 'vernederlandsen' is).

Noch het verhaal, noch de stijl zit je dientengevolge in de weg. Dat is iets anders; iets wat je als lezer op afstand houdt, is de bijna rigide bedachte constructie, die erin bestaat dat 'het onderzoek' van de vertelster wordt afgewisseld met de belevenissen van Hirschfelder, in de 'jij-vorm'. Heel bewust, kun je vaststellen, heeft Gstrein de vertelvorm gecompliceerd. Uiteraard om te laten zien hoe moeizaam een levensverhaal, of misschien wel élk verhaal, tot stand komt. Hoe moeilijk het überhaupt is iets te vertellen. En daar is niets op tegen. Er is niets tegen de ingewikkelde vertelvormen die we van schrijvers als Proust, Joyce, Beckett en Guimarães Rosa kennen - ze zijn me er des te dierbaarder om -, er is alleen iets tegen als ze je niet in verrukking weten te brengen.

De vraag is dan: heeft de schrijver zoveel te vertellen dat het niet kon op de simpele manier die we kennen van Nescio of Elsschot? Of is hij zich zo postmodern bewust van alle mogelijke literaire procédés dat hij daarop vanzelf meer het accent legt dan op wat hij hoopte te evoceren?

De Engelse jaren is een literaire puzzel van ver over de thousand pieces. Ik kan me voorstellen dat er na drie, vier, vijf keer lezen iets heel moois ontstaat. Of niet.

Meer over