Geestverruimende reis door de wereldliteratuur

Soms is het land te klein. De geest kan er niet waaien. Soms zou je het land en de geest in één klap willen verruimen....

Marjolijn Februari

De geestelijke claustrofobie die je bevangt bij het luisteren naar de gesprekken in verkiezingstijd – ‘confrontatie inhoudelijk van toon’, kopte de Volkskrant, mooi zo, mooi zo, de toon was inhoudelijk, en nu de inhoud nog – die geestelijke claustrofobie doet verlangen naar licht en lucht. Vandaar dat we vandaag een geestverruimende reis gaan maken door de wereldliteratuur. We doen niet mee met de politiek, we spijbelen.

Toen deze week om mijn favoriete Woolf-passages werd gevraagd, haalde ik uit mijn herinnering het moment te voorschijn waarop Virginia Woolf aan de lunch zit in Oxbridge. Dat wil zeggen, ze zit in Oxford of in Cambridge, maar ze vindt het niet relevant te vertellen in welk van de twee nu precies. Ze eet tong en patrijzen, ze drinkt wijn uit fonkelende glazen en zo komt het dat diep in haar een gloed wordt ontstoken, de ‘warme gele vlam van het ongedwongen contact’.

Na het eten laat ze zich met sigaret en al in de vensterbank zakken en net als ze haar as uit het raam wil gooien, ziet ze een kat zonder staart op het gras. Zo krijgt ze het kosmische gevoel dat iets in het leven ontbreekt: niet alleen de staart, maar ook een stroming, een gemummel achter de woorden. Vroeger, voor de Eerste Wereldoorlog, had achter alle gesprekken een opgewekte melodie geklonken: mensen neurieden gedichten van Alfred Tennyson en Christina Rossetti terwijl ze met elkaar praatten – maar na de oorlog was die opgewekte melodie weg.

Dit is een favoriete Woolf-passage geworden omdat Woolf niet alleen haar eigen gedachten achter de gesprekken weergeeft, maar ook het lieve gedicht dat mensen voor de Eerste Wereldoorlog neurieden. There has fallen a splendid tear / From the passion-flower at the gate. / She is coming, my dove, my dear; / She is coming, my life, my fate; / The red rose cries, ‘She is near, she is near’ / And the white rose weeps, ‘She is late’ The larkspur listens, ‘I hear, I hear,’ / And the lily whispers, ‘I wait’.

Virginia Woolf neemt voetstoots aan dat we hierin het gedicht Maud van Tennyson herkennen. En toevallig herkende ik de woorden inderdaad, want die pratende en wenende bloemen was ik eerder tegengekomen. In Alice Through the Looking Glas van Lewis Carroll praten diezelfde bloemen met Alice over de komst van de koningin. ‘Daar komt ze, riep de Ridderspoor, ik hoor haar voetstap, van hompeldepompel, langs het grintpad.’ – ‘She’s coming!’ cried the Larkspur, ‘I hear her footstep, thump, thump, along the gravel-walk.’

Zo zou je de geest kunnen verruimen door van het ene boek naar het andere te reizen. Achter de ene passage doemt een andere op, die weer uitzicht biedt op een gedicht dat ruimte laat voor een interpretatie die de grenzen verlegt – en voor je het weet is je bewustzijn opgerekt en ben je een minder bekrompen mens dan voorheen. Dat is precies de reden waarom je je zou moeten aansluiten bij de roep om kunst die nu door Nederland waart: omdat kunst een bredere blik geeft op het leven en de maatschappij.

Ware het niet * Ware het niet dat juist in kunst een levensgroot gevaar schuilt dat maar al te vaak wordt vergeten. Het is een gemoedelijke gedachte, dat kunst de samenleving voorziet van een achtergrondmelodie, maar het is ook een onnozele gedachte. Terwijl ik nog steeds nadacht over Alfred Tennyson en Christina Rossetti raakte ik in gesprek met een letterkundige. Zijn geest was duidelijk ruimer dan de mijne, en ik vroeg hem welke boeken hij had gelezen om die op te rekken. Hij noemde namen en titels, en een paar dagen later vond ik een envelop bij de post met een verhaal van Sigizmoend Krzjizjanovski.

Het verhaal De kwadratoerine dateert uit de jaren twintig van de twintigste eeuw, het moment dat Virginia Woolf aan de lunch zat te Oxbridge. De schrijver Krzjizjanovski werd er niet wereldberoemd mee – samenleving, oorlog en censuur kwamen er tussen – maar het is een van de meest indrukwekkende en angstaanjagende verhalen die ik ooit heb gelezen.

Soetoelin, die in Rusland een kamer van acht vierkante meter bewoont, krijgt bezoek van een vertegenwoordiger in Kwadratoerine. De man vertelt dat het spul kamers doet groeien, en laat een gratis monster voor Soetoelin achter. In de gebruiksaanwijzing staat: ‘Los een theelepel Kwadratoerine op in een glas water, doop een pluk watten of een schoon lapje in de verkregen oplossing en smeer er de muren van de kamer mee in die moeten groeien. De samenstelling laat geen vlekken achter. ’

Soetoelin gaat aan de slag. Hij smeert muren en vloer nauwgezet in, totdat het karwei af is en hij in slaap valt: ‘Tube en mens waren leeg.’ Nu begint de kamer te groeien; als Soetoelin wakker wordt zijn de muren geweken; als hij ’s avonds thuis komt is de kamer wanstaltig vervormd; het zestienwattlampje verdwijnt in de verte, de muur kruipt onophoudelijk weg van het bed, en het eindigt ermee dat Soetoelin in het donker de muren en de deur niet meer kan vinden. De laatste alinea geneest de lezer voorgoed van gemoedelijke gedachten over kunst: deze kunst maakt de blik op de samenleving niet breder, maar katapulteert de lezer met kracht naar de gruwelijke eindeloosheid en verlatenheid van de kosmos.

‘De bewoners van de kwadraturen die grensden aan de acht vierkante meter van burger Soetoelin, stonden door de slaap en de schrik niet stil bij het timbre en de intonatie van de schreeuw die hen midden in de nacht wekte en naar de deur van Soetoelins kooi deed rennen. Voor iemand, verdwaald in de woestijn en de dood nabij, heeft schreeuwen geen zin meer, het is al te laat: maar als hij tegen beter weten in tóch schreeuwt, dan klinkt het waarschijnlijk zó.’

Marjolijn Februari

Meer over