Geen stil leven

Hij is er nog. En dat mag gerust een wonder heten. Zolang hij kan, werkt kunstpaus Jan Hoet (76) onverstoorbaar door. Met de agenda van een 30-jarige. Vandaag opent hij zijn BiennaleOnline.

DOOR STEFAN KUIPER FOTO'S LINELLE DEUNK

Zijn vrouw zag het aankomen. De dag voor het ongeluk had ze er nog op aangedrongen dat hij thuisbleef. Ze zei: 'Ga op reis, houd uw lezing, maar ik zeg het u: u gaat het niet redden. U wordt onwel.' Natuurlijk had hij toen moeten luisteren: 'Mijn vrouw heeft namelijk altijd gelijk.'

Want wat er die bewolkte junidag in Hamburg ook precies gebeurde - zijn geheugen vertoont gaten en hij kan de bewuste ochtend slechts stukje bij beetje reconstrueren - vaststaat dat zijn lichaam er van het ene op het andere moment mee ophield: 'Het ging mis op de weg terug. Op Flughafen Hamburg was ik een verkeerde gate ingewandeld en het kostte me moeite om de juiste weg terug te vinden. Opeens riep de speaker mijn naam om. Mijn vliegtuig ging vertrekken! Ik trok een sprint, maar eenmaal bij de gate was ik totaal uitgeput. Een man, een kennis waarschijnlijk, probeerde me over te halen om aan boord te gaan. Hij zei: 'Jan, komaan, stap in, we gaan naar Gent.' Maar ik zei: 'Neen, ik ga niet, haal me een ambulance.' Op het moment dat ik in elkaar zakte heeft die man nog een foto van me gemaakt.'

Een uur later werd Jan Hoet (1936) in een kunstmatige coma gebracht.

Hij ontvangt op het terras van het museum waar hij tot 2002 directeur was: het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in het Citadelpark in Gent, zijn thuisstad. Houten tafels, aarzelend bloeiende magnolia's, een bakstenen kazerne te midden van een zee van groen.

De oud-directeur oogt gezond, vitaal zelfs, vitaler dan zijn 76 jaren en medische trackrecord doen vermoeden, in ieder geval. Bokserspostuur. Bruine teint. Ogen die maanvormig krullen wanneer hij lacht.

En dan is er nog zijn manier van praten, de bekende, vaak geparodieerde Hoetspeak: een direct herkenbaar taaltje bestaand uit exuberant Vlaams en kunstjargon dat naarmate het enthousiasme van de spreker toeneemt gestaag aan begrijpelijkheid verliest, maar dat nooit irritant is. Eerder ontwapenend. Aanstekelijk.

Neem zijn laatste project, de BiennaleOnline waarvan de website vanaf vandaag te bezoeken is. Hiervoor liet Hoet dertig curatoren, onder wie arrivés als Hans-Ulrich Obrist van de Serpentine Gallery in Londen en Nancy Spector van het Guggenheim New York, een vijftal jonge, relatief betaalbare kunstenaars selecteren - onder wie Joris Vandemoortele, Ahmet Ögüt, Katinka Bock- van wie tenminste drie uit eigen land; die hij vervolgens bijeen bracht op een website, de biënnale. Je zou verwachten dat zo'n ruime greep iets zegt over de stand van zaken in de kunsten, maar dat, verzekert Hoet, is lastig. 'Hedendaagse kunstenaars zijn individualistisch, hè. Ieder schenkt uit zijn eigen bron. Er zijn zo veel stromingen als er kunstenaars zijn.'

Hij beaamt het: internet kent zijn beperkingen. Immers: een website is geen museum, vrij rondlopen is leuker dan naar een beeldscherm staren en toch en toch: de biënnale voorziet in een leemte. Hoet: 'Pas op hè: de kunstwereld groeit. De gemeenschap van geïnteresseerden wordt groter. Er is meer en meer behoefte aan betrouwbare informatie. Deze biënnale is een informatie-biënnale. Zij is een wegwijzer voor verzamelaars. De reputaties van de curatoren geven deze kunstenaars een kwaliteitskeurmerk.'

Daarmee zijn we aangekomen bij Hoets belangrijkste verdienste: het ontsluiten van hedendaagse (lees: moeilijke) kunst bij een groot publiek. Al zo'n vijftig jaar - van zijn directeurschappen bij het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in Gent en Museum MARTa Herford tot de honderden televisie optredens en interviews - spant hij zich in om contemporaine kunst naar de mensen te brengen. Dat brengen verliep overigens zelden geruisloos. Vaak was Hoet het middelpunt van controverse. Jan Hoet versus het stadsbestuur Gent; Jan Hoet versus de Ouderen Partij Arnhem. Waar Hoet ging, zo leek het, daar was strijd.

Nu viel er ook veel te bevechten. Toen hij in de jaren zestig stopte met schilderen - 'mijn grootste geluk was dat ik tijdig inzag dat ik geen kunstenaar was' - en exposities begon te maken, gaf geen Belgische ziel om hedendaagse kunst: 'De Vlaming was conservatief. Politici gaven liever geld uit aan theater dan aan kunst; konden ze tenminste op de eerste rij zitten. Het SMAK bivakkeerde lang in een zaal van het Museum voor Schone Kunsten; toen ik de Duitse kunstenaar Joseph Beuys bracht stond heel Gent op stelten. Een vriend zei: 'Jan Hoet, als ze u nu niet aan het kruis nagelen, dan versta ik er niets meer van.' Ik antwoordde: 'Allez, Ronny, dat kan zijn, maar dat is een magnifique vent hè, Beuys, die moeten we brengen, verdomme!'

Inderdaad: hij is nooit bang geweest voor het volk.

Wat niet betekende dat hij ongevoelig was. Dat hij voor een etalage stond en zo - baf! - uit het niets een klap kreeg - het ware zo. En dat die leraar op de academie tegen zijn studenten zei: ga niet naar de tentoonstellingen van die rare Hoet - soit; die man wist immers niet beter. Wat hem wél dwars zat: dat zijn gezin leed onder zijn groeiende bekendheid. 'Mijn vrouw had angst, hè. Mijn dochtertje kwam huilend van school: de lerares had gezegd dat ik een zot was. Wanneer ik de bakker op straat tegenkwam, dan begon die man te zeuren over moderne kunst. Op het laatst ging ik liever een straatje om.'

De waardering kwam in 1986 met Chambres d'Amis, de tentoonstelling waarvoor Hoet kunstenaars in 71 Gentse woningen liet exposeren. 'Ik kreeg het idee tijdens een symposium in Bari, Zuid-Italië. Wij waren daar met curatoren bijeen om na te denken over de toekomst van verpauperde stadswijken. Toen een Amerikaan voorstelde om de boel plat te gooien en er een museum te bouwen zei ik: flauwekul, typisch Amerikaans, wat je moet doen is kunstenaars aan de slag laten gaan in die oude huizen. Dat wordt formidabel. Als jullie het niet doen, dan doe ik het zelf.'

De tentoonstelling werd een succes en Hoet een kunstpaus: kosmopolitisch, mediageniek, een schutspatroon voor jonge kunstenaars, ook: 'Toen Thierry de Cordier voor het eerst bij mij kwam, kon hij van de zenuwen nauwelijks praten; mijn assistent gaf hem toen maar een glaasje water.' Met de roem groeide ook zijn actieradius. Hij deed de negende Documenta in Kassel (1992) en daarna de beeldententoonstelling Sonsbeek (2001) en vulde twee keer het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië (Luc Tuymans, Guillaume Bijl). Hij ging van manifestatie naar groepstentoonstelling. Jaar in jaar uit. Als een zendeling.

Een levensstijl die offers vroeg - jawel. 'Ik ben bijvoorbeeld niet zo'n goede vader geweest. Het opvoeden van de kinderen liet ik aan m'n vrouw over; wanneer er problemen waren dan vluchtte ik het huis uit. Honderd keer heb ik beterschap beloofd, ach, die beloftes, maar ja, dan kwam er iets interessants voorbij en dan ging ik er weer vandoor.' Ondertussen overleefde hij een hersenbloeding, een hersentrombose, kanker, een geblokkeerde nier, wat niet, eigenlijk, het mocht een wonder heten dat hij er nog was. Het ging goed, zegt hij, zolang het goed ging. Totdat het verkeerd ging.

Je kon erop wachten: zelfs naar Hoets maatstaven was 2012 een belachelijk druk jaar. Als curator van de Biënnale van Yingchuan in China zat hij regelmatig in het vliegtuig. In Gent stelde hij Sint-Jan samen, de groepsexpositie in de Sint-Baafskathedraal van zíjn kunstenaars: Borremans, Fabre, Claerbout. Het was een expositie die teruggreep op zijn katholieke roots; eentje ook die bedoeld was als tegenwicht voor de door 'citymarketing' geobsedeerde 'politiekers' samengestelde Track-manifestatie. En dan waren er de ziekenhuisbezoeken voor zijn nierdialyse. Drie maal per week. Ook in het buitenland.

En toen kwam dus dat tripje naar Hamburg. Eenmaal uit de coma ontwaakt was hij verward. 'Mijn gevoel voor plaats was weg; ik dacht de hele tijd dat ik in Los Angeles zat; tegen mijn vrouw sprak ik alleen nog maar Engels.' Na een week leek hij sterk genoeg om gerepatrieerd te worden, maar 94 kilometer buiten Hamburg kreeg hij een hartstilstand. Met spoed ging het naar een kliniek in het plaatsje Soltau, Nedersaksen. Daar werd hij wederom in kunstmatige coma gebracht en werd een virale longontsteking gediagnosticeerd. Bij het ontwaken was hij zo mogelijk nog verwarder. 'Nu dacht ik dat ik in Wenen was. Sprak ik enkel nog Duits.'

Na drie weken aan de beademingsapparatuur werd hij per helikopter overgebracht naar het UZ in Gent, een vertrouwd ziekenhuis. Daar, gelegen onder een 'postkaartje van Piero della Francesca' en een 'Vermeer van Delft' begon de moeilijkst periode: die van wachten en ondergaan: 'Kijk: ik ben een Hoet. En een Hoet kan niet stilzitten. Een Hoet moet bewegen. Wanneer ze me te lang op een stoel zetten, ga ik brullen. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik niet zo veel boeken geschreven heb; ik heb er het geduld niet voor.'

Bij gebrek aan activiteiten excelleerde Hoet in zijn rol van gastheer. 'Ziek zijn is vervelend, maar een zieke bezoeken is nog veel erger. Daarom moet de zieke altijd opener en genereuzer zijn dan zijn visite. Een ziekenhuis lijkt wel wat op een museum: als de patiënt aardig is en niet te veel klaagt, dan komen de mensen nog eens terug. Daarom had ik altijd een goeie fles champagne in de ijskast staan.' Inmiddels, zegt hij, voelt hij zich weer prima.

Het voorval in Hamburg lijkt weinig invloed te hebben gehad op zijn levensstijl. Nog altijd rookt hij zijn sigaretten, zijn agenda is voller dan ooit. In mei opent zijn tentoonstelling over de geschiedenis van het stripverhaal in de Loketten in Brussel. Voor juni is er een tentoonstelling in Rome van de schilder Jan van Imschoot. In oktober: Raoul de Keyser in de zestiger jaren in het Museum van Deinze en Leiestreek. En dan is er nog dat grote project in Geel, de stad waar hij opgroeide. Daar gaat hij outsider art naast beeldende kunst tonen, onder meer van zijn nieuwste ontdekking, Vaast Colson. 'Colson is een performancekunstenaar. Hij doet onderzoek naar de typologie van dingen, verf bijvoorbeeld. Speels en lucide werk. Formidabel.'

Wat drijft hem om zo hard te blijven werken?

Hij glundert. 'Ach jong, het leven is zó interessant. Elke dag zijn er nieuwe dingen te ontdekken. Sta ik vanochtend met de fotograaf bij die magnolia daar te poseren; zie ik voor het eerst dat er naast die boom nog een ander, veel schoner exemplaar staat. En dat terwijl ik al m'n hele leven in dit park kom!' En natuurlijk: het is ook ijdelheid: 'Ik wil meedoen, sociabel blijven, een rol spelen. Niets lijkt me erger dan dat ze zeggen: laat Jan Hoet maar in de zon zitten. Nutteloos zijn; terrible. Doodgaan is daar niets bij.'

Credit: Wie is Jan Hoet?

Jan Hoet (Leuven, 1936) is een Vlaamse conservator, tentoonstellingsmaker en kunstcriticus. Hij werd opgeleid als schilder en studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent. Hoet was de instigator en directeur van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in Gent en stelde verscheidene internationale tentoonstellingen en manifestaties samen, waarvan Documenta IX in Kassel (1992) en de beeldententoonstelling Sonsbeek in Arnhem (2001) de bekendste zijn.

Credit: Hoet over Hoet

Jan Hoet is vaak een 'verleider' en 'geboren versierder' genoemd, niet in de laatste plaats door zijn viriele verschijning. Toch heeft zijn uiterlijk hem nooit beziggehouden. 'Aandacht voor uiterlijk hoort bij deze tijd. Ik was daar vroeger nooit mee bezig. Ik keek nooit in de spiegel en kleding liet ik kopen door mijn vrouw. Nog altijd draag ik iedere dag hetzelfde pak. Volgens Panamarenko kleed ik me als een begrafenisondernemer.'

undefined

Meer over