Geen stad van marmer en toga's

'Calcutta aan de Middellandse Zee.' Zo noemt kunsthistoricus Robert Hughes het antieke Rome: vol, chaotisch en smerig. 'De godin van het wereldrijk stonk.' Een onsentimetele ode aan de Eeuwige Stad.

MATTHEA WESTERDUIN

Als je denkt aan het Rome van nu doemen beelden op van legio scooters en toeterende auto's, maar vooral van eindeloos veel toeristen die zich door de secuur geconserveerde kathedralen, theaters, kapellen, pleinen, musea en zuilengangen wurmen.

De stad die eeuwenlang een politiek, cultureel en religieus centrum is geweest, wordt tegenwoordig vooral bevolkt door massa's fotograferende bezoekers. De Australische kunstcriticus Robert Hughes schetst in het nawoord van zijn boek De zeven levens van Rome een somber beeld van de stad, die 'als ze niet dood is, dan toch wel ernstig verlamd'.

Een bezoek aan de Sixtijnse Kapel ervaart de Australiër als bijna ondraaglijk. Die ervaring heeft volgens hem meer van doen met een 'ontaarde rugby-scrum' dan met Renaissancekunst.

Toch brengt de kunstcriticus Hughes, die bekend werd met het boek en de televisieserie The Shock of Modern Art, een vuistdikke ode aan de hoofdstad van Berlusconi's Italië. In zijn boek overbrugt de 73-jarige auteur met gemak duizenden jaren aan geschiedenis.

Hij begint gewoon bij het begin, in 753 voor Christus. Volgens het stichtingsverhaal van Rome zou Romulus, de man die zijn tweelingbroer Remus vermoordde, precies in dat jaar de stad hebben gesticht.

Met inwoners van allerlei allooi groeide de stad uit tot de hoofdstad van een wereldrijk. Rome werd 'de godin van alle landen en volken, door niets geëvenaard, niet eens in benadering', zoals Martialis dichtte.

Niet alleen in de Oudheid, maar ook in de Middeleeuwen, de vroegmoderne en de moderne tijd heeft de stad verbazingwekkend veel grote namen van de westerse geschiedenis voortgebracht. Hughes behandelt ze allemaal: van Julius Caesar tot Mussolini, van Rafaël en Michelangelo via de ondergewaardeerde Bernini -'de marmeren megafoon van de Rooms-Katholieke kerk' - tot Fellini en van paus Julius II tot paus Benedictus XVI.

Hoewel je een geschiedenis van Hoge Kunst en Grote Mannen zou verwachten, is De zeven levens van Rome geen steriele verhandeling over de politieke en religieuze hoogtepunten van de stad. Met recht mag het boek een cultuurgeschiedenis genoemd worden, in de breedste zin van het woord.

Zo prikt Hughes met duidelijk plezier de stereotiepe beelden van het antieke Rome door: die van een stad waar klassieke orde heerste, het marmer wit blonk en de bewoners zich in toga's hulden. Een Romein uit de tijd van Augustus zou daar weinig in hebben herkend. Rome was eerder een 'Calcutta-aan-de-Middellandse-Zee': overvol, chaotisch en smerig. 'De godin van het wereldrijk stonk', aldus Hughes.

Mensen leefden onder erbarmelijke omstandigheden, vergelijkbaar met de armste sloppenwijken van New York in de jaren 1870. De uitwerpselen van paarden, varkens, honden, ezels en mensen lagen op straat uitgespreid, zo ook dode baby's en lijken van moordpartijen en berovingen.

Met vaak wonderlijke vergelijkingen en een niets ontziende taal dringt Hughes door tot de menselijke ervaring van de stad. Hij maakt het verleden zinnelijk en tastbaar - een kunst die niet veel historici beheersen. Niet alleen zijn beschouwingen over het alledaagse leven van de Romeinse burger spreken tot de verbeelding. Ook als de grote namen vallen, voert Hughes levende, vaak onstuimige figuren op.

Zo beschrijft hij paus Julius II, de belangrijkste opdrachtgever van Rafaël en Michelangelo: 'een twistzieke, overweldigend energieke man, die beschikte over een onmenselijke wil en een grote machtshonger.' Michelangelo op zijn beurt 'deed niets liever dan naar mannelijke naakten kijken'. Niet voor niets wemelen de fresco's in de Sixtijnse Kapel van de mooie, naakte, kerels die geen enkele rol spelen in het te verbeelden Bijbelverhaal.

Hoewel Hughes de banaliteit van de metropool Rome tot in de kleinste details beschrijft, is zijn bewondering voor de hoogten waartoe mensen in staat zijn te klimmen de stuwende kracht achter zijn proza.

Hughes sluit zich aan bij de uitspraak van Goethe dat geen mens kan weten wat een individu op eigen kracht kan bereiken, zolang hij de Sixtijnse Kapel niet heeft gezien. Michelangelo schilderde de zeshonderd vierkante meter plafond bijna helemaal alleen, liggend op zijn rug, onder erbarmelijke omstandigheden. Het maakt, volgens Hughes, dat je jezelf klein voelt, maar ook groot, omdat Michelangelo (of Rafaël en Bernini) leden zijn van je eigen soort.

Die 'menselijke glorie' heeft wel een schaduwzijde. Michelangelo werkte in opdracht van Julius II, een paus die ook wel il papa terrible werd genoemd. Om al zijn kunstprojecten te bekostigen dreef hij de belastingen op en kreeg de Kerk opdracht 'elke cent te persen uit de verkoop van aflaten', waarbij gelovigen tegen een hoge prijs toegang konden verwerven tot de hemelen.

Ofschoon Hughes de afperspraktijken van deze en volgende pausen hekelt, kan hij zijn dankbaarheid toch moeilijk verbergen. Over paus Leo X zegt hij: 'Met al zijn liefde voor de kunsten, en met name zijn steun voor de literatuur en de wetenschap, moet je de man wel aardig vinden.' Het was dezelfde paus die de malafide handel in aflaten tot een ware kunst zou verheffen.

De zeven levens van Rome bestrijkt bijna drieduizend jaar. Met zo'n grote greep uit de geschiedenis sta je snel op gevoelige tenen van menig specialist. Die van de eminente Britse historica Mary Beard bijvoorbeeld, die in The Guardian van 29 juni klaagde over de vele feitelijke missers in de eerste hoofdstukken. Zo laat Hughes het Colosseum bouwen door keizer Nero, terwijl dat bouwwerk werd opgetrokken door zijn opvolgers, nota bene als propagandamiddel en waarschuwing tegen hun tirannieke voorganger.

Als fouten van dit kaliber zouden worden gemaakt in een historische studie over de 20ste eeuw, dan zou zo'n boek met de grond gelijk worden gemaakt, betoogt Beard niet ten onrechte. Ze raadt de lezer aan de eerste 200 pagina's maar domweg over te slaan.

Toch zou het jammer zijn Hughes' hoofdstukken over het oude Rome links te laten liggen, omdat de auteur zo goed laat zien hoe het klassieke Rome verbonden is met het Rome van de Renaissance én dat van de moderne tijd.

Die dwarsverbanden maken Hughes' cultuurgeschiedenis even prijzenswaardig als verfrissend. Bovendien druipt het schrijfplezier van de bladzijden - ook in die betwiste eerste chapiters. Hughes zou in een volgende druk de suggesties van Mary Beard netjes over kunnen nemen. Dan kunnen ook de specialisten ongegeneerd van De zeven levens van Rome genieten.

Robert Hughes: De zeven levens van Rome - Een cultuurgeschiedenis van de Eeuwige Stad.

Uit het Engels vertaald door Frans van Delft.

Balans; 512 pagina's; € 29,95.

ISBN 978 94 600 3184 7.

undefined

Meer over