Geen Olympos behoeft voor bestorming te vrezen POEZIE VOL RELATIVERENDE FLAUWITEITEN EN PRETENTIES

DICHTERS, waren dat geen bleke hemelbestormers die zich na een kort maar dramatisch leven opknoopten, als ze niet al eerder aan de tering bezweken waren?...

PIET GERBRANDY

Wie de oogst aan nieuwe poëzie van het afgelopen jaar bekijkt, weet direct dat geen van die jonge dichters zich een kogel door het hoofd zal jagen. Evenmin zullen zij uitgroeien tot gezaghebbende goeroes. Het merendeel van hen zal na een oppassend en arbeidzaam bestaan achter fleurige geraniums van met zorg opgebouwde pensioenrechten genieten.

Het is ongetwijfeld een beetje flauw om op deze manier over dichters te spreken. Sturm und Drang zijn passé, en ook dichters hebben recht op inkomen en geluk. Niettemin komt de poëzielezer die zich wil laten overrompelen, bij deze nieuwe dichters nauwelijks aan zijn trekken. Er is niet één dichter bij, wiens taal je naar de keel grijpt. Ook voor intellectuele bevrediging ben je bij hen aan het verkeerde adres, om over grootse visies maar helemaal te zwijgen. Zij beheersen over het algemeen hun ambacht, zijn zich - soms te goed - bewust van wat ze doen, en schrijven verdienstelijke gedichten. Boekjes die je, op een enkele uitzondering na, gerust aan een vriendelijke tante cadeau kunt doen.

Dit zou kunnen suggereren dat al die bundels op elkaar lijken, maar dat is niet het geval. Integendeel, de verschillen zijn enorm. Alleen, het gros van deze gedichten mist iets essentieels: noodzaak, urgentie, de innerlijke drang om de belangrijkste mededelingen ter wereld te doen. Geen Olympos behoeft voor bestorming te vrezen.

De meest archetypische van de hier gepresenteerde dichters is de enige vrouw van het gezelschap. Judith Mok, een klassiek zangeres die ook proza publiceerde, weet zich door een muze geïnspireerd. Die muze is, verrassend genoeg, een man:

De orgelman is nu mijn Muze

Hij eet heel vaak een peer

Ik kwam hem tegen op zee

Stroomopwaarts tussen Montevideo en Destino

Hij liet zijn ogen varen

Het blauw nam ik mee

In een ander gedicht heet het: 'Zijn stem bloeit vier seizoenen lang/ Met voorzichtige vingers wil ik hem beschrijven.'

De muze wordt zo vaak genoemd dat zijn bestaan voor Mok kennelijk een realiteit is. Deze herhaaldelijk beleden overtuiging dat haar poëzie door iets hogers aangeblazen wordt, getuigt van pretenties die zij helaas niet waarmaakt. Haar gedichten worden gekenmerkt door een vaagheid die aan Hans Lodeizen herinnert. Bovendien is zij een slachtoffer geworden van het wijdverbreide misverstand als zou literatuur vanzelf interessant en exotisch worden als je haar met topografische details doorspekt. Maar wie nog nooit in Buenos Aires is geweest, heeft weinig aan de vermelding van die naam, en wat Mok vertelt, had vaak net zo goed in Haarlem of Holysloot kunnen plaatsvinden.

Ivoren toren te huur is de tweede bundel van Lernert Engelberts, die vorig jaar op 19-jarige leeftijd debuteerde. Engelberts heeft zich de rol van opstandige jongere aangemeten. Hij cultiveert het gevoel als dichter een outcast te zijn, maar haalt die houding met gepaste zelfspot onderuit: 'Misschien ben ik wel ziek/ en niet meer te genezen./ Soms denk ik:/ kon ik de mens maar tot stilte dwingen./ Maar dit lukt alleen grote schrijvers/ met hun welsprekendheid.' Welsprekend is Engelberts inderdaad niet, maar dat wil hij ook niet. Hij wil helder en eerlijk zijn. Zo wast hij een hysterische collega de oren:

Steeds als dichteres M. schrijven wil

over haar eerste orgasme

- dat ze kreeg op de rug van een pony -

staat er in haar notitieboekje:

'Ontlading. Duizend vingers

in mijn lichaam gedrongen strelen

de regen van kleuren. Dit zuchtend rijden.'

Nooit staat er:

'Ik kreeg mijn eerste orgasme

op de rug van een pony.'

Engelberts' streven naar nuchter en doeltreffend taalgebruik valt te prijzen en zijn onbeschaamde toon is wel in orde, maar het is jammer dat hij zo weinig te melden heeft. Het is misschien beter dat hij de komende tien jaar zijn mond houdt en het dan opnieuw probeert.

De bundel van Ingmar Heytze (1970) begint veelbelovend met een gedicht over een hypochonder, waarin de volgende scène voorkomt:

Ik bezorg met regelmaat volle bus hokjes

de zenuwen door grijnzend mijn hart

omhoog te houden voordat ik het

met een zuigend geluid terugstop

in mijn hersenpan. Af en toe lach ik

met tanden van kaas.

Zo bizar als dit eerste gedicht is de rest helaas niet. De situaties die Heytze beschrijft zijn voor ieder normaal mens herkenbaar, verrassende vergezichten blijven uit. Hij maakt transparante, welluidende gedichten, die het iets te vaak van hun pointe moeten hebben. Sterk is een gedicht over 'licht gekreukte' mannen, die rokend op een bankje in het park zitten te wachten tot hun zonen gaan deugen, tot hun dochters niet meer trouwen met proleten, 'tot hun vrouwen stoppen/ met verwelken/ in hun bed'.

Verreweg de meest eigenzinnige van de nieuwe dichters is Marc Kregting (1965), die eerder een bundel in de Kleurenreeks van Perdu publiceerde. De ene helft van zijn boek bevat 36 gedichten, aan de andere kant begint een bundel met 72 korte verhalen. De gedichten zijn genoemd naar episoden uit het leven van Kopstem, wiens tweelingbroer Stopnaald de held van de verhalen is. Deze Stopnaald is een wat eenzelvige vrijgezel, die op bepaalde momenten aan Bazip Zeehok van Buddingh' doet denken.

Kregtings proza is een aaneenschakeling van zo vreemd mogelijke zinnen, hetgeen al na een paar bladzijden vrij vermoeiend wordt, vooral omdat het bijna nergens over gaat. De spreker is zo iemand die elk ontluikend gesprek om zeep helpt door een overdaad aan relativerende flauwiteiten. Zijn gezochte taalgebruik lijkt op dat van Anne Vegter en Willem Brakman. Wie er de tijd voor neemt, zal tussen alle ongein echter prachtige alinea's aantreffen, zoals deze: 'De vader van het neefje van iemand die heel goed is met kamerplanten, was gestorven. Neefje vatte dit niet, iemand wel. Wel wist iemand niet hoe neefje te troosten, voorzover dat gaat. Iemand wendde zich tot Stopnaald. We weten niet op welke gronden.'

Kregtings gedichten zijn gewild ontoegankelijk: hij doet het erom, dat zie je direct. Zij vertonen de samenhang van een woordenboek, wat hier en daar vermakelijke, en doorgaans goed klinkende teksten oplevert, maar de lezer in veruit de meeste gevallen voornamelijk frustreert. Dit is een treffend voorbeeld:

Hij baadt in spinazie, maar dat is

geen reden. Een gewei vol blaadjes

siddert, afdingend met samenspraak.

Dit vergt het lenige. En is-ie dan,

heilgymnast op een sloep met mate. Zijn

rug af glijdt gezelligheid. Het is

zo allemaal, muntend in een sum mum.

De Bezige Bij, die tegenwoordig bundels produceert die na één keer lezen uit elkaar vallen, kwam dit jaar met drie debutanten, van wie Erik Menkveld al op deze plaats besproken werd. Onlangs verscheen Viewmaster van Co Woudsma (1960), een bundel die niet bepaald uitbundig van sfeer is. Woudsma's stijl is een beetje kleurloos, maar zijn gedichten zijn ambachtelijk opgebouwd en kennen aardige momenten. Knap analyseert hij bijvoorbeeld de vervreemding van vakantiegangers die, weer thuis gekomen, zichzelf wijs maken dat ze daar horen, hoewel ze beseffen dat de voorwerpen hen helemaal niet nodig hebben. Niet beklemmend, wel ontregelend is wat er tijdens een intiem dinertje in het naseizoen gebeurt:

Dan een schrijn met flessen wilde wijn: 'Ik

zou de duurste nemen als u mij was',

zegt de ober met een goedgekozen

Frans accent. Zo simpel kon geluk zijn

als hier verder nog wat mensen zaten,

was niet elke kamer vrij, verdwenen

wij niet, vrolijk door likeur, in een lift-

loze schacht, misprijzend nagekeken.

Eerder dit jaar was er al Nooit zonder de paarden van de Haagse bibliothecaris Jan Baeke (1956). De dieren uit de titel komen in een aantal gedichten terug. Hun uiterlijk en wijze van bewegen is gracieus, van hun innerlijk weten we weinig. Daarom moeten we serieus rekening houden met de mogelijkheid dat niet wij, maar zij de hoogste cultuurdragers van deze wereld zijn. Minzaam slaan zij ons gade, maar zij verwaardigen zich niet met ons in gesprek te treden:

Zij hebben begrip voor onze vasthou dendheid

omdat ze, net als wij

ontelbare boeken bevolken

en zich allerlei wreedheden herinne ren.

Het stemt ze nooit meewarig

die nieuwsgierigheid

naar welk paard ze van binnen zijn.

Elders in de bundel betreurt iemand de eenvoud van de paarden: 'Ze zouden wonderen kunnen verrichten/ en denker kunnen worden.' De gedichten van Baeke roepen een ongemakkelijk universum op, dat enige verwantschap vertoont met de denkwerelden van andere Bezige Bij-auteurs als Nachoem Wijnberg en Erik Menkveld. In die wereld is ook plaats voor warmte en tederheid: 'De zachtheid van de paarden/ huist niet in hun manen/ maar in hun gezangen.' Baeke kan een heel bijzonder dichter worden.

De meest gekwelde van de hier genoemde dichters, tenslotte, is waarschijnlijk Menno Wigman (1966). In klassieke verzen die een intensieve lectuur van Leopold, Rilke en Baudelaire doen vermoeden, identificeert de jonge poète maudit zich met monsters als Mengele en Caligula. Zijn morbide belangstelling voor verval, bedrog en wreedheid is een zorgvuldig gecultiveerde pose, maar dat stoort niet, omdat Wigman zijn vak beheerst. Wigmans zwierige stijl suggereert dat hij een vlotte schrijver is, en daarin schuilt een gevaar: wie over verschrikkelijke dingen schrijft, moet het zichzelf en de lezer niet te gemakkelijk maken. Maar ondanks dit gebrek aan weerbarstigheid is een gedicht als het volgende een aanwinst:

Er wonen hoeren in je hoofd

wanneer je dertig wordt.

Een uur van scherp genot

weegt zwaarder dan een woord.

En toch, je ligt steeds dieper

in je ongewassen graf

te denken wie zij was

en wie hier na haar sliepen.

Waar blijft het staren en verbazen

na een nacht van nieuw genot?

Er wonen hoeren in je hoofd

wanneer je dertig wordt.

Piet Gerbrandy

Jan Baeke: Nooit zonder de paarden.

De Bezige Bij; 48 pagina's, ¿ 32,50.

ISBN 90 234 4762 X.

Ingmar Heytze: De allesvreter.

Kwadraat; 56 pagina's; ¿ 19,90.

ISBN 90 6481 284 5.

Marc Kregting: Kopstem/Stopnaald.

Prometheus; 144 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 5333 620 6.

Lernert Engelberts: Ivoren toren te huur.

De Harmonie; 36 pagina's; ¿ 24,90.

ISBN 90 6169 548 1.

Judith Mok: Het feestmaal.

Meulenhoff; 48 pagina's; ¿ 32,90.

ISBN 90 290 5564 2.

Menno Wigman: 's Zomers stinken alle steden.

Bert Bakker; 60 pagina's; ¿ 19,90.

ISBN 90 351 1917 7.

Co Woudsma: Viewmaster.

De Bezige Bij; 48 pagina's; ¿ 32,50.

ISBN 90 234 4770 0.

Meer over